Van verjaring, rechtsdwaling en gebrekkige juridische prestaties

Vragen op het gebied van verjaring behoren tot de allerzwaarste civielrechtelijke kwesties, omdat het antwoord daarop altijd een zwart-wit resultaat laat zien: het is alles of niets en met dit gebrek aan nuance hebben civilisten het nu eenmaal moeilijk.

Helemaal lastig wordt het als dat alles of niets te maken heeft met verkeerd recht of met verkeerde percepties van het recht. Mag ik een Engelse en een Nederlandse zaak ten tonele voeren om dit te illustreren?

In de Engelse zaak voor de UK Supreme Court (UKSC) van 20 november 2020, [2020] UKSC 47 (FII Group v. the Revenue) draaide het om de vraag of belasting over dividenden die was afgedragen aan de fiscus (the Revenue) nog kon worden teruggevorderd nu de desbetreffende Engelse fiscale regelingen (deels) in strijd bleken te zijn met vanaf 1973 geldend EU-recht. In Engeland verjaren vorderingen tot teruggave van geldsommen zes jaar nadat de terugvorderingsgrond is opgekomen, zodat de eisers zich voor een majeur probleem geplaatst zagen. De enige oplossing lag in een bepaling in de Limitation Act 1980, die de verjaringstermijn voor een ‘action for relief from the consequences of a mistake’ pas laat aanvangen op het moment dat ‘the plaintiff has discovered the … mistake … or could with reasonable diligence have discovered it.’. Kan het daarbij naast een ‘mistake of fact’ misschien ook gaan om een ‘mistake of law’? De (krappe) meerderheid van de UKSC is van oordeel dat onder ‘mistake’ inderdaad ook een ‘mistake of law’ kan vallen en bepaalt dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat ‘the claimant discovers or could with reasonable diligence have discovered their mistake in the sense of recognising that they have a worthwhile claim’. De (nipte) minderheid oordeelt dat ‘mistake’ niet mede omvat een ‘mistake of law’. Naar onze situatie vertaald zou je dus kunnen zeggen dat in Engeland de verjaringsregels omtrent terugvorderingsacties van gelden die betaald zijn op grond van nietig recht worden geregeld door de bepalingen over de verjaring van vorderingen uit dwaling, op grond dus van iets als rechtsdwaling.

In Nederland is de Hoge Raad in zijn vaste jurisprudentie streng bij verjaringskwesties die draaien om gevallen waarin sprake is van een verkeerde perceptie van het recht. Nog in HR 24 mei 2018, 2018:677, NJ 2018/239 (TMG/Staat) heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar diverse eerdere arresten bepaald dat onbekendheid of onzekerheid met betrekking tot de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden niet relevant is voor ons verjaringsrecht: ‘Zoals in het arrest …/G1 is overwogen, zou het stellen van die eis niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou het in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk is van het tijdstip waarop de benadeelde de juiste juridische beoordeling van de feiten duidelijk is geworden. Voorts zou het, zoals in dat arrest is overwogen, in strijd zijn met de bescherming die de korte verjaringstermijn beoogt te bieden, als de benadeelde zonder hinder van die termijn zou kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.’.

Maar nog recenter, in HR 9 oktober 2020, 2020:1603, in een aansprakelijkheidszaak die ging over onjuiste fiscale beoordelingen van een rechtsbijstandverlener heeft de Hoge Raad, kort gezegd, bepaald dat een juridische beoordeling bij verjaringskwesties ten aanzien van beroepsfouten wel relevant is. Het niet aanvangen van de verjaringstermijn bij ‘juridische beoordeling ziet niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen, anders dan uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid. Het ontbreken van deze kennis of dit inzicht kan immers betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. (…) Onder omstandigheden kan een benadeelde dan ook pas geacht worden voldoende zekerheid te hebben dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel.’.2

Langs verschillende wegen komen de Engelse en de Nederlandse rechter zo, onder de streep, toch tot ongeveer hetzelfde resultaat. In mijn woorden: een zaak kan pas beginnen te verjaren als je in voldoende mate kunt weten dat je een zaak hebt. A-G Valk noemt dat in zijn Conclusie bij laatstgenoemde uitspraak de regeling aan de voorzijde, bij de toegangspoort van de verjaring dus. Een nadeel van deze benadering is het volatiele karakter van het criterium, alsmede de beperkte reikwijdte ervan. De regeling aan de achterzijde, via de duidelijke beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, die met toetsing van álle omstandigheden aan een beroep op verjaring in de weg kan staan, heeft deze nadelen niet. Die zou dan ook mijn voorkeur hebben.3 Wat daarvan zij, in ieder geval is toe te juichen dat we steeds meer kunnen beschikken over een verjaringsrecht dat dan wel zwart-wit, maar toch billijk en rechtszeker tegelijk kan zijn.4

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2020/2893, afl. 42

 

1. HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006/115 (Bosman/Golstein) over een beroepsfout van een advocaat.
2. De Hoge Raad overweegt voorts nog dat daarbij het vertrouwen op een deskundige, of het doen door deze van geruststellende mededelingen, een rol kan spelen.
3. Zie ook mijn vooraf ‘Rechtsdwaling’, NJB 2014/2263, afl. 44/45.
4. Op de valreep geef ik u dan nog even mee dat de Hoge Raad op 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1887, een interessant arrest wees over de lange verjaringstermijn en daarin onder meer bepaalde dat die termijn bij voortdurend tekortschieten aanvangt op het laatste moment waarop had kunnen worden gepresteerd zonder tekort te schieten.

Over de auteur(s)
Coen Drion
Advocaat-partner bij Jones Day