Wat er niet in de Ontslagregeling staat - en de gevolgen daarvan

De parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid, die op 1 juli aanstaande in werking treedt, maakte al duidelijk dat de wetgever een aantal vragen aan de rechtspraak zou overlaten. Op 11 mei jl. verscheen dan het Ontslagbesluit in de Staatscourant. Na kennisname daarvan kan geconstateerd worden dat er nog een heel gebied aan vragen is bijgekomen.

De kern van het probleem is dat de wetgever enerzijds de ruimte voor het beoordelen van ontslagen enorm heeft willen beperken, maar anderzijds onvoldoende richtlijnen meegeeft aan het UWV en de rechter om dat te doen. Daarbij worden regels over de interpretatie van begrippen als bedrijfseconomische omstandigheden en passende arbeid, en over de c- tot en met h-gronden node gemist. Hoewel velen het op zich zullen toejuichen dat de rechter hier dus de nodige vrijheid krijgt, is het probleem dat de wetgever dat nu ook weer niet graag ziet en rechters derhalve op kousenvoeten zullen lopen. Het gevolg is wat auteur betreft een halfbakken compromis met nog meer procesrisico’s dan zich al eerder liet aanzien.

Lees hier het artikel van Jaap van Slooten (gepubliceerd in NJB 2015/1139, afl. 24).


Reactie

Van Slooten wijst er in zijn bijdrage in afl. 25 van het NJB1 op dat de omvang van de Ontslagregeling die op 11 mei 2015 in de Staatscourant2 is verschenen beperkter is dan de beleidsregels die waren neergelegd in het Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 20103 en die het UWV hanteerde op basis van het oude recht. Ik vrees dat hier onbedoeld twee zaken door elkaar zijn gehaald. De Ontslagregeling waarin de Minister van SZW zijn ontslagbeleid uiteenzet, moet worden vergeleken met het oude Ontslagbesluit4 waarin dat ook was gebeurd. Binnen dat door de minister aangegeven beleid meende het UWV de ruimte te hebben om een uitvoeringsbeleid te formuleren en dat neer te leggen in de beleidsregels. Een beleidsregel is op grond van artikel 1:4 Awb5 een bij besluit vastgestelde regel, die geen algemeen verbindend voorschrift is – in tegenstelling tot de Ontslagregeling/het Ontslagbesluit – en waarin een afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke begrippen is opgenomen die een bestuursorgaan – zoals het UWV – bij de uitoefening van een hem toegekende bevoegdheid hanteert. Overigens is al eens ter discussie6 gesteld of het UWV wel de bevoegdheid heeft om beleidsregels uit te vaardigen op grond van de wijze waarop het ontslagbeleid van de Minister van SZW in artikel 6 BBA 19457 was vormgegeven.

Er is nog een aspect aan de Ontslagregeling waarop ik wil wijzen. Artikel 7:669 lid 5 onderdeel a BW geeft dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de redelijke grond van opzegging, de herplaatsing van de werknemer en de redelijke termijn die bij die herplaatsingsmogelijkheid in acht moet worden genomen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar categorieën van werknemers. Dit is vormgegeven in de Ontslagregeling, althans zo lijkt het. Wat echter opvalt is dat in de Ontslagregeling geen voorschriften zijn gegeven die betrekking hebben op de redelijke grond van ontslag waarvan in lid 5 onderdeel a van artikel 7:669 BW sprake is, maar van voorwaarden die aan het geven van de gevraagde toestemming zijn verbonden. Artikel 6 lid 3 (oud) BBA 1945 luidde ook niet voor niets: ‘Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming in het eerste lid.’ Dit artikellid was de grondslag voor het al genoemde Ontslagbesluit. Dat brengt met zich dat dit deel van de Ontslagregeling een wettelijke grondslag mist en daarmee onverbindend is.8

Mr. dr. J. (Harry) van Drongelen (universitair hoofddocent Sociaal Recht en Sociale Politiek aan de Universiteit van Tilburg en als adviseur verbonden aan De Voort Advocaten | Mediators in Tilburg)

1. Zie J.J.M. van Slooten, ‘Wat er niet in de Ontslagregeling  staat en de gevolgen daarvan’, NJB 2015/1189, afl. 25, p. 1649-1655.

2. Zie Regeling van 23 april 2-015, Stcrt. 2015, 12685.

3. Zie Besluit van 1 december 2009, Stcrt. 2009, 19010.

4. Zie Besluit van 7 december 1998, Stcrt. 1998, 238.

5. Zie J. van Drongelen, S.F.H. Jellinghaus & A.D.M. van Rijs, ‘De verplichte afspiegeling, een betere toepassing in de praktijk?’, Arbeid Integraal 2006-4, p. 39

6. Zie J. van Drongelen, S.F.H. Jellinghaus & A.D.M. van Rijs, Arbeid Integraal 2006-4, p. 23-42.

7. Zie Besluit van 5 oktober 1945, Stb. 1945, F. 214.

8. Zie ook: J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase † & S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht Deel 3 Ontslagrecht, Zutphen, 2015, p. 108.

 

Naschrift

Van Drongelen reageert op mijn stelling dat de omvang van de Ontslagregeling beperkter is dan die van de voorheen geldende regels. Hij stelt dat hier twee zaken onbedoeld door elkaar zijn gehaald. Dat is niet juist.

Van Drongelen wijst erop dat de Ontslagregeling in de plaats is gekomen van het voor 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. Dat heb ik ook onderkend in mijn artikel (zie onder meer par. 4). In de Ontslagregeling is ook een deel van de voor 1 juli 2015 (inderdaad door het UWV zelf vastgestelde) Beleidsregels ontslagtaak UWV overgenomen. Het punt dat ik in mijn artikel maak is dat een ander, groter deel van de Beleidsregels is vervallen. Van Drongelen doet alsof die Beleidsregels geen enkele betekenis hadden, maar dat is in ieder geval in het licht van de Wwz niet terecht. Dat de Beleidsregels grotendeels vervielen valt namelijk niet te rijmen met het feit dat de regering bij herhaling heeft gesteld dat de Beleidsregels een bron zouden zijn bij de uitleg van het (summiere) artikel 7:669 BW. Met name de ontbindingsrechter zou zich voortaan aan die Beleidsregels moeten houden en minder vrijheid hebben om zelf te beoordelen wanneer er sprake is van een ontslaggrond. Als die Beleidsregels dan vervallen en maar ten dele terugkeren in de Ontslagregeling, dan lijkt er iets mis te zijn gegaan.

Verder betoogt Van Drongelen dat de Ontslagregeling onverbindend is omdat deze geen voorschriften bevat die betrekking hebben op de redelijke grond van ontslag als bedoeld in artikel 7:669 lid 5 BW, maar (enkel) voorwaarden bevat voor de gevraagde toestemming. Ik ben dat niet met hem eens. Par. 2 van de Ontslagregeling (artikel 2 t/m 8) heeft als titel: ‘Regels met betrekking tot een redelijke grond voor ontslag als bedoeld in artikel 669 van Boek 7 BW’. In deze paragraaf staan ook dergelijke regels. Het betreft zeker niet (uitsluitend) voorwaarden voor het geven van toestemming, want deze regels zijn ook rechtstreeks van toepassing indien er geen toestemming van het UWV voor opzegging nodig is. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij de statutair directeur (artikel 7:682 lid 3 BW) of in geval de rechter ontbindt wegens bedrijfseconomische redenen (artikel 7: 671b lid 1 sub b of c BW).

Prof. mr. J. (Jaap) van Slooten (Advocaat bij Stibbe en hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam)

Reactie en naschrift zijn ook gepubliceerd in NJB 2015/1678 en 1679, afl. 33, p. 2294 en 2295.


Over de auteur(s)