Waarin schiet de kritiek van de Raad van State op het wetsvoorstel Voltooid leven te kort?

Volkomen terecht dat een wetsvoorstel ‘Voltooid leven’ waarborgen moet bevatten die kwetsbaren beschermen. Van even groot belang is evenwel dat een dergelijke wet tegemoet komt aan hen die lijden aan het leven. In haar advies heeft de Afdeling advisering van de Raad van State onvoldoende de betekenis van het in artikel 8 EVRM gewortelde recht op sterven meegewogen, zo wordt betoogd in deze bijdrage.

De Afdeling advisering van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft op 20 mei 2022 haar advies van 9 december 2020 openbaar gemaakt over het initiatiefwetsvoorstel ‘Voltooid Leven’ van voormalig Kamerlid Pia Dijkstra. De Afdeling adviseert om het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het tegemoet komt aan de in haar advies genoemde bezwaren. Die bezwaren komen er op neer dat het voorstel ‘Voltooid Leven’ onvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat mensen uit het leven stappen, terwijl niet zeker is of zij dat werkelijk willen, niet zeker is of hun doodswens stabiel en coherent is en niet vaststaat of die wens is ingegeven of verband houdt met medische problemen dan wel oplosbare problematiek van geheel andere aard. Te denken valt daarbij aan bijvoorbeeld financiële problemen.

Haar bezwaren ontleent de Afdeling grotendeels aan artikel 2 EVRM dat strekt tot bescherming van het recht op leven. Aangenomen wordt dat uit dit artikel de plicht van de overheid voortvloeit om haar burgers mede te beschermen tegen onvrijwillige, overhaaste of onvoldoende geïnformeerde beslissingen over het levenseinde. ­Derhalve is het geheel vanzelfsprekend dat het voorstel ‘Voltooid Leven’ nauwgezet getoetst wordt aan in het Europees Verdragenrecht ontwikkelde maatstaven. Van die taak heeft de Afdeling zich, zoals hierna wordt toegelicht, slechts partieel gekweten. Zij heeft punten van aandacht, zoals de vraag naar de bescherming van kwetsbaren, aan de orde gesteld waarmee terdege rekening moet worden gehouden. Maar door de focus op artikel 2 EVRM heeft zij te weinig oog gehad voor een andere essentiële bepaling in het EVRM, te weten artikel 8 EVRM waaraan in het advies onvoldoende gewicht is toegekend.

Aan artikel 8 EVRM kan worden ontleend, zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Haas/Zwitserland al in 2011 geoordeeld, het recht van elk individu om de wijze en het tijdstip van zijn overlijden te bepalen, vooropgesteld dat het om een vrijwillige en weloverwogen keuze gaat.1

De Afdeling maakt in haar advies dit ‘recht op sterven’ uit artikel 8 EVRM ondergeschikt aan het ‘recht op leven’ uit artikel 2 EVRM. Zo is het belangrijkste punt van kritiek op het voorstel ‘Voltooid Leven’ dat het uitgaat van de waarde die de betrokken oudere zelf toekent aan het leven, ‘terwijl de wetgever een bredere afweging zou hebben te maken vanuit de plicht die op de overheid rust om kwetsbare personen te beschermen’.

Hiermee neemt de Afdeling tot uitgangspunt dat het niet gaat om wat het individu van het leven vindt maar om wat tot de taak van de overheid moet worden gerekend. De vraag is of dit uitgangspunt juist is. Niet onderkend wordt daarmee dat in het EVRM het recht op leven en het recht op sterven nevengeschikt zijn in plaats van dat het recht op sterven aan het recht op leven is ondergeschikt. De beschermende maatregelen die de overheid moet treffen om kwetsbaren te vrijwaren voor een levenseinde dat niet vrijwillig en weloverwogen is, mogen niet zover reiken dat het recht om op basis van een vrijwillig en weloverwogen besluit zelf de wijze en het moment van overlijden te bepalen, alleen in theorie mogelijk is. Aan het recht op sterven wordt geen recht gedaan wanneer de overheid regels in het leven roept die het een individu praktisch onmogelijk maken om zelf het eigen leven op vreedzame wijze te beëindigen en daarbij van de hulp van anderen gebruik te maken.

