Wet van 25-11-2020, Stb. 2020, 522 en inwerkingtredingsbesluit van 08-12-2020, Stb. 2020, 523

Wet tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de introductie van bepalingen ter invoering van de tijdelijke mogelijkheid voor de rechter om de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een schuldenaar een tijdelijk betalingsuitstel te verlenen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV)

—Deze wet bevat enkele wijzigingen van de Participatiewet en de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid en strekt er bovendien toe de rechter tijdelijk de mogelijkheid te bieden de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een schuldenaar een tijdelijk betalingsuitstel te verlenen.

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) is op 22 april 2020 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 maart 2020. De Tozo heeft als doel om zelfstandigen met financiële nood als gevolg van de coronacrisis zo snel mogelijk te helpen en inkomenszekerheid te bieden. De snelle uitvoerbaarheid heeft onder andere geleid tot de keuze om de kostendelersnorm (de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet) buiten toepassing te laten in het kader bij algemene bijstand op grond van de Tozo. Met het niet toepassen van de kostendelersnorm is afgeweken van de Participatiewet. Deze wet voorziet met terugwerkende kracht in de benodigde wettelijke grondslag.

In de Participatiewet is voor jongeren tot 27 jaar een zoekperiode van vier weken opgenomen voordat zij in aanmerking komen voor een uitkering. Met deze wet wordt geregeld dat gemeenten tot 1 juli 2021 de bevoegdheid hebben om in individuele gevallen af te wijken van de vier weken termijn. Verder wordt geregeld dat de vier weken zoektermijn tot 1 juli 2021 niet van toepassing is op bepaalde groepen kwetsbare jongeren. Ook jongeren tot 27 jaar die zouden kunnen studeren en daardoor aanspraak zouden kunnen maken op studiefinanciering kunnen aanspraak maken op bijstand op grond van de Tozo indien aan de voorwaarden wordt voldaan.

Verder wordt de op 24 april 2020 in werking getreden Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid op twee onderdelen gewijzigd. Dit betreft a) het uitbreiden van de verlengingsmogelijkheid van de uitvoeringstermijnen bij taakstraffen naar de zogeheten ‘herkansingen’ van de rechter, en b) het uitbreiden van de mogelijkheid van telehoren naar de penitentiaire beklag- en beroepsprocedures op grond van de penitentiaire beginselenwetten. De regeling is noodzakelijk om voor strafrechtelijk veroordeelden de toegang tot het recht maximaal te waarborgen door een tijdige beslissing op beklag en beroep te faciliteren.

Wat betreft de taakstraffen: Op grond van artikel 29 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid is de Minister voor Rechtsbescherming bevoegd de (oorspronkelijke) uitvoeringstermijnen voor taakstraffen, opgenomen in de artikelen 6:3:1 en 6:3:8 Sv, te verlengen. Daarmee wordt voorkomen dat taakstraffen niet meer kunnen worden uitgevoerd als gevolg van de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19. Gebleken is dat een aanzienlijk aantal zaken niet binnen de reikwijdte valt van dat artikel. Het gaat om zaken waarbij de rechter – na gegrondverklaring van een bezwaarschrift tegen omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie – op grond van artikel 6:6:23, tweede lid, Sv een nieuwe termijn heeft gesteld voor de uitvoering van (het restant van) de taakstraf. In deze zaken, waarin de rechter de taakgestrafte feitelijk een ‘herkansing’ heeft geboden, kan de Minister voor Rechtsbescherming de termijn niet verlengen omdat niet langer sprake is van de oorspronkelijke uitvoeringstermijn uit de artikelen 6:3:1 en 6:3:8 Sv. Dat wordt met deze wet aangepast.

Een ander onderdeel van deze wet betreft een tijdelijke voorziening voor betalingsuitstel in verband met COVID-19. Door de overheid en in de praktijk zijn verschillende maatregelen genomen die de liquiditeitsproblemen van ondernemingen door de beperkende coronamaatregelen moeten verlichten. Het kan echter niet worden uitgesloten dat de steunmaatregelen en coulance van betrokken partijen onder omstandigheden toch onvoldoende zijn om onnodige faillissementen te voorkomen. Kern van de regeling, die wordt vergezeld van nog een aantal ondersteunende voorzieningen, is dat een ondernemer die geconfronteerd wordt met een jegens hem ingediend faillissementsverzoek de mogelijkheid krijgt om de rechtbank te vragen om de behandeling van dit faillissementsverzoek aan te houden. Als dit aanhoudingsverzoek wordt toegewezen heeft dit ook tot gevolg dat de schuldenaar een uitstel van betaling wordt gegund jegens de schuldeiser die het faillissementsverzoek heeft ingediend. Doel hierbij is om ervoor te zorgen dat ondernemers na de versoepeling van de beperkende maatregelen, de gelegenheid krijgen om hun bedrijf weer opnieuw op te starten. Het uitstel doet verder niet af aan de gevolgen van niet-nakoming door de schuldenaar. Als de rechtbank de behandeling van het faillissementsverzoek aanhoudt, kan de schuldenaar niet worden gedwongen tot het voldoen van betalingsverplichtingen die voor die aanhouding al opeisbaar waren. Voor deze schulden krijgt hij dan dus feitelijk een uitstel van betaling. Als de schuldenaar nieuwe verplichtingen aangaat of er een nieuwe betaaltermijn vervalt bij een lopende overeenkomst (bijvoorbeeld een huurovereenkomst), moet hij die kunnen voldoen.

De Belastingdienst is uitgezonderd van de toepassing van de tijdelijke betalingsuitstelregeling.

Inwerkingtreding

Inwerkingtreding met ingang van 17-12-2020, waarbij aan verschillende onderdelen terugwerkende kracht is verleend tot verschillende tijdstippen.

Kamerstukken