Vaccineren: keuzevrijheid of plicht volgens het EHRM?

Het EHRM acht het vaccineren van de bevolking van groter belang dan de bezwaren van enkelen daartegen. Hoogste tijd dus voor de overheid om het vrijblijvende vaccinatiebeleid bij te stellen en om zo spoedig mogelijk mensen meer indringend te adviseren zich te laten vaccineren.

De Minister van VWS liet de Kamer eind april weten dat het kabinet niet voornemens is een (in)directe vaccinatieplicht tegen COVID-19 in te voeren. Iedereen moet de keuze hebben zich al dan niet te laten vaccineren. De keuzevrijheid zou een grondrecht zijn.1 Deze opvatting van de minister staat haaks op een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van drie weken daarvoor. De Grote Kamer van het EHRM besliste in deze zaak tegen Tsjechië dat een vaccinatieplicht in overeenstemming is met het EVRM.2 Sterker, het EHRM oordeelde vrijwel unaniem (16:1) dat de bescherming van de volksgezondheid met zich kan brengen dat individuele belangen moeten wijken. Volgens het EHRM geeft een vaccinatieplicht zelfs uitdrukking aan de sociale solidariteit. Hoe verhoudt deze uitspraak zich ten opzichte van de opvatting van de Minister van VWS? In dat licht denk ik ook aan de spelers van het Nederlandse voetbalelftal die menen dat zij zonder zich te willen vaccineren mee kunnen doen aan het Europees kampioenschap voor mannenteams.

Bij de uitspraak van het EHRM moet vooraf worden opgemerkt dat klagers niet zozeer klaagden over het inenten tegen COVID-19, maar vaccins tegen negen infectieziekten die bij kinderen worden toegediend. De lijst van infectieziekten, die in Tsjechië jaarlijks wordt geactualiseerd, komt overeen met de twaalf infectieziekten waartegen kinderen in Nederland in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma worden gevaccineerd. In zowel Tsjechië als Nederland draagt de overheid de kosten van deze vaccinatiecampagnes. Het grote verschil tussen Tsjechië en Nederland betreft de keuzevrijheid om te worden gevaccineerd. In Tsjechië zijn kinderen verplicht zich te laten inenten, tenzij dat omwille van medische redenen niet mogelijk is. (Ouders van) kinderen die weigeren zich te laten vaccineren zonder dat daartegen medische bezwaren bestaan worden geweigerd door voorschoolse faciliteiten, terwijl de ouders een bestuurlijke boete krijgen van omgerekend € 400. Bij dit alles is voorzien in een financiële compensatie voor vaccins die bijwerkingen bij ingeënte personen veroorzaken.

Het EHRM acht een dergelijke vaccinatieplicht geheel in overeenstemming met het EVRM. Hoewel het EVRM geen recht op gezondheid omvat, expliciteerde het EHRM dat de bescherming van de volksgezondheid en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor staten soms zwaarder wegen dan individuele belangen.3 Anders gezegd, het EHRM heeft weinig begrip voor free riders die het wel prettig vinden mee te liften met degenen die zich wel laten vaccineren. Deze verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid brengt met zich, aldus het EHRM, dat (ouders en) kinderen moeten accepteren dat zij worden gevaccineerd en dat hun godsdienstvrijheid en onderwijsvrijheid dan maar worden beperkt. Het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op privéleven (artikel 8 EVRM) vragen niet alleen om overheidsonthouding (lees: niet-vaccineren), maar ook om overheidsinspanningen ter bescherming van het leven en de gezondheid. Interessant hierbij is dat het EHRM in het bijzonder wijst op de rechten van het kind bij vaccineren. Onder verwijzing naar artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag (het belang van het kind) dient de staat, aldus het EHRM, het belang van het kind voorop te stellen, waaronder het beschermen van hen tegen infectieziekten.4 Via een infectieziekteprogramma beschermt de staat aldus ook kinderen en anderen die om medische redenen niet veilig kunnen worden gevaccineerd. Vaccineren is aldus, volgens het EHRM, een vorm van sociale solidariteit die ook verplichtingen met zich brengt.5

Er kunnen tal van redenen in stelling worden gebracht om deze uitspraak van het EHRM niet van toepassing te verklaren op het Nederlandse vaccinatieprogramma ter bestrijding van COVID-19. Zo laat het EHRM een ruime margin of appreciation aan staten met betrekking tot het bestrijden van infectieziekten. De uitspraak van het EHRM had bovendien geen betrekking op het vaccineren tegen COVID-19, maar tegen andere infectieziekten. Bovendien ging het in de zaak tegen Tsjechië over het vaccineren van kinderen en niet over volwassenen.

In Nederland hechten we veel waarde aan de keuzeen godsdienstvrijheid.6 Toch meen ik dat dit geen rechtvaardiging vormt voor de vrijblijvende wijze waarop de overheid mensen uitnodigt om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren. Vaccineren is de beste manier om de bevolking te beschermen tegen de verdere verspreiding van het virus. Vaccineren is dus in ieders belang, waaronder de bescherming van het leven en de gezondheid van mensen die vanwege hun gezondheid niet-gevaccineerd kunnen worden. Het is weinig solidair, zoals sommige voetballers dat doen nadat zij waren uitgenodigd zich te laten vaccineren, om je niet te laten vaccineren, ervan uitgaand dat je weinig kans maakt COVID-19 te krijgen dan wel verwacht daarvan weinig gezondheidsschade te ondervinden. Vaccineren doe je voor en met elkaar. Ook daarom is het zorgelijk dat de overheid bepaalde groepen niet heeft weten te overtuigen zich te laten vaccineren, waaronder veel laagopgeleiden en mensen met een migratieachtergrond. Dit vraagt om extra inspanningen, al is het maar omdat we als samenleving minstens 75% gevaccineerden nodig hebben om groepsimmuniteit te kunnen bewerkstelligen.

Natuurlijk lopen mensen die zich laten vaccineren een zeker gezondheidsrisico. De kans op trombose als gevolg van het COVID-19-vaccin is evenwel veel kleiner dan bij het gebruik van de anticonceptiepil. Het helpt in dit kader niet dat de Minister van VWS het vaccineren met AstraZeneca gedurende een week heeft stilgelegd. Als gevolg van deze prikpauze zijn naar schatting dertien personen (extra) komen te overlijden en minstens 90 additionele personen met COVID-19 in het ziekenhuis opgenomen.7 Dit los van de veelheid aan mensen die als gevolg van dit signaal heeft besloten zich niet te laten vaccineren, al dan niet erop rekenend dat anderen hen wel beschermen (de reeds genoemde free riders). Juridisch en ethisch uiterst kwalijk.

Terwijl de overheid via een wet testbewijzen8 – overigens behoorlijk op gespannen voet met het advies van de Gezondheidsraad van eerder dit jaar9 – de samenleving tracht te heropenen, blijft de overheid neutraal adviseren over het belang van een COVID-19-vaccin. Waarom? Ik begrijp goed dat de minister er de voorkeur aan geeft dat mensen zich vrijwillig laten vaccineren.10 Maar mensen langer dan nodig het risico te laten lopen op besmetting met een potentieel dodelijke infectieziekte, de zorg over te belasten, de samenleving grotendeels stil te leggen en miljoenen euro’s te steken in fieldlabs roept de vraag op: waar is deze Minister van VWS toch mee bezig? En waarom geeft hij geen extra aandacht aan groepen die zich – naar alle waarschijnlijkheid uit onwetendheid en misleidende informatie van anti-vaxxers – niet laten vaccineren? Het EHRM biedt hem duidelijke handvatten: als vrijwillig vaccineren tot onvoldoende gevaccineerden leidt, dan zijn andere maatregelen geboden – van indringende vaccinatiecampagnes tot een vaccinatieplicht. Niet-gevaccineerden, die wel voor een vaccinatie in aanmerking komen, uitsluiten van voorschoolsonderwijs en andere minder essentiële activiteiten is vervolgens ook toegestaan.11 Wat mij betreft geldt dit alles ook voor voetballers die, hoewel goed geïnformeerd, zich weigeren te laten vaccineren. Voetballen is allesbehalve een essentiële activiteit.

Het getuigt niet alleen van ‘lef’ om mensen maandenlang te verbieden naar school te gaan en allerlei vrijheden te beperken; het mag duidelijk zijn dat het EHRM het vaccineren van de bevolking van groter belang acht dan de bezwaren van enkelen die geen medische bezwaren hebben tegen een vaccin. Hoogste tijd voor de overheid om het vrijblijvende vaccinatiebeleid bij te stellen en om zo spoedig mogelijk mensen dringend te adviseren zich te laten vaccineren. ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’.

 

Deze Opinie is verschenen in NJB 2021/1643, afl. 23. Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden en als medewerker gezondheidsrecht verbonden aan dit blad.

 

Afbeelding: pixabay 

 

Noten

  1. Kamerstukken 2020/21, 35526, AW, p. 9.
  2. EHRM 8 april 2021, nr. 47621/13, ECLI:CE:ECHR:2021:0408JUD004762113 (Vavrˇicˇka e.a./Tsjechië (GC)). Voor een eerdere zaak EHRM 15 maart 2012, nr. 24429/03, ECLI:CE:ECHR:2012:0315JUD002442903 (Solomakhin/Oekraïne).
  3. Uitvoeriger over deze spanning: A.C. Hendriks & B.C.A. Toebes, ‘Gezondheidsrecht in tijden van crisis: de COVID-19-pandemie’, in: Gezondheidsrecht in tijden van crisis: de COVID-19-pandemie. Preadvies VGR 2021, Den Haag: Sdu 2021, p. 43-66.
  4. Zie ook B.C.A. Toebes, ‘Verplichte vaccinatie als serieuze handelingsoptie’, RM Themis 2020 2020, p. 141-144.
  5. B.C.A. Toebes, ‘Preventie is niet vrijblijvend’, TvGR 2020, p. 227-235.
  6. Zie o.a. R. Pierik & M. Verweij, ‘De rol van meer verplichtende maatregelen in het Nederlandse vaccinatiebeleid’, NJB 2020/492, p. 258-265 en J.C.J. Dute, G. Kooijman & H.J.E. van der Spoel, ‘Naar een vaccinatieplicht voor COVID-19?’, in: B. Bots e.a. (red.), Recht & Gezondheid. Gezondheid boven alles?, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 85-95.
  7. D.P.M.S.M. Maas, C. Kramers e.a., ‘Prikpauze AstraZeneca proportioneel? Een reconstructie’, NTvG 2021;165:D6065.
  8. Stb. 2021/240.
  9. Gezondheidsraad, Testbewijzen voor SARS-CoV-2: ethische en juridische voorwaarden, nr. 2021/02, Den Haag, 14 januari 2021. Zie A.C. Hendriks, ‘Test- en vaccinatiebewijzen tegen corona’, NJB 2021/283, afl. 4, p. 305-306.
  10. Legemaate 2020.
  11. Vgl. het voorstel tot wijziging van de Wet kinderopvang (Kamerstukken 35049).
Over de auteur(s)
Aart Hendriks
Hoogleraar Gezondheidsrecht en NJB-medewerker