Dit heeft het Duitse constitutionele hof onderkend in zijn uitspraak van 26 februari 20202 en het Oostenrijkse constitutionele hof in zijn uitspraak van 11 december 2020.3 Het gaat hier om twee gezaghebbende oordelen die naar verwachting in toekomstige Nederlandse jurisprudentie zullen worden meegewogen, in overeenstemming met het EVRM als ze zijn. Beide hoven kwalificeren het recht om zelf, bewust en gewild, het leven te beëindigen en bij de uitvoering van de zelfdoding terug te grijpen op hulp van derden, als een grondrecht waarop alleen proportioneel beperkingen mogen worden aangebracht.

De maatregelen waarmee dit grondrecht in diverse staten wordt uitgehold, kwalificeren als ‘van dik hout zaagt men planken’. Alle min of meer humane methoden om het eigen leven te beëindigen, heeft de overheid – hier te lande en elders – in de afgelopen decennia in de ban gedaan. Waar voorheen nog teruggegrepen kon worden op vreedzame gassen als koolmonoxide of barbituraten als slaapmiddelen om een zachte dood te bewerkstelligen, is er thans regelgeving die dit (nagenoeg) onmogelijk maakt. Juist is dat de overheid vreedzame zelfdoding niet hoeft te faciliteren, even juist is dat zij deze niet volledig mag tegengaan.

Terecht wijst de Oostenrijkse rechter erop dat de beschermingsplicht die voortvloeit uit het recht op leven niet meebrengt dat de staat het leven ook tegen de wil van de betrokkenen zelf zou dienen te beschermen. En de Duitse rechter gaat er zelfs toe over om aanwijzingen te geven teneinde effectief dit grondrecht te kunnen uitoefenen. Zo benadrukt hij dat elke regelgeving waarin het recht op sterven wordt ingeperkt, feitelijk voldoende ruimte moet laten voor het individu om daadwerkelijk het tijdstip en de wijze van zijn overlijden te bepalen. En hij knoopt daar in paragraaf 341 aan vast dat het recht van het individu om op grond van een vrijwillige en weloverwogen beslissing met ondersteuning van derden uit het leven te stappen, mogelijkerwijs ook aanpassingen vereist van huidige wetgeving die humane zelfdodingsmiddelen als barbituraten in de ban heeft gedaan.

Concluderend: het is volkomen terecht dat een ‘voltooid leven wet’ waarborgen moet bevatten die kwetsbaren beschermen. Van even groot belang is evenwel dat een dergelijke wet tegemoet komt aan hen die lijden aan het leven. In haar advies heeft de Afdeling onvoldoende de betekenis van het in artikel 8 EVRM gewortelde recht op sterven meegewogen. Zij onderkent dat er lijden aan het leven bestaat. Evenwel laat zij, door voornamelijk aan te knopen bij artikel 2 EVRM, een andere (impliciete) erkenning in haar advies ondersneeuwen. De (impliciete) erkenning namelijk dat bescherming van kwetsbaren niet in de weg hoeft te staan aan wetgeving die hen die lijden aan het leven van een menswaardige en zachte dood wil verzekeren. Lees: aan wetgeving die hen de gereguleerde toegang tot state of the art euthanatica niet ontzegt. Een wetsvoorstel tot regeling van deze kwestie zal aan beide aspecten op een evenwichtige wijze tegemoet moeten komen.

 

Voetnoten

  1. ECLI:CE:ECHR:2011:0120JUD003132207
  2. ECLI:DE:BVerfG:2020:rs20200226.2bvr234715
  3. ECLI:AT:VFGH:2020:G139.2019

 

Afbeelding: Shutterstock

Over de auteur(s)