Kromspraak

Als een rechterlijke uitspraak de feiten geen recht doet of in een op zichzelf puike juridische redenering een oplossing biedt die niet past op de feiten, dan is er iets misgegaan. Zelden blijkt dat uit de desbetreffende uitspraak zelf, omdat die meestal juist precies die feiten centraal stelt die passen bij de daaropvolgende juridische analyse en conclusies. En dan kom je er alleen achter dat er iets niet goed is gegaan als je de juiste feiten kent. Soms is daar onderzoek voor nodig, zoals Freek Bruinsma deed bij de voorbereiding van zijn klassieker De Hoge Raad van onderen, een boekwerk dat verplichte kost zou moeten zijn bij iedere juridische opleiding.1 Vele ‘plaatjes van arresten’ bleken totaal niet gefundeerd te zijn op de echte feiten; een meer dan ontnuchterende conclusie.

Wie goed kijkt, kan soms ook uit een uitspraak zelf rare wanverhoudingen tussen feiten en juridische redeneringen en beslissingen vaststellen. Het meest pregnante voorbeeld daarvan is waarschijnlijk de prejudiciële zaak van HvJ EU 16 juli 2015, NJ 2017/32 (Diageo Brands/Simiramida), waarin het HvJ EU de feitenvaststellingen door de Hoge Raad, namelijk dat er sprake was van een bewuste en evidente schending door de Bulgaarse rechter van het Unierechtelijke merkenrecht, welbewust lijkt te negeren en vervangt door een eigen beschrijving en waardering van die feiten, waarbij de Hoge Raad zich vervolgens in zijn vervolgarrest HR 8 juli 2016, NJ 2017/33, welhaast openlijk grommend neer moet leggen. Een minder pregnant voorbeeld is van recentere datum: HvJEU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:542 (Constantin Film Verleih/YouTube en Google).

In die zaak ging het om individuen die auteursrechtelijk beschermde werken hadden geüpload op YouTube. De rechthebbende, Constantin, vordert op grond van art. 8 van Richtlijn 2004/482 dat YouTube en Google adresgegevens van de inbreukmakers aan haar zou verstrekken en de vraag was of die adresgegevens mede het e-mail- en IP-adres van de inbreukmakers zouden hebben te omvatten alsook gegevens omtrent het tijdstip van het uploaden en het tijdstip van de laatste toegang van de inbreukmaker tot zijn gebruikersaccount op YouTube.

Het HvJ EU overweegt omtrent het begrip 'adres' allereerst: 'Daar richtlijn 2004/48 dit begrip niet definieert, moet voorts de betekenis en de draagwijdte ervan worden bepaald naar de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan (zie in die zin arresten van 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 65, en 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat in de eerste plaats de gebruikelijke betekenis van het begrip "adres" betreft, moet, zoals de advocaat-generaal in de punten 30 en 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden vastgesteld dat dit begrip in de omgangstaal enkel betrekking heeft op het postadres, dat wil zeggen iemands woon- of verblijfplaats. Hieruit volgt dat dit begrip, wanneer het – zoals in artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/48 – zonder nadere precisering wordt gebruikt, geen betrekking heeft op het e-mailadres, het telefoonnummer of het IP-adres.'

Het HvJ EU overweegt vervolgens dat deze interpretatie wordt onderbouwd door de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn, de context (andere Unierechtelijke handelingen) en door de doelstellingen ervan. Voorts wijst het HvJ EU erop dat het gaat om minimumharmonisatie en dat dus de te verstrekken informatie nauwkeurig is omschreven. Het staat de lidstaten vrij om een verdergaande verstrekkingsplicht in nationale regelgeving op te nemen (mits in overeenstemming met algemene beginselen van Unierecht zoals het evenredigheidsbeginsel).

Op zichzelf lijkt dit een aanvaardbare juridische redenering, maar wie naar de feiten kijkt zoals die door de verwijzingsrechter aan de prejudiciële vragen ten grondslag zijn gelegd, kan moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat de juridische redenering geheel van die feiten is losgezongen. Immers, vaststond dat Google en YouTube bij het aanmaken van een account slechts vragen naar een (gewoonlijk niet nader geverifieerde) naam, e-mailadres en geboortedatum van de gebruiker. Diegene die dan beeldmateriaal van meer dan vijftien minuten wil uploaden, wordt vervolgens nog om een telefoonnummer gevraagd. Over een woon- of verblijfadres beschikken Google en YouTube dus niet.

De juridische redenering van het HvJ EU komt daarmee volledig in de lucht te hangen en, belangrijker, de rechthebbende wordt daardoor gewoon het spreekwoordelijke bos ingestuurd. De kernvraag, waarom in de omstandigheden van dit geval de rechthebbende geen toegang zou mogen hebben tot de gegevens waarover Google en YouTube wél beschikken, wordt op geen enkele wijze geadresseerd. Laat staan dat enig inzicht wordt geboden in voor de hand liggende vervolgvragen: zouden Google en YouTube gezien de beperkte interpretatie van het HvJ EU van het begrip 'adres' er wellicht toe gehouden zijn om in het vervolg bij het aanmaken van een account te vragen naar het woon- of verblijfadres? En moet daar dan een vorm van verificatie aan worden toegevoegd?

Nu kan men natuurlijk zeggen dat het HvJ EU ook maar gewoon zijn werk heeft gedaan, namelijk antwoorden op misschien (achteraf) te beperkt geformuleerde prejudiciële vragen en dat meer, mede gezien de werkdruk bij het hof, ook niet van hem gevergd kan worden. Maar die taakopvatting is mij dan toch te 'skeer', om het in omgangstaal te zeggen.3 Rechtspraak die niet (op) de feiten reflecteert, is wat mij betreft gewoon een beetje… Juist ja.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2020/1807, afl. 28. 

 

Afbeelding: www.pixabay.com

 

  1. Freek Bruinsma, De Hoge Raad van onderen, eerste druk 1988, derde druk 2010, Kluwer. Dit boek is niet meer verkrijgbaar en we zijn dus dringend toe aan een vierde druk.

  2. Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16).

  3. Skeer is straattaal voor onder meer: armoedig.

Over de auteur(s)
Coen Drion
Advocaat-partner bij Jones Day