Wet van 23-06-2021, Stb. 2021, 310

Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen

De regering is van mening dat de verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen moeten worden uitgebreid door aanpassing van artikel 2:20 BW. Dit is in lijn met de breed gedragen motie Heerma, waarin wordt overwogen: ‘In een weerbare democratie is geen ruimte voor groeperingen die diezelfde democratische rechtsorde willen gebruiken om deze rechtsorde omver te werpen en af te schaffen’ (Kamerstukken II 2014/15, 29 279, nr. 258). Deze wet adresseert de afweging op wetsniveau, verduidelijkt de inhoud van het openbare orde begrip en vergemakkelijkt de toepassing van artikel 2:20 BW, waardoor het een krachtiger kader moet bieden. Daarnaast verduidelijkt de wet de gevolgen en versterkt deze de effectiviteit van de verbodenverklaring naar aanleiding van tekortkomingen in het wettelijk kader die aan het licht zijn gekomen in de jurisprudentie: de gevolgen van een verbodenverklaring zijn te onduidelijk, zeker in de periode dat deze nog door een hogere rechter kan worden beoordeeld. Ook blijven in het huidige kader bestuurders en leidinggevenden buiten schot, waardoor het eenvoudig is om de werkzaamheden van een verboden rechtspersoon voort te zetten.

Met de wet kan zowel worden gereageerd op binnen Nederland zelfstandig opkomend extremisme, als op extremisme dat wordt gevoed vanuit het buitenland. Deze wet vormt daarmee ook een nieuw instrument om ondermijning van de rechtsorde tegen te gaan. Het wet breidt de mogelijkheden voor de inzet van artikel 2:20 BW uit. De keuze voor de inzet blijft aan het OM voorbehouden. Aan de rechter komt de uiteindelijke beoordeling toe of het verbod van een organisatie is gerechtvaardigd, mede in het licht van de grondrechtelijke positie van die organisatie.

Deze wet kent een civiel(proces)rechtelijke en een strafrechtelijke dimensie. In essentie wordt het volgende geregeld:

  • het maakt niet langer uit of de werkzaamheid dan wel het doel van een rechtspersoon in strijd komt met de openbare orde; in beide gevallen kan een verbodenverklaring volgen;
  • de notie ‘openbare orde’ wordt nader inhoudelijk genormeerd; daarmee is de rechtszekerheid gediend en komt tegelijk (indirect) tot uitdrukking wat in onze democratische samenleving in ieder geval als wezenlijk geldt;
  • er wordt voorzien in een verlichting van de bewijspositie van het OM, doordat bepaalde activiteiten en doelen a priori in strijd met de openbare orde worden geacht;
  • onmiddellijke werking van een verbodenverklaring van een rechtspersoon;
  • bij een verbod kan de rechter de betrokkenen bevelen bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten, uiterlijk totdat over het verbod onherroepelijk is beslist;
  • het niet naleven van een rechterlijk bevel wordt strafbaar gesteld (artikel 184a Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr);
  • bestuurders (en feitelijk bestuurders) van een verboden verklaarde rechtspersoon krijgen een bestuursverbod van minimaal 3 jaar, tenzij de betrokkene geen ernstig verwijt kan worden gemaakt;
  • het batig saldo na vereffening van de verboden verklaarde rechtspersoon kan door de rechter worden toegekend aan de Staat;
  • de strafmaat voor voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon wordt verdubbeld (artikel 140 Sr);
  • ten slotte wordt de inzet van opsporingsbevoegdheden mogelijk gemaakt om de voortzetting van verboden rechtspersonen tegen te gaan.

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip.

Kamerstukken