Wetsvoorstel (12-11-2021) tot wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met aanpassing van de tijdelijke regels over de inzet van coronatoegangsbewijzen bij niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen

—In artikel 58ra van de Wet publieke gezondheid (Wpg) is uitputtend opgesomd ten aanzien van welke sectoren een coronatoegangsbewijs als voorwaarde kan worden gesteld voor deelname aan activiteiten of toegang tot voorzieningen. Dit betreft cultuur, evenementen, georganiseerde jeugdactiviteiten, horeca en sport. Met de maatregelen die het kabinet heeft getroffen na het 128ste OMT-advies is reeds besloten om het coronatoegangsbewijs in deze sectoren breder in te zetten. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt artikel 58ra Wpg aldus aangepast dat het – als dit noodzakelijk is – ook mogelijk wordt om coronatoegangsbewijzen in te zetten op het terrein van niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen. Ook deze mogelijkheid mag enkel ingezet worden indien dit gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is, in overeenstemming is met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk wordt beperkt en dit evenredig is gelet op het beoogde doel (artikel 58b, tweede lid, Wpg). Er dient dan onder meer afgewogen te worden of de maatregel voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien geldt dat als wordt overwogen om – op grond van het aangepaste artikel 58ra, eerste lid, Wpg – bij ministeriële regeling het coronatoegangsbewijs in te zetten op het terrein van niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen, hierover onder meer eerst een actueel advies van het OMT en een sociaalmaat­schap­pelijk en economische reflectie gevraagd zullen worden. Hiermee kunnen de epidemiologische situatie en de mogelijke sociaal-maatschappelijke en economische kosten meegewogen worden in de besluitvorming over de inzet van het coronatoegangsbewijs.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt in haar advies naar aanleiding van het wetsvoorstel zoals dat aan haar was voorgelegd in de eerste plaats op dat de regering in de toelichting bij het wetsvoorstel zou moeten ingaan op de proportionaliteit van de maatregel. Daarop is de memorie van toelichting aangevuld.

De Afdeling stelt in het advies een aantal vragen over de verhouding tot andere maatregelen, zoals hoe de voorgestelde verruiming van de inzet van coronatoegangsbewijzen is afgewogen tegen andere mogelijke maatregelen. Ook stelt zij de vraag of en hoe een ruimere inzet van het coronatoegangsbewijs voor de effectiviteit met andere maatregelen moet worden gecombineerd. De Afdeling advisering adviseert de regering op deze vragen in te gaan in de toelichting bij het wetsvoorstel. De Afdeling adviseert ook aan de regering om de gevallen die onder de nieuwe regels vallen zo helder en consistent mogelijk af te bakenen. De memorie van toelichting is daarop aangepast.

Ook is naar aanleiding van het advies aan de toelichting een nieuwe paragraaf toegevoegd, waarin nader wordt ingegaan op de uitvoering en de administratieve lasten die gepaard gaan met de inzet van het coronatoegangsbewijs in de niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening. Daarin is ook geschetst dat bij de aanwijzing van de precieze activiteiten en voorzieningen die als niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening de uitvoerbaarheid van de regeling van belang kan zijn.

Kamerstukken