Wetsvoorstel (08-05-2024) tot Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met het stellen van voorschriften met betrekking tot de onderwijstaal, de mogelijkheid regie te voeren op een doelmatig onderwijsaanbod en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs (Wet internationalisering in balans)

—In dit wetsvoorstel worden maatregelen voorgesteld om de internationalisering van het hoger onderwijs duurzaam in balans te brengen. De regering ziet dat internationalisering grote voordelen kent, maar dat er tegelijkertijd risico’s schuilen in de toenemende instroom van internationale studenten ten aanzien van de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van het onderwijsstelsel.

Daarnaast nemen de zorgen over de gevolgen van de groeiende instroom van internationale studenten op de bredere leef- en werkomgeving toe. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de maatregelen in dit wetsvoorstel, is de inzet dat hogescholen en universiteiten in gezamenlijkheid komen tot een zelfregie-aanpak rond de instroom van internationale studenten. Zelfregie en bestuurlijke afspraken met het veld zorgen voor een overbrugging van de periode tot de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Op de langere termijn bestaat de aanpak uit een combinatie van wetgeving, zelfregie en bestuurlijke afspraken.

De maatregelen uit dit wetsvoorstel gaan over de thema’s taal, numerus fixus en regie.

Taal

Er is zowel in het hbo als wo een stijgende trend te zien in het aandeel anderstalig onderwijs. In de WHW is het uitgangspunt opgenomen dat opleidingen in het Nederlands worden verzorgd. Wat de toegestane uitzonderingen betreft, bevat de WHW een globale formulering en wordt relatief veel ruimte gegeven aan de instellingen voor uitwerking en interpretatie. Met name de uitzonderingsgrond die betrekking heeft op de noodzaak van het voeren van een andere taal vanwege de aard, inrichting of kwaliteit van de opleiding, of de herkomst van de studenten, is zo breed geformuleerd dat van een onderscheidend criterium nauwelijks sprake is. De smalle benadering van meerwaarde voor de student is volgens de regering niet langer passend. Beter passend is een brede benadering waarbij diverse maatschappelijke belangen worden meegewogen en waarbij wordt gekeken naar het reeds bestaande Nederlandstalige en anderstalige opleidingsaanbod en de spreiding daarvan. Met dit wetsvoorstel worden criteria voorgesteld op basis waarvan beter kan worden beoordeeld of hogescholen en universiteiten op de juiste inhoudelijke gronden overgaan op anderstalig onderwijs. Om ervoor te zorgen dat hierbij ook maatschappelijke belangen geborgd zijn, is de taalkeuze met procedurele waarborgen omkleed. Bovenal beoogt de regering hiermee het Nederlands als onderwijs- en wetenschapstaal te borgen. Daarnaast beoogt zij het Nederlandse hoger onderwijs toegankelijk te houden voor Nederlandstalige studenten. Met dit wetsvoorstel worden daarom de wettelijke eisen tot het verzorgen van anderstalig onderwijs gemoderniseerd, waarbij mogelijkheden worden gecreëerd voor maatwerk en meertaligheid. Het uitgangspunt ‘Nederlands, tenzij’ blijft daarbij uitdrukkelijk centraal staan. Het uitgangspunt dat opleidingen in beginsel in het Nederlands worden verzorgd wordt beperkt tot associate degree- en bacheloropleidingen en -trajecten. Dit uitgangspunt zal niet meer voor masteropleidingen gelden. De verplichting tot bevordering van de Nederlandse taalvaardigheid van Nederlandse studenten wordt geconcretiseerd en uitgebreid tot alle – ook anderstalige – studenten, mede om de blijfkans van internationale afgestudeerden te vergroten.

Numerus fixus

Een te grote vraag naar opleidingsplaatsen kan leiden tot schaarste aan onderwijscapaciteit die een risico vormt voor de kwaliteit van het onderwijs. Die schaarste wordt mede veroorzaakt door de instroom van internationale studenten. Dit wetsvoorstel maakt in geval van schaarste een onderscheid mogelijk tussen twee groepen studenten: enerzijds Nederlandse studenten, waaronder ook die uit het Caribisch deel van het Koninkrijk en Surinamers, en EU- en EER-onderdanen, anderzijds studenten uit de rest van de wereld.

Het wetsvoorstel regelt de invoering van de mogelijkheid om een fixusmaatregel toe te passen op enkel een traject binnen een opleiding, en biedt ruimte om binnen een capaciteitsfixus een maximum aantal plaatsen voor niet-EER-studenten vast te stellen. Ook geeft het voorstel instellingen de bevoegdheid om bij een onverwachte en grote groei van het aantal aanmeldingen eenmalig een noodfixus in te stellen. Instellingen krijgen hiermee meer mogelijkheden om gerichter te sturen op de instroom van internationale studenten en dus op de samenstelling van de studentenpopulatie.

Regie

Regievoering zal in eerste instantie uitgaan van zelfregie van de hogescholen en universiteiten in gezamenlijkheid. Het onderling afstemmen en intern handhaven vergt inspanning, maar wijkt niet wezenlijk af van de inspanning die nu van hen wordt gevergd. De Minister van OCW kan, wanneer zelfregie van de instellingen niet tot het gewenste resultaat van een betere balans leidt, als ultimum remedium bijsturen. De Minister van OCW laat zich hierbij informeren door een adviescommissie, die ondergebracht zal worden bij de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO). Er wordt hierbij gekeken of de instellingen voldoen aan de maatregelen rondom taal.

Kamerstukken