De Rechtspraak als vitaal onderdeel van de rechtsstaat

Op 11 mei 2020 zijn de poorten van de gerechtsgebouwen weer – voorzichtig – opengegaan, nadat de Rechtspraak had besloten vanaf 17 maart de gerechten te sluiten vanwege de coronacrisis en alleen nog maar urgente zaken zoveel mogelijk met gebruikmaking van digitale communicatiemiddelen te laten doorgaan. In de ‘intelligente lockdown’ is gekozen voor vergaande veiligheidsmaatregelen waarbij vrijwel alles dicht moest en mensen zoveel mogelijk thuis moesten blijven (werken).

Alleen voor een lijst van cruciale functies (o.a. zorg, leraren, openbaar vervoer, voedselketen, kinderopvang, politie) gold dat deze zoveel mogelijk doorgang moesten vinden. In die lijst is de rechtspraak niet expliciet opgenomen. Dat maakt het begrijpelijk, dat het besluit de gerechten te sluiten, onvermijdelijk leek. Toch zijn er gaandeweg vragen gerezen of de rechtspraak niet van begin af aan op de lijst van cruciale functies had moeten staan. Op 6 april berichtten de ministers Grapperhaus en Dekker de Tweede Kamer namelijk dat de rechtspraak een vitaal onderdeel van onze rechtsstaat is dat ook in crisistijd moet blijven functioneren.1 Daarop wierp de vaste commissie voor J&V op 17 april2 de vraag op, of de Rechtspraak en alle daarbij betrokken essentiële organisaties onderdeel zijn van de vitale infrastructuur van ons land. Opgemerkt werd dat op de website van de NCTV de rechtspraak niet wordt genoemd als vitaal proces, noch als vitale functie. Ook is gevraagd hoe beslissingen ten aanzien van het opschorten van rechtszittingen tot stand komen en hoe het uit te leggen is dat de meubelboulevard open is, maar de rechtspraak nagenoeg gesloten? In hun antwoord van 7 mei schrijven de ministers dat de rechtspraak weliswaar niet expliciet benoemd is als cruciale beroepsgroep, maar wel als zodanig onder de categorie noodzakelijke overheidsprocessen valt. Geconstateerd wordt ook dat de rechtspraak niet op volle sterkte heeft kunnen functioneren en dat het nog geruime tijd zal kosten voordat weer van een enigszins normale situatie gesproken kan worden.3

Intussen kwam het besluit om de gerechten te sluiten er in feite op neer dat het overgrote deel van de zaken waarin nog een zitting moe(s)t plaatsvinden noodgedwongen is stilgelegd. We weten nog niet precies wat hiervan de gevolgen zijn, op welke wijze hieraan in de praktijk uitvoering is gegeven en hoe groot de opgelopen achterstanden zijn. Duidelijk is wel, dat er is doorgewerkt. De vrijgevallen tijd is benut om bestaande achterstanden weg te werken en vonnissen en arresten te schrijven. Ook lijken er lokale verschillen te zijn hoe en in welke mate invulling is gegeven aan alternatieven voor fysieke zittingen door gebruik te maken van skype, telefonisch horen of schriftelijke afdoening. Sommige rechters hebben, tegen het officiële beleid in, fysieke zittingen, ook niet urgente, gewoon laten doorgaan als dat coronaproof kon. Maar het algemene beeld is toch dat in zaken die niet onder de uitzonderingscategorieën vielen, zittingen standaard werden aangehouden voor onbepaalde tijd, zonder overleg met partijen of zonder dat er een alternatief geboden werd.

Nu het virus enigszins onder controle lijkt, is het tijd om vooruit te kijken en wellicht met meer urgentie dan tot nu toe lijkt te gebeuren. Volgens de officiële berichtgeving zullen vanaf 11 mei weer op beperkte schaal rechtszaken in de fysieke aanwezigheid van procespartijen plaatsvinden als die onmisbaar wordt geacht. (Jeugd-)strafzaken en familiezaken hebben daarbij prioriteit. In een gezamenlijke verklaring hebben de rechtsprekende instanties op 28 april laten weten dat er achter de schermen hard gewerkt wordt om zoveel mogelijk zaken te laten doorgaan, nu nog voornamelijk op afstand, schriftelijk of via een telefoon­verbinding, maar zodra het kan ook weer fysiek in de rechtszaal. Daartoe worden de gerechten aangepast aan de anderhalve meter afstand die voorlopig de norm is.

Dat is heel goed, maar de mate van concreetheid van deze berichtgeving baart wel enige zorgen, zeker nu zaaksbehandeling op afstand in de praktijk nog niet zo eenvoudig blijkt. Zo heeft de NOvA gewezen op het gebrek aan vertrouwelijke communicatie tussen advocaten en gedetineerde cliënten, op de omstandigheid dat het telehoren (in strafzaken) vanwege capaciteitsgebrek beperkt is tot maximaal 45 minuten, dat advocaten hun cliënten tijdens zittingen niet kunnen zien (en omgekeerd) en dat mensen in Wvggz-zaken direct voor een periode van vijf jaar gedwongen worden opgenomen zonder ooit gezien te zijn. Deze zorgen worden ook onderschreven door de Wetenschappelijke Commissie van de NVvR in haar (ongevraagde) advies naar aanleiding van de Corona-spoedwet die op 17 april jl. zonder een noemenswaardige consultatieronde is aangenomen.4 De NVvR wijst er ook op dat op basis van de huidige ervaringen al kan worden vastgesteld dat de momenteel beschikbare communicatiemogelijkheden in de penitentiaire inrichtingen volstrekt ontoereikend zijn om een behoorlijk aantal strafzaken inhoudelijk te kunnen behandelen, nog afgezien van het feit dat digitale verbindingen niet dezelfde interactie en dus kwaliteit van behandeling kunnen opleveren als een fysieke behandeling.

Dat alles maakt dat geen tijd te verliezen is om met man en macht in te zetten op het hervatten van fysieke zittingen. Nu in tal van sectoren in de samenleving inmiddels heropeningsplannen zijn opgesteld en goedgekeurd, moet toch ook de anderhalve meter norm in de gerechtsgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Door de regering is inmiddels – gelukkig – openlijk bevestigd, dat de rechtspraak wel degelijk ook in crisistijd behoort tot de vitale onderdelen van onze samenleving. Ik twijfel er niet aan dat iedereen in de rechtspraak daarvan steeds doordrongen is geweest. Dit Vooraf is ook niet bedoeld als verwijt, ik besef heel goed dat de beste stuurlui altijd aan wal staan. Het is bedoeld als een oproep om aan de vitale functie van de rechtspraak met spoed de nodige infrastructuur te verbinden.

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2020/1208

 

  1. Kamerstukken II 2019/20, 29 279, 581.
  2. Kamerstukken II 2020D14756.
  3. Brief Dekker aan Tweede Kamer 7 mei, met kenmerk 2899006.
  4. Brief van NVvR 21 april 2020 aan Dekker https://nvvr.org/uploads/documenten/700.-Tijdelijke-wet-COVID.def.pdf.
Over de auteur(s)
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht