Ons strafprocesrecht gaat aan nuancering ten onder

Elke dinsdag om 13.00 uur is ons strafprocesrecht weer iets ingewikkelder geworden. Dan heeft de Strafkamer van de Hoge Raad, die van oudsher op dinsdag om 12.30 uur zitting houdt, in een van haar uitspraken of beschikkingen weer een nieuwe nuance aangebracht, een uitzondering op een uitzondering geformuleerd, of een subtiele subregel gegeven. 

Soms om zaken die ‘op het randje zijn’ te kunnen redden, soms om zaken waarin evident fouten zijn gemaakt, te kunnen vernietigen. Vervolgens wordt van vijftigduizend politieambtenaren verwacht dat zij vanaf de volgende ochtend 0.00 uur de nieuwe regel (subregel, uitzondering, nuance) foutloos toepassen. Anders loopt de zaak jaren later risico alsnog te worden gecasseerd; het nieuwe jurisprudentiële recht geldt immers met onmiddellijke ingang. En dan heb ik het alleen nog maar over de Nederlandse jurisprudentie.

De afgelopen veertig jaar is daar een immer wassende stroom van Straatsburgse jurisprudentie bij gekomen. De wetenschap van het strafprocesrecht is daarmee substantieel moeilijker geworden dan toen ik veertig jaar geleden mijn wetenschappelijke en ambtelijke loopbaan begon. De doorsnee-jurist had toen nog niet gehoord van Straatsburg; dat was voer voor specialisten. Vandaag de dag is het alles ‘Straatsburg’ wat de klok slaat. Veel wetenschappelijke artikelen bestaan voor een belangrijk deel uit minutieuze analyses van Straatsburgse teksten. Het lijkt soms – vergeef mij als ik te oneerbiedig word – op een spelletje ‘zoek de zeven verschillen’.

De jurisprudentie is niet de enige boosdoener, de wetgever doet dapper mee. Het Wetboek van Strafvordering was in 1978 nog redelijk leesbaar. Met name de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (titels IVa-VI van het Eerste Boek) heeft het wetboek – in ieder geval uit oogpunt van leesbaarheid – totaal verminkt.

In de zomer van 1978 heb ik het zakenregister van ‘het’ losbladige commentaar op het Wetboek van Strafvordering – destijds: Duisterwinkel/Melai, tegenwoordig: Melai/Groenhuijsen – nog handmatig gemaakt. Het boekwerk omvatte toen drie banden, dus dat ging nog net. Toen de uitgever op 1 januari 2017 stopte met de fysieke uitgave, was het inmiddels uitgedijd tot dertien banden. De nieuwste (tiende) druk van de Handleiding Confrontatie van Adri van Amelsvoort, zojuist verschenen, beslaat 424 pagina’s. Het is bestemd voor de uitvoerende politiemedewerker (rechercheur). Confrontatie is een klein onderdeel van het totale politiewerk. Hoeveel meer van zulke boekjes à 400 bladzijden moet de politieman of -vrouw lezen om alle details van het vak te beheersen?

De Hoge Raad probeert tegenwoordig soms aan de informatiebehoefte tegemoet te komen door overzichtsarresten te wijzen. Dat is goed bedoeld. Maar alleen die overzichtsarresten al geven een indruk van hoe complex het desbetreffende stuk(je) recht is geworden. En bovendien lossen ze het probleem niet echt op; want ook die overzichtsarresten behoeven (uiteraard) weer interpretatie. ICT is nuttig, maar lost het probleem evenmin op. Want de politieman of -vrouw moet dikwijls op straat acteren op basis van parate kennis, zonder de gelegenheid te hebben even op zijn personal digital assistant te kijken hoe het recht ook al weer in elkaar zat op dit of dat punt.

Als universitair geschoolde juristen al dagwerk hebben om het allemaal bij te houden, hoe moeten onze vijftigduizend politieagenten – voor het merendeel geschoold op MBO-niveau1 – dat ooit doen? En denk ook even aan de 50.000 BOA’s en tienduizenden andere niet-juridisch – en vaak ook niet academisch – geschoolde functionarissen bij BOD’en, DJI, Reclassering, kinderbescherming, enzovoort.

Ons recht is ‘gierend complex’, aldus Schutgens (Ars Aequi 2015, p. 311). Dat geldt zéker voor het strafprocesrecht. Volgens mij is hier sprake van involutie. En die heeft ook nog eens een pervers effect. Want om die juridische complexiteit te beheersen, hebben we steeds meer mensen nodig. Maar wat gaan al die mensen dóen? Zij gaan – met de beste bedoelingen! – het recht nog weer ingewikkelder maken.

Wie het vorenstaande ongenuanceerd noemt, heeft gelijk. Dit is ook ‘maar’ een opinie, geen verslag van een wetenschappelijk onderzoek. Wie het cynisch noemt, heeft ongelijk. Ik maak mij werkelijk zorgen over hoe ingewikkeld wij juristen in de afgelopen veertig jaar het (strafproces-)recht hebben gemaakt. Dit móet een keer vastlopen. ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder’, schreef Max Dendermonde in 1954.

Een pasklare oplossing heb ik niet. Erkenning is het begin van de oplossing. Vranken heeft in Asser-Vranken, Vervolg (Algemeen Deel***) ons juristen uitgenodigd ons werk eens door de ogen van anderen te bekijken. Deze opinie is een poging daartoe. Ieder lastig leerstuk dat geschrapt kan worden, is winst, aldus Schutgens in het eerder aangehaalde artikel in Ars Aequi. Dat geldt ook voor iedere lastige nuance of uitzondering. Wij, juristen, zouden ons bij elke nieuwe regel of nuancering moeten afvragen of de winst in gerechtigheid op de vierkante millimeter die wij daarmee denken te behalen, werkelijk opweegt tegen de kosten van involutie op het systeemniveau.2

 

 

Mr. dr. W.L. Borst is coördinerend beleidsmedewerker bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze opinie is op persoonlijke titel geschreven.

 

 

  1. Voor de goede orde: ik vel hiermee geen waardeoordeel, doe alleen een feitelijke constatering.
  2. De eerste aflevering van dit feuilleton stond in het NJB van 1994, afl. 19, p. 646-647, onder de titel ‘Een Haagse motregen’.
Over de auteur(s)