De NJV, een Grand Old Lady van 150 jaar

Op 9 oktober 2020 zou de 150ste jaarvergadering plaatsvinden van de Nederlandse Juristen-Vereniging in de Grote Kerk in Den Haag. Te elfder ure zag het NJV-bestuur zich vanwege de weer aangescherpte coronamaatregelen gedwongen de vergadering af te gelasten en te verschuiven naar volgend jaar 11 juni 2021. In de 150-jarige geschiedenis van de NJV is het maar twee keer voorgekomen dat jaarvergaderingen werden overgeslagen. Dat gebeurde in 1898, om redenen die niet meer achterhaald kunnen worden, en in de Tweede Wereldoorlog van 1942 - 1946.

De preadviezen voor de jaarvergadering, die nu in 2021 zal plaatsvinden, over ‘De jurist van de toekomst, de toekomst van de jurist’ zijn al gepubliceerd en een bespreking van de preadviezen is in deze aflevering te vinden, waarvan de uitgave niet meer gestopt kon worden. Daarmee is een nieuw unicum bereikt: nog nooit eerder verschenen de preadviezen mét bespreking in het NJB zo tijdig voorafgaand aan een jaarvergadering. Gelukkig is het onderwerp tijdloos.

De lotgevallen van de NJV in de periode van 1870 - 1995 zijn door Jan Lokin en Corjo Jansen beschreven in het prachtboek Tussen droom en daad.1 Zij verhalen hoe de NJV door toedoen van een aantal bevlogen coryfeeën, onder wie Van Hamel en De Pinto, in 1870 werd geboren vanwege ‘het totaal gebrek aan een openbare meening over de hoofdbeginselen van straf-, civiel- en procesrecht, zelfs in de rechtsgeleerde wereld’. De bedoeling was om een representatieve vertegenwoordiging te vormen van de hele toenmalige Nederlandse juristenwereld. In een mum van tijd meldden zich 360 juristen aan, die zich kennelijk ook zorgen maakten over de ‘uitgedoofde toestand van het Nederlandse rechtswezen’. De eerste vergadering van de NJV werd ‘onder toejuichingen’ door de voorzitter geopend. Van begin af aan is het doel van de NJV geweest de Nederlandse juridische wereld de gelegenheid te bieden om een keer per jaar tijdens de jaarvergadering te beraadslagen over algemeen-juridische onderwerpen aan de hand van preadviezen. In het begin waren de preadviezen vooral gericht op de herziening van wetgeving. Zo werd er geestdriftig gedebatteerd over de vrijheid van de rechter ten opzichte van de wet, de behoefte aan sociale verzekeringen en de modernisering van het straf(proces)recht.

Wat in de geschiedenis van de NJV opvalt is dat de onderwerpen die in de afgelopen 150 jaar op jaarvergaderingen zijn besproken weliswaar verbonden waren met de tijdgeest, maar daarop vaak ook vooruitliepen en pas in een veel later stadium tot wetgeving hebben geleid. Verrassend is bijvoorbeeld dat in 1882 al vergaderd werd over de wenselijkheid van schadevergoeding voor een onschuldig veroordeelde en in 1904 over een wettelijke regeling tot schadevergoeding aan het slachtoffer van een strafbaar feit. Sommige thema’s zijn ook nu nog actueel zoals de invoering van een referendum (1921). In de aanloop naar de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw – het nieuwe Wetboek van Strafvordering was net in werking getreden met daarin een aantal zwaarbevochten rechten voor de verdachte – blijkt het liberale tij weer gekeerd en breekt een meer totalitair getint tijdperk aan. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt in een preadvies van 1928 als ‘een stuiptrekking van individualisme beschouwd’. Het ‘veilig bestaan eener geordende gemeenschap’ vordert nu eenmaal dat ‘onaangenaamheden’ die een verdachte treffen ‘als middel om de waarheid ongestoord te doorgronden’ op de koop toe worden genomen.2 Het is ook de periode dat de cautie uit het Wetboek van Strafvordering verdwijnt en in een jaarvergadering van de NJV wordt met meerderheid van stemmen aangenomen dat het individu ondergeschikt is aan de gemeenschap. In de Tweede Wereldoorlog zorgden Duitse maatregelen ervoor dat joden geen lid meer mochten zijn van de NJV en werden juridische kopstukken geïnterneerd en naar concentratiekampen afgevoerd. Preadviezen mochten alleen nog maar met toestemming van de Duitsers worden gepubliceerd. Daarop heeft de NJV besloten de activiteiten te beëindigen om weer tot bloei te komen in de naoorlogse jaren. In 1950 had de NJV meer dan duizend leden. De jaren zestig en zeventig zorgden ook in de gelederen van de NJV voor roerige tijden. Onder invloed van de onvrede onder de juridische studenten en juristen werd opgeroepen tot een kritische bezinning op de grondslagen van het recht. In NJV-verband werd gedebatteerd over de juridische opleidingen, de dissenting opinion in de rechtspraak en de positie van de rechterlijke macht in de samenleving. Na 1980 doet de invloed van algemene rechtsbeginselen en internationale verdragen zich gelden. Als we kijken naar de preadviezen die de afgelopen 25 jaar het licht hebben gezien dan blijkt dat de NJV door de keuze van onderwerpen een ‘levend en in de eigen tijd passend monument’ is gebleven, zoals Jansen en Lokin de NJV hebben getypeerd. Met vooruitziende blik is vergaderd over de reikwijdte van fundamentele rechten (1995), het opstandige slachtoffer (2003), de Europese integratie (2006), multiculturaliteit en recht (2008) en over crises, rampen en recht (2014), om maar een paar onderwerpen te noemen.

Er zijn zorgen over het dalende aantal leden. De tijden waarin heel juridisch Nederland even stilviel op de dag van de jaarvergadering van de NJV zijn al lang voorbij. Maar het mooie en waardevolle van de NJV is en blijft dat zij steeds vooruit zeilt op het tij van de juridische vraagstukken waarvoor wij ons gesteld zien en steeds weer thema’s op de agenda weet te zetten met een rechtsgebied overschrijdend karakter. Daarmee is de NJV trouw gebleven aan haar oorspronkelijke doelstelling: een vereniging voor alle juristen. Dus laten wij hopen dat de jaarvergadering in 2021 weer eens onder ‘toejuichingen’ geopend wordt. Wellicht met een sub-thema dat gekoppeld is aan het huidige: ‘De toekomst van de NJV, de NJV van de toekomst’?

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2020/2229, afl. 33. 

 

  1. J.H.A. Lokin en C.J.H. Jansen, Tussen droom en daad, Tjeenk Willink Zwolle 1995.
  2. Preadviezen NJV van Marx en Hooykaas 1934

 

Afbeelding: © Klaus Vedfelt / Getty Images

Over de auteur(s)
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht