Geef de bestuursrechter meer ruimte bij prejudiciële vragen!

Met het wetsvoorstel Tijdelijke wet Groningen wordt de schadeafhandeling aan gedupeerden als gevolg van de gaswinning in Groningen structureel en bij wet geregeld. In deze wet is echter een grote weeffout opgenomen.1 

De wet regelt dat de schade die eigenlijk door de civiele partij de NAM is veroorzaakt, voortaan publiekrechtelijk wordt afgehandeld door het Instituut mijnbouwschade Groningen. Het instituut wordt een zelfstandig bestuursorgaan. Als het Instituut mijnbouwschade Groningen een besluit heeft genomen, kan de gedupeerde bezwaar maken en vervolgens in beroep gaan bij de bestuursrechter. Tot zover gaat alles goed. De bestuursrechter moet dan civiel recht gaan toepassen, omdat de mijnbouwschade eigenlijk een schade is die is ontstaan door de mijnbouwactiviteiten van de mijnbouwexploitant, de NAM. Deze toepasselijkheid van het civiele recht staat uitdrukkelijk in het wetsvoorstel Tijdelijke wet Groningen.

Maar, en nu komt het: over de rechtsvragen die de bestuursrechter heeft, is het volgens het wetsvoorstel voortaan mogelijk zogenaamde prejudiciële rechtsvragen te stellen aan de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.Prejudiciële vragen zijn belangrijk; rechters in feitelijke instanties kunnen vragen stellen aan de hoogste rechter, om antwoord te krijgen op belangrijke rechtsvragen die kwesties betreffen die in een aanzienlijk aantal gevallen aan de orde zijn. Met deze wet krijgt nu ook de bestuursrechter de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen, een mogelijkheid die de civiele rechter al heeft sinds 1 juli 2012.3

Als het gaat om schade als gevolg van de gaswinning, moet ook het civiele recht toegepast worden, zo legde ik net uit. Maar wat gebeurt er dan met de prejudiciële vragen? Volgens het wetsvoorstel zouden die civielrechtelijke rechtsvragen die de bestuursrechter heeft alleen kunnen worden beantwoord door de bestuursrechtelijke Afdeling rechtspraak - in plaats van door de civiele hoogste rechter, de Hoge Raad. Dat ligt helemaal niet voor de hand.

Ik zou daarom de volgende wijziging willen voorstellen. De bestuursrechter krijgt een verruiming van zijn mogelijkheid bij geschillen als gevolg van de gaswinning prejudiciële vragen te stellen: bij bestuursrechtelijke rechtsvragen kan hij prejudiciële vragen stellen aan de hoogste bestuursrechter, bij civielrechtelijke rechtsvragen kan hij prejudiciële vragen stellen aan de hoogste civiele rechter, de Hoge Raad. Een dergelijke procedure voor de feitenrechter om vragen te stellen aan de Hoge Raad bestaat dus al. Op deze manier wordt het civiele recht uitgelegd door de hoogste rechter die daarover gaat, de rechter die moet zorgen voor coherentie en voor rechtseenheid van het civiele recht.

Ook bij eventuele civiele procedures tegen de NAM, die onder dit wetsvoorstel nog aanhangig kunnen worden gemaakt, die voor een civiele rechter komen, kunnen prejudiciële vragen gesteld aan de hoogste civiele rechter. Met de wijziging die ik voorstel, kan het niet meer zo zijn dat exact dezelfde vraag door verschillende hoogste rechtscolleges op een verschillende wijze wordt beantwoord. Het is dan alleen nog de Hoge Raad als hoogste civiele rechter die het antwoord geeft op de civielrechtelijke, prejudiciële vragen.

Mijn voorgestelde wijziging, verruiming van de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen voor de bestuursrechter, is een eenvoudige oplossing voor deze grote weeffout in het wetsvoorstel. Het is hard nodig dat deze weeffout hersteld wordt. Het is de bedoeling dat de wet al in 2020 in werking treedt, dus haast is geboden. Laten we hopen dat er nog een amendement komt met deze strekking en dat dit wordt aangenomen!

 

Mr. dr. Janet van de Bunt is universitair docent privaatrecht bij Tilburg University. In oktober 2019 adviseerde zij bij het rondetafelgesprek van de Vaste KamerCie van EZK om een amendement op de Tijdelijke wet Groningen in te dienen. In 2017 maakte zij deel uit van de Commissie Hammerstein die adviseerde over de schadeafhandeling in Groningen. Zie ook NJB 1 van 2020, waarin vier artikel over de afwikkeling van bevingschade in Groningen. 

 

  1.  Kamerstukken II 2018/19, 35250, 2.
  2. Art. 16 tot en met 19 van het wetsvoorstel Tijdelijke wet Groningen.
  3. Gemiddeld wordt er jaarlijks een tiental vragen voorgelegd aan de Hoge Raad, zie ook: Hogeraad.nl.
Over de auteur(s)
Janet van de Bunt
Universitair docent Rechtstheorie