Wetsvoorstel (08-11-2021) houdende regels ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de coördinatie en analyse in verband met terrorismebestrijding en bescherming van de nationale veiligheid door het versterken van de weerbaarheid van de samenleving (Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid)

—De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) coördineert het beleid en de maatregelen op het terrein van terrorisme-bestrijding en nationale veiligheid. Daarnaast maakt de NCTV analyses van trends en fenomenen op dit gebied, zoals het zogenoemde Dreigingsbeleid Terrorisme Nederland. Voor deze taken kan het nodig zijn om (bijzondere) persoonsgegevens te verwerken, zoals naam en woonplaats, maar ook bijvoorbeeld levensbeschouwelijke overtuigingen. De verwerking van persoonsgegevens voor dit doel is op dit moment niet vastgelegd in de wet. Met dit wetsvoorstel wil de Minister van Justitie en Veiligheid dit nu wel een wettelijke basis geven. De verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens in onderhavig voorstel vindt plaats in het kader van het coördineren van (de uitvoering van) het beleid en de daarbij te nemen maatregelen en het opstellen en delen van analyses van trends en fenomenen met de daartoe geautoriseerde partijen ten behoeve van het verhogen van de weerbaarheid ten aanzien van terrorismebestrijding en nationale veiligheid, door het versterken van de weerbaarheid van de samenleving, het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting en het beschermen van vitale belangen van de samenleving. Voorgesteld wordt die taken wettelijk vast te leggen en af te bakenen, alsmede dat in verband met de uitvoering van die taken persoonsgegevens worden verwerkt. Om de coördinerende rol van de NCTV op gebied van het versterken van de weerbaarheid ten aanzien van terrorismebestrijding en nationale veiligheid goed uit te kunnen voeren, is het in voorkomende gevallen noodzakelijk dat de NCTV, namens de Minister van JenV, kennisneemt van casuïstiek waaronder ook informatie over personen en persoonsgegevens, en deze verwerkt. Voor wat betreft de analyses van trends en fenomenen geldt dat de basis wordt gevormd door informatie van betrokken overheidsorganisaties, zoals de AIVD en de politie, bijeen te brengen, die wordt aangevuld met informatie uit publiek toegankelijke bronnen. Dit kan gaan om literatuur, wetenschappelijke artikelen, maar ook openbare internetbronnen zoals social media, waarbij ook (bijzondere) persoonsgegevens kunnen worden verwerkt. Ook kan het voorkomen dat de gegevens die zijn ontvangen op grond van de coördinatietaak, van belang blijken omdat deze duiden op een bepaalde ontwikkeling of trend.

In artikel 4, derde lid, onderdeel a, is opgenomen dat de Minister van JenV voor de analysetaken gegevens kan verwerken uit publiek toegankelijke bronnen. Deze bronnen kunnen ook publiek toegankelijke online bronnen betreffen. Het doel van het raadplegen van deze bronnen is uitsluitend het kennisnemen van voor eenieder te raadplegen informatie. De term verwerken wordt gebruikt omdat na het raadplegen van deze informatie het gebruik van deze gegevens voor een product aan de orde kan zijn. Daarnaast is verwerken van persoonsgegevens de term die aansluit bij de AVG. Het raadplegen van deze bronnen is gericht op het analyseren van trends en fenomenen en niet gericht op personen en organisaties. Wel kan naar uitingen worden gekeken. Dit houdt in dit geval in het duiden van openbare uitingen, dat wil zeggen al wat men uit, al dan niet in woord of geschrift, om te beoordelen of deze passen binnen een bepaalde trend of fenomeen die in potentie de stabiliteit van Nederland kan ontwrichten en of er in dat kader maatregelen ter verhoging van de weerbaarheid moeten worden bevorderd.

Bij een beoordeling of openbare uitingen passen in een bepaalde trend is het onvermijdelijk dat ook informatie over personen (vaak in combinatie met organisaties) wordt verwerkt aangezien uitingen altijd door personen worden gedaan. Dit gebeurt juist om situaties en dreigingen goed in te schatten waarbij zorgvuldigheid voorop staat. Deze taak kan dan ook alleen uitgevoerd worden indien persoonsgegevens worden verwerkt, maar alleen voor zover deze noodzakelijk zijn voor het maken van analyses.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakte in haar advies over het wetsvoorstel in de versie zoals het aan haar was voorgelegd, in de eerste plaats opmerkingen over de reikwijdte van de taken van de NCTV in het licht van artikel 10 Grondwet. Het advies van de Afdeling om in de memorie van toelichting een nadere toelichting op de betekenis van artikel 10 Grondwet voor het wetsvoorstel op te nemen is overgenomen. Gewezen is op het belang van een voldoende precieze wettelijke grondslag waaruit de burger moet kunnen opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt. Tevens is toegelicht op welke wijze het voorstel een beperking vormt op artikel 10 Grondwet en de afweging die daarbij is gemaakt ten aanzien van de verschillende daarbij betrokken belangen, namelijk het belang van de doelstellingen die met de taken in het voorstel worden nagestreefd en het belang van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij is ingegaan op de waarborgen die in het voorstel zijn opgenomen, in verband met de inperking die onderdelen van het voorstel kunnen maken op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Wat betreft de de reikwijdte van de doelstellingen en taken van de NCTV is aan het advies van de Afdeling gevolg gegeven door de voorgestelde artikelen 2 en 3 ten aanzien van de doelstellingen van het voorstel en de taken die op basis van het voorstel worden verricht in verband met deze doelstellingen beter op elkaar aan te laten sluiten. Daarbij zijn tevens de formuleringen in de toelichting gestroomlijnd ten opzichte van de artikelen, zodat deze op een heldere en consistente wijze op elkaar aansluiten.

Wat betreft het onderzoek naar publiek toegankelijke bronnen onderschrijft de Afdeling advisering in haar advies de bedoeling van de regeling, maar vraagt zich af of deze adequaat is. De gehanteerde begrippen roepen vragen op. Ook biedt het wetsvoorstel onvoldoende inzicht in de methodiek en omvang van de gegevensverwerking door de NCTV bij zijn analysetaak. De opmerkingen van de Afdeling ten aanzien van publiek toegankelijke bronnen hebben geleid tot een herbezinning op het trekken van een parallel in het voorstel met het opsporingsdomein en de begrenzing van het gebruik van publiek toegankelijke online bronnen in het ‘verkrijgen van een min of meer volledig beeld van het persoonlijk leven van een betrokkene’. De Afdeling merkte terecht op dat in het opsporingsdomein het onderzoek wél op personen is gericht, terwijl de analysetaak opgenomen in thans artikel 3, eerste lid, onderdeel b, waar de publiek toegankelijke online bronnen voor worden geraadpleegd, niet is gericht op het doen van onderzoek naar personen, maar op het signaleren, analyseren en duiden van trends en fenomenen. Bij nadere beschouwing ligt het dan ook meer voor de hand om nauw aan te sluiten bij het toetsingskader dat de AVG biedt en te voorzien in aanvullende waarborgen die daarbij aansluiten. Er is dan ook voor gekozen om niet alleen in de toelichting meer uitgebreid in te gaan op de eisen die de AVG stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de belangenafweging die in dat kader dient plaats te vinden, maar ook te voorzien in een andere aanvullende waarborg ten aanzien van het gebruik van publiek toegankelijke online bronnen die beter aansluit op de AVG. Het betreft de in artikel 5 opgenomen verplichting tot het periodiek doen verrichten van een gegevensbeschermings-, ook wel privacy-audit, ten aanzien van het gebruik van de publiek toegankelijke bronnen, voor zover dit online bronnen zijn.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is nader bekeken hoe de in het voorstel opgenomen bewaartermijn van vijf jaar zich verhoudt tot bewaartermijnen van andere overheidsdiensten opgenomen in wet- en regelgeving. Omdat dit in bepaalde gevallen te kort kan zijn vanwege de noodzaak om trends en fenomenen gedurende een langere termijn te bestuderen is opgenomen dat met toestemming van de Minister van JenV de termijn met vijf jaar kan worden verlengd indien dit vanwege de doeleinden van de verwerking noodzakelijk is.

Kamerstukken