Artikel 1F Vluchtelingenverdrag: het recht op leven in gevaar

De afgelopen maanden zet Nederland regelmatig Afghaanse vreemdelingen uit die zijn uitgesloten van de asielprocedure op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Deze mensen worden verdacht van oorlogsmisdaden in Afghanistan. Voornoemde uitsluiting is grotendeels gebaseerd op een ambtsbericht uit 20001, waarin staat beschreven dat iedereen die ooit voor het communistische regime (in het bijzonder voor de veiligheidsdienst KhAD/WAD) heeft gewerkt zich schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen.

In totaal hebben er circa 110.000 mensen gewerkt voor dit regime.2 De afgelopen 15 jaar worstelt Nederland al met de vraag hoe zij dient om te gaan met deze mensen. Nu de Nederlandse regering overgaat tot uitzetting van Afghaanse 1F-ers is de vraag of de Nederlandse handelswijze niet in strijd is met het EVRM relevant.

De zaak Amiri

Ruim 18 jaar geleden kwam de familie Amiri in Nederland aan. Vader Amiri had als politieagent voor het communistische regime gewerkt en had na wisseling van het regime gegronde angst voor vervolging in Afghanistan. In Nederland aangekomen levert hij zijn Afghaanse paspoort in en krijgt hij voor zijn hele familie een asielvergunning. In 2000 komt echter het voornoemde ambtsbericht tot stand. Voor de heer Amiri en zijn familie heeft dit pas gevolgen nadat zij in 2006 een paspoort aanvragen. De naturalisatieverzoeken van zijn familie worden toegewezen. De aanvraag van de heer Amiri zelf wordt echter op basis van het ambtsbericht afgewezen en ook zijn asielvergunning wordt ingetrokken. De heer Amiri verblijft vanaf dat moment niet meer legaal in Nederland. In oktober 2014 krijgt de heer Amiri bericht van de IND met het verzoek te komen praten over zijn 1F-status. Met 110 verklaringen van de Afghaanse ambtenaren die bevestigen dat hij tijdens zijn periode als politieagent niets heeft misdaan gaat hij naar het gesprek. Na twee weken vreemdelingendetentie wordt de heer Amiri uiteindelijk begin januari uitgezet naar Afghanistan.  Zijn Ipad, geld, telefoon en medicijnen worden afgepakt. Na zijn uitzetting naar oorlogsgebied heeft zijn familie in Nederland niets meer van hem vernomen. Zijn dochter kon de situatie niet langer accepteren en is afgelopen week naar Afghanistan afgereisd om haar vader te zoeken.3 In dit artikel zal ik bespreken in hoeