Tussen € 0,47 en € 500.000

De erflater had zijn dochter tot enig erfgenaam benoemd en zijn stiefzoon B tot executeur-testamentair. Dat laatste was geen gelukkige greep, want B maakte geen boedelbeschrijving, deed geen aangifte erfbelasting en keerde niets uit. Hij vertrok met zowel de noorderzon als de erfenis.

Later bleek dat hij alles had vergokt. Onduidelijk was daardoor welke waarde Dochter’s erfenis had. Schattingen liepen uiteen van € 200.000 tot € 500.000. Dochter leefde van een Participatiewetuitkering en had (dus) geen vermogen. Zij deed al het mogelijke om recht te halen, zoals een civiele procedure tegen B om een notariële boedelbeschrijving en benoeming van een boedelnotaris, en tot nakoming van de toewijzende beschikking een kort geding tegen B met eis van een voorschot. Alles vergeefs. B voldeed aan geen enkel vonnis. Dochter vroeg B’s faillissement aan en deed aangifte van verduistering tegen hem. De curator berichtte dat haar kans op uitkering op nihil moest worden geschat, gegeven de superpreferente vordering van de fiscus op B (€ 128.000) en later dat B’s faillissement was opgeheven en dat geen enkele crediteur iets had gekregen. De Officier van Justitie seponeerde de strafzaak tegen B. Dochter moest dus beklag ex art. 12 Sv. doen, dat door het Hof werd toegewezen.

De fiscus vond intussen dat Dochter aangifte erfbelasting moest doen. Zij berichtte hem dat zij geen aangifte kón doen bij gebrek aan informatie over de door B verduisterde nalatenschap. Daarop sloeg de fiscus haar aan voor een geschatte verkrijging ad € 500.000. Te betalen € 83.730. Met omkering van de bewijslast omdat ze geen aangifte had gedaan. In bezwaar wilde de fiscus dan nog wel inbinden naar € 48.730 (verkrijging 325.000). Dochter dus in beroep. Ook de Rechtbank keerde de bewijslast om, maar achtte de schatting van de inspecteur aan de hoge kant en stelde er € 282.069 voor in de plaats. Te betalen € 40.144. Als ze dat niet kon betalen, moest ze de ontvanger maar om een regeling vragen. Dochter moest dus in hoger beroep. Daar wierp de inspecteur haar ook nog tegen dat zij beneficiair had aanvaard en de erfenis ook had kunnen verwerpen. Ondanks een academische studie in de rechtsgeleerdheid wist deze inspecteur erfbelasting kennelijk niet dat de erfbelasting geen schuld van de erflater is en kennelijk evenmin dat erfgenamen geen zieners zijn, anders dan de inspecteur, die in de achteruitkijkspiegel immers een zeer vooruitziende blik had. Het Hof1 constateerde dat de nalatenschap nooit vereffend zou kunnen worden, dat er voor Dochter geen draagkrachtvermeerdering uit zou kunnen voortvloeien waaruit de aanslag betaald zou kunnen worden en dat betaling van de aanslag haar beneden de armoedegrens zou drukken. Dat is een individual and excessive burden die geen fair balance houdt tussen algemeen belang en individueel eigendomsrecht en die dus art. 1 Protocol 1 EVRM schendt. Es gibt noch Richter in Berlin, maar het optreden van de fiscus in deze zaak zou door wijlen de Tilburgse hoogleraar Van Dijck denkelijk ingedeeld zijn in de categorie “Hoe maak ik vijanden voor het leven?”

Maar ook de burger kan er wat van, met name no cure, no pay gemachtigden in WOZ-en BPM-zaken. Een compromis over de WOZ-waarde van een woonhuis leidde tot een kleine teruggaaf én een bezwaarkostenvergoeding ad € 786 aan de no cure, no pay gemachtigde. Die verzocht de gemeente ook nog om invorderingsrente over dat teruggaafje. De ambtenaar had inderdaad verzuimd rente te berekenen, want het ging om 53 eurocents. Maar vooruit: een rentebeschikking ad € 0,53. De gemachtigde maakte niettemin bezwaar omdat de rente volgens de wet afgerond wordt op hele euros, dus op € 1. Hij vroeg daarbij om vergoeding van bezwaarkosten. De ambtenaar vergoedde € 1 rente, maar geen bezwaarkosten. De gemachtigde ging in beroep en eiste daar bovendien integrale proceskostenvergoeding omdat de ambtenaar hem misbruik van procesrecht had verweten wegens doorprocederen over € 0,47. De Rechtbank2 achtte het inroepen van rechtsbijstand voor € 0,47 onredelijk en wees elk verzoek om kostenvergoeding af, overwegende dat er grenzen zijn aan het gebruik van wettelijke bevoegdheden om te klagen over onrechtmatig handelen door de overheid. Zoals de overheid is gebonden aan beginselen van behoorlijk bestuur, is de burger gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk burgerschap. Hij mag zijn procesbevoegdheden niet misbruiken, met name niet voor een verdienmodel. Het was duidelijk dat het niet om die € 0,47 ging, maar om uitlokking van weer een besluit om weer kans op procedurele fouten bij de gemeente te scheppen, om daar ‘een financieel slaatje uit te slaan.’ Volgde het lid op de neus: veroordeling van de belastingplichtige in de proceskosten van de gemeente (€ 271,-).

Deze Rechtbank greep terecht in. Maar doordat de Hoge Raad een ‘zeer gering financieel belang’ definieert als minder dan € 15, en blind € 500 per half jaar termijnoverschrijding vergoedt, moest € 3.500 aan ‘immateriële schade’ worden vergoed in een geval waarin de bezwaarafdoening over een rentebedrag van € 28 drie jaar duurde.3 Leg dat eens uit aan, bijvoorbeeld, de vader van Sharleyne, die slechts € 20.000 schockschadevergoeding kreeg na de confrontatie met het lichaam van zijn van acht-hoog gevallen 8-jarige dochter (zie het Vooraf van Ton Hartlief vorige week). Ik zie niet hoe ‘immateriële schade’ door een trage procedure over € 28 hoger zou kunnen zijn dan € 28, laat staan het 125-voudige daarvan. Dat is uitlokking van verdienmodellen.

 

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2022/1661, afl. 25

 

Voetnoten

1 Hof Den Haag, 25 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:906.
2 Rb. Noord-Nederland, 20 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1687.
3 Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4041.

 

Bron afbeelding: Pexels

Over de auteur(s)
Peter Wattel
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar Europees belastingrecht