Wet van 17-03-2021, Stb. 2021, 155

Wet tot aanpassing van enkele wetten ter uitvoering van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PbEU 2017, L 283) (Invoeringswet EOM)

—De Verordening EOM, ter uitvoering waarvan deze wet strekt, heeft tot doel de financiële belangen van de Unie intensiever te beschermen tegen strafbare feiten, die jaarlijks aanzienlijke financiële schade veroorzaken. Hiertoe is het EOM opgericht in 2017 en eind 2020 begonnen met zijn activiteiten. Het EOM is bevoegd inzake de vervolging van bepaalde strafbare feiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden. Gezien de bevoegdheid van het EOM richt de opsporing zich op financiële fraude. De zaken waarin het EOM bevoegd is laten zich inhoudelijk onderverdelen in drie soorten, te weten fraude met EU-subsidies, invoerrechten en omzetbelasting. De opsporing van dergelijke zaken behoort in Nederland op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten tot de taak van de bijzondere opsporingsdiensten.

Voor Nederland brengt dit mee dat in de eerste plaats de FIOD en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) als opsporingsinstanties ter ondersteuning van het EOM zullen optreden. Het EOM is een orgaan van de Europese Unie en deelt zijn bevoegdheid met de lidstaten. Dat wil zeggen dat indien zich een zaak voordoet binnen het bevoegdheidsterrein van het EOM, zowel het EOM als de nationale vervolgingsinstanties (in geval van Nederland: het openbaar ministerie) bevoegd zijn die zaak te onderzoeken en vervolging in te stellen. Het EOM heeft hierbij wel een voorrangsrecht, doordat het kan besluiten een EU-fraudezaak die binnen de gedeelde bevoegdheid valt aan zich te trekken teneinde die zaak te onderzoeken en te vervolgen. Uitgangspunt is dat het EOM samenwerkt met de nationale autoriteiten en gebruik maakt van de nationale structuren en wettelijke bevoegdheden. De Verordening EOM bepaalt de taak en bevoegdheden van het EOM. Ook is daarin de structuur van en de taakverdeling binnen het EOM vastgelegd, waarbij wordt uitgegaan van een centraal en decentraal niveau. De onafhankelijkheid van het EOM en diens aanklagers is vastgelegd in artikel 6 van de Verordening EOM. Het EOM is verantwoording schuldig aan de EU-instellingen en aanvaardt noch vraagt instructies van externe personen. Het EOM oefent zijn bevoegdheid uit door zelf een onderzoek in te stellen of door een nationaal onderzoek over te nemen. Strafvervolging namens het EOM vindt plaats voor de nationale rechter. De verordening geeft regels over grensoverschrijdende samenwerking tussen EOM-lidstaten.

De bevoegdheid en werkwijze van het EOM vloeien rechtstreeks voort uit de verordening, die directe werking heeft. Er zijn slechts beperkte aanpassingen in wetgeving nodig om opsporing en vervolging door het EOM in Nederland mogelijk te maken.

Het EOM bestaat, zoals genoemd, uit een centraal en decentraal niveau. Het decentrale niveau wordt gevormd door de gedelegeerd Europese aanklagers. Het EOM maakt geen deel uit van de Nederlandse rechterlijke organisatie en het openbaar ministerie vormt dan ook geen onderdeel van het EOM. Het decentraal niveau van het EOM wordt gevormd door functionarissen die lid blijven van het openbaar ministerie, maar zij verrichten hun werkzaamheden voor het EOM niet vanuit of als deel van de taak van het openbaar ministerie, en dus ook niet onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie en de Minister van Justitie en Veiligheid.

De in de Verordening EOM opgenomen bevoegdheden en procedures geven de hoofdregels voor de wijze waarop de gedelegeerd Europese aanklager zijn taak moet uitvoeren. Het systeem van de Verordening EOM komt er in de kern op neer dat de gedelegeerd Europese aanklager zijn concrete onderzoeks- en vervolgingsbevoegdheden ontleent aan het nationale recht (artikel 13, eerste lid). Deze bevoegdheden moeten volgens de verordening aan een minimumniveau voldoen. Artikel 30 van de Verordening EOM schrijft voor tot welke onderzoeksmaatregelen en andere maatregelen een gedelegeerd Europese aanklagers in ieder geval bevoegd zou moeten zijn. De in dit artikel genoemde opsporingsbevoegdheden komen allemaal toe aan een Nederlandse officier van justitie. Op dit punt is dus geen aanpassing van de Nederlandse regelgeving nodig.

Wel wordt de invulling van het begrip ‘nationale aanklager’ dat wordt gebruikt in de verordening verduidelijkt. In de wet is een bepaling opgenomen waarin vastligt dat waar op grond van nationale regelgeving een bevoegdheid toekomt aan de officier van justitie, advocaat-generaal of het openbaar ministerie en deze bevoegdheid nodig is ter uitvoering van de taken van het EOM, deze bevoegdheid toekomt aan de gedelegeerd Europese aanklager. De opsporing van strafbare feiten als bedoeld in artikel 22 van de Verordening EOM wordt aan de taak van de bijzondere opsporingsdiensten toegevoegd. De bepaling over de relatieve competentie in het Wetboek van Strafvordering wordt gewijzigd. De vier rechtbanken die ook bevoegd zijn in zaken van het functioneel parket worden expliciet en bij uitzondering van alle andere rechtbanken aangewezen voor zaken die door de gedelegeerd Europese aanklager kunnen worden aangebracht. Bij deze rechtbanken is, door de bestaande aanvullende competentie in zaken van het functioneel parket, reeds de specialistische kennis en ervaring aanwezig die nodig is om zaken waarin het EOM bevoegd zal zijn te behandelen. Hoewel de gedelegeerd Europese aanklagers, wanneer zij in die functie optreden, geen deel zullen uitmaken van het OM, is besloten dat zij in de praktijk gepositioneerd zullen worden bij het functioneel parket. Dit wordt in de Wet op de rechterlijke organisatie geregeld.

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip.

Kamerstukken