De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 april 2025 geoordeeld dat er meer onderzoek nodig is naar de gevolgen voor de natuur bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Uit het beschikbare onderzoek kan namelijk niet uitgesloten worden dat deze middelen negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden.

Het college van gedeputeerde staten van Drenthe heeft het verzoek van Milieudefensie om handhavend optreden tegen de voorbereiding en teelt van lelies in de onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied Holtingerveld, afgewezen. Volgens Milieudefensie is het voorbereiden en telen van lelies, bestaande uit de activiteiten grondwateronttrekking, drainage, beregening en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een project in de zin van art. 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en geldt er een vergunningplicht. Volgens het college heeft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen effect op Natura 2000-gebieden. Hiertoe voert het college aan dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de gewasbeschermingsmiddelen beoordeelt op blootstelling en effect op het milieu en een middel alleen toelaatbaar acht wanneer er geen onacceptabele risico’s zijn voor het milieu.

Uitspraak Afdeling

Er is nog veel onbekend over de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt voor Natura-200 gebieden. Maar uit wat Milieudefensie in deze zaak naar voren heeft gebracht, wordt wel duidelijk dat er effecten kunnen zijn. Zo zijn er concentraties gewasbeschermingsmiddelen in het Holtingerveld gevonden die mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op onder andere insecten en beschermde habitatsoorten. Aan zulke mogelijke negatieve effecten mag niet worden voorbijgegaan. Dat volgt uit het voorzorgsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de Europese Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsregels. Wanneer onzeker is welke gevolgen een activiteit heeft voor een Natura 2000-gebied, maar er wel aanwijzingen zijn voor negatieve gevolgen, is nader onderzoek noodzakelijk. Zolang dat ontbreekt, moet uit voorzorg worden aangenomen dat een natuurvergunning nodig is. Net als de rechtbank vindt de Afdeling dan ook dat het college het handhavingsverzoek niet had mogen afwijzen, zolang negatieve effecten voor het Holtingerveld niet uitgesloten zijn. Het college van gedeputeerde staten voerde in deze zaak aan dat een afstand van 250 meter voldoende zou zijn om negatieve gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor het Natura 2000-gebied uit te sluiten. Maar naar het oordeel van de Afdeling is die afstand niet wetenschappelijk onderbouwd. Bovendien komt die afstand van 250 meter uit een onderzoek naar effecten van gewasbeschermingsmiddelen op omwonenden, terwijl het in deze zaak ging om de effecten op beschermde natuur. Ook het feit dat het Ctgb de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen had toegelaten, maakt het oordeel in deze zaak niet anders. De beoordeling die het Ctgb maakt bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen is namelijk een andere dan het college moet maken bij besluiten op grond van de Wet natuurbescherming.

ECLI:NL:RVS:2025:1428

Bron: www.raadvanstate.nl

Laatste nieuws