Wet van ­04-11-2020, Stb. 2020, 441

Wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van COVID-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen COVID-19)

De noodverordeningen die aanvankelijk de basis vormden voor maatregelen ter bestrijding van het COVID-19-virus, zijn uit het oogpunt van democratische legitimatie voor de langere termijn minder geschikt dan een wet die is vastgesteld door de regering en het parlement. Voor thans en in de toekomst noodzakelijke beperkende maatregelen is een steviger juridisch fundament nodig, zoals de Afdeling advisering van de Raad van State ook heeft opgemerkt in haar voorlichting aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de motie-Van der Staaij/Jetten (Voorlichting over de grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen, 25 mei 2020 (W04.20.0139/I/Vo)). Daartoe dient deze wet. Daarnaast wordt met deze wet aangesloten bij de bestuurlijke verhoudingen die buiten crisissituaties van toepassing zijn. Dat wil zeggen dat bevoegd­heden in beginsel niet meer bij de veiligheidsregio’s, maar op gemeentelijk niveau komen te liggen, met de controlemogelijkheden van de gemeenteraad, met een aantal uitzonderingen. De wet heeft dan ook niet tot doel meer bevoegdheden aan de Minister van VWS of de regering toe te kennen. Bovendien biedt de wet voor de volgende fase van de bestrijding van de epidemie een hogere mate van bescherming van grondrechten die zijn vastgelegd in de Grondwet en verdragen. Zo is op basis van deze wet het huisrecht expliciet beschermd.

Tegen de achtergrond van deze democratische en grondrechtelijke versterking biedt deze wet naar het oordeel van de regering een solide basis voor gepaste maatregelen die nodig kunnen zijn om de epidemie van het virus te bestrijden. Zodra dit niet meer nodig is, zal de wet vervallen.

De wet heeft als uitgangspunt dat maatregelen op hoofdpunten in de wet worden verankerd en vervolgens bij ministeriële regeling worden uitgewerkt en vastgesteld, met voorafgaande betrokkenheid van het parlement. Er zal een korte voorhangperiode van één week worden gehanteerd. Ook een koninklijk besluit waarmee wordt besloten tot eerder verval van de wet dan zes maanden, of juist tot verlenging van deze vervaltermijn, zal eerst aan beide Kamers moeten worden voorgelegd. Van de delegatiebepalingen in deze wet zal uiteraard alleen gebruik worden gemaakt voor zover dat noodzakelijk en proportioneel is. Dat wordt ook expliciet in de wet verankerd. Er is ook één uitzondering: de bepaling van de veilige afstand. Deze zal bij amvb worden vastgesteld. De eerste uitwerking van de maatregelen zal aansluiten bij de actuele fase van de epidemie en omvat in principe de bij ingang van de wet geldende noodverordeningen. De wet is dus niet bedoeld om verdergaande maatregelen mogelijk te maken dan reeds hebben gegolden.

De wet biedt voorts een specifieker wettelijk kader voor het treffen van maatregelen die beperkingen kunnen inhouden van grondrechten. Het geeft invulling aan de vereisten die de Grondwet en mensenrechten­verdragen stellen aan dergelijke beperkingen, waaronder de grondwettelijke eis dat voor de beperking van grondrechten een specifieke grondslag wordt geboden in een wet in formele zin en de toetsing van de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van mogelijke maatregelen. In de wet zijn daarom waarborgen opgenomen om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van vergadering en betoging en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder het huisrecht, te beschermen. Zo gelden bijvoorbeeld de normen over de veilige afstand, groepsvorming en hygiënevoorschriften niet in woningen.

Ook wordt onder meer een basis getroffen voor het treffen van maatregelen met betrekking tot hygiënemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen te specificeren, een grondslag gecreëerd voor het stellen van regels bij ministeriële regeling over het gebruik of voor consumptie gereed hebben van alcoholhoudende drank op openbare plaatsen en een wettelijke uitzondering gemaakt op de veiligeafstandsnorm voor eerste hulp en particuliere beveiligers.

De regeling wordt hoofdzakelijk ondergebracht in een nieuw, tijdelijk hoofdstuk Va Wet publieke gezondheid (Wpg). Het nieuwe hoofdstuk Va Wpg bevat voorschriften over veilige afstand, groepsvorming, openstelling publieke plaatsen, evenementen en overige regels. Het bevat ook regels over differentiatiemogelijkheden (bijv. op grond van leeftijd, aard activiteit of openbare of besloten ruimte). Ook bevat het hoofdstuk sectorspecifieke bepalingen. Het betreft regels voor zorgaanbieders en zorg-instellingen, personenvervoer, onderwijsinstellingen en kinderopvang. Daar waar de bestrijding lokaal kan, wordt met de wet en onderliggende uitvoeringsregelingen ruimte gemaakt voor lokale afwegingen. Bij het uitwerken van maatregelen in een ministeriële regeling op basis van hoofdstuk Va, kan worden bepaald dat de burgemeester bevoegd is om in de gemeente (gebieden met) plaatsen aan te ­wijzen waar de desbetreffende ­maatregelen gelden. Deze wijziging bevordert de mogelijkheden om maatregelen gericht en proportioneel in te zetten op basis van de actuele lokale omstandigheden. Ook bevordert de wijziging de mogelijkheden tot lokaal debat over de maatregelen: over de inzet van eventuele aanwijzingsbevoegdheden kan debat plaatsvinden met de gemeenteraad. Er zijn bij de parlementaire behandeling acht amendementen aangenomen:

  1. over aanscherping van de noodzakelijkheids- en proportionaliteits-eisen en afschalen wanneer dat kan;
  2. over een instemmingsrecht van de Kamer op ministeriële regelingen;
  3. over het laten vervallen van de vangnetbepaling;
  4. over een bezoekrecht voor bewoners van zorglocaties;
  5. over versterking van de informatievoorziening aan het parlement en het horen van de Raad van State over een voorgenomen verlenging;
  6. over het waarborgen van de betrokkenheid van en verantwoording aan colleges en gemeenteraden;
  7. over verlaging van de sancties en uitsluiten dat overtredingen gevolgen hebben voor de VOG;
  8. over een initiële werkingsduur van drie maanden.

Veel van de onderdelen van het advies van Afdeling advisering van de Raad van State naar aanleiding van de aan haar voorgelegde versie van het oorspronkelijke wetsvoorstel zijn door de regering overgenomen. Wel is de Minister van VWS in de wet bevoegd gebleven om in bijzondere gevallen het stelsel van noodverordeningen in werking te stellen. Op grond daarvan kunnen de veiligheidsregio’s nog steeds noodverordeningen vaststellen, terwijl dat volgens de Afdeling advisering na inwerkingtreding van de wet niet meer nodig en wenselijk is. De Afdeling advisering had er daarnaast bezwaar tegen dat overtreders van de coronamaatregelen een strafblad krijgen. Dat tast het draagvlak voor de wet aan en zou de regering in de wet juist moeten uitsluiten. Tijdens de parlementaire behandeling is het wetsvoorstel nog in die zin aangepast, dat boetes voor overtredingen van het niet-houden van de veilige afstand en voor overtreding van het verbod op groepsvorming niet in de justitiële documentatie worden opgenomen en dat de reeds geregistreerde beboeting van dergelijke overtredingen uit de justitiële documentatie worden verwijderd.

Inwerkingtreding

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip.

Kamerstukken