Vrijheid van verdediging: een déjà vu

Het is januari 1983 als tegen de kleurrijke Amsterdamse advocaat J. Donk een klacht wordt ingediend door de president van het Hoog Militair Gerechtshof (HMG) wegens verstoring van de procesorde bij de verdediging van een dienstweigeraar. Omdat de straf, standaard 18 maanden, toentertijd tevoren al vast stond, fungeerde de strafzitting vaak als politiek podium met ludieke acties. Ik heb als advocaat in zo een zaak wel eens meegemaakt dat het HMG onder een regen van papieren vliegtuigjes vanuit de publieke tribune, de zittingzaal uit moest vluchten.

Wat was de klacht? Donk had na een uur te hebben gepleit op het verzoek van de president zich te beperken geantwoord dat hij voor deze zaak de hele dag had uitgetrokken. Daarbij had hij volgens de president in extenso niet relevante processtukken voorgelezen, voortdurend geïnterrumpeerd en op de vraag van de president om zijn mond nu eens te houden geantwoord ‘als u uw mond ook houdt’. De president vond het vooral grievend dat hij ten overstaan van het grotendeels uit militairen (in uniform) samengestelde HMG had opgemerkt: ‘Mensen in het leger zijn geneigd om achter iedereen die macht heeft aan te lopen. Zie 1940-45, waarbij het leger achter Hitler heeft gestaan’. In zijn klacht had de president ook laten weten voorlopig niet meer voornemens te zijn Donk in een strafzaak voor het HMG als raadsman toe te voegen.

De klacht werd ongegrond bevonden, ook al kon men zich voorstellen dat het gedrag van Donk de irritatie van het HMG had gewekt. Een advocaat moet alles kunnen zeggen wat hij van belang acht voor de verdediging en meer dan een uur pleiten was in dit soort zaken normaal.1 Over de weigering Donk nog toe te voegen oordeelde de president in een door Donk aangespannen kort geding, dat er in ons rechtssysteem geen plaats is voor een bevoegdheid van de rechter om vanwege het optreden van een raadsman ter terechtzitting – hoe verwerpelijk ook – het besluit te nemen om die raadsman in komende strafzaken niet meer toe te voegen.2

Ik moest aan deze zaak denken toen ik de uitspraak van het Hof van Discipline (HvD) van 21 mei 2021 onder ogen kreeg waarin het ging om een dekenbezwaar tegen het optreden van een raadsman tijdens een politieverhoor.3 De raadsman wilde zich ondanks herhaaldelijke waarschuwingen van de politie niet aan het Besluit inrichting en orde politieverhoor houden.4 Volgens dit besluit mag de raadsman alleen direct na het begin en na de afloop van het verhoor opmerkingen maken en is hij tijdens het verhoor alleen bevoegd in te grijpen als de verdachte een vraag niet begrijpt, of onder ongeoorloofde druk wordt gezet of als de voortzetting van het verhoor wegens de fysieke of psychische toestand van de verdachte niet verantwoord is. De betrokken raadsman stelde dat hij zich aan een andere richtlijn ging houden, namelijk de EU richtlijn uit 2013,5 waarin actieve deelname van de raadsman aan het verhoor vooropstaat. Hij gaf vervolgens antwoorden op vragen die voor de verdachte bestemd waren, stelde in de ogen van de politie onnodige verduidelijkingsvragen, moedigde de verdachte aan geen antwoord te geven op vragen, interrumpeerde voortdurend en sprak in neerbuigende bewoordingen, waardoor de verbalisanten zich geschoffeerd en niet serieus genomen voelden. Zo had hij onder meer gezegd ‘Dat is niet interessant’, ‘ik vind het een schattige vraag aan een verdachte’, ‘praatje pot, persoonlijk geleuter, sla het over’, ‘als ik eerlijk mag zijn, dan ga ik het liefst terug naar Amsterdam en dan ga ik biljarten of golfen of zoiets’ en ‘laat die mevrouw babbelen’. Een en ander was voor het sectorhoofd van de politie aanleiding de raadsman per direct voor de duur van zes maanden de toegang tot de gebouwen van de regionale recherche te ontzeggen. De Raad van Discipline achtte het gedrag van de raadsman grensoverschrijdend en legde de maatregel van berisping op. Het HvD vond echter dat van een advocaat een actieve bijdrage aan het verhoor mag worden verwacht en dat de raadsman in casu het politieverhoor niet onnodig of op onevenredige wijze had verstoord. Daarbij woog het hof mee dat de raadsman en zijn cliënt hadden afgesproken dat geen vragen zouden worden beantwoord zolang de verdediging niet de beschikking had over een volledig politiedossier; en dat mag. De interventies van de raadsman (20 keer) pasten in deze lijn en duidelijk was welk verdedigingsbelang hiermee gediend was. Dat de verbalisanten dat als hinderlijk ervoeren maakt het nog niet ongeoorloofd. De bewoordingen die de raadsman had gebruikt waren ingegeven door over en weer ontstane irritatie (het hof had de audioband van het verhoor beluisterd). Van een vooropgezette sabotage of frustratie van het verhoor aan de kant van de raadsman is volgens het hof niet gebleken. Een verrassende uitkomst gelet op de toon van de interventies, maar mooi dat het HvD het hoofd koel houdt.

Zowel vanuit de strafrechtadvocatuur als het openbaar ministerie en de politie bestaat al langer behoefte aan meer duidelijkheid over de ruimte die strafrechtadvocaten tijdens het politieverhoor moeten krijgen. Die duidelijkheid heeft het HvD nu in ieder geval impliciet gegeven: het keurslijf van het Besluit inrichting en orde politieverhoor is te strak om een actieve verdediging mogelijk te maken. Het blijft – en dat is een persoonlijke noot van mijn kant – de vraag of het uiteindelijk wel in het belang van de cliënt is om op een zitting of tijdens een politieverhoor de rechters, c.q. verbalisanten het bloed onder de nagels uit te halen, ook al is dat op zichzelf niet ongeoorloofd. Ik ben meer een voorstander van hard op de inhoud als het moet en altijd zacht op de persoon. Het is immers ook de toon die de muziek maakt.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2021/1881, afl. 26. 

 

Afbeelding: People vector created by vectorpouch - www.freepik.com

 

  1. RvT Amsterdam 9 december 1983, Advocatenblad 1985, p. 87 - 89.
  2. Pres. Rb. Den Haag, 22 april 1983, Rechtshulp 1983, p. 49.
  3. ECLI:NL:TAHVD:2021:101.
  4. Stb. 2017, 29.
  5. Richtlijn 2013/48/EU.
Over de auteur(s)
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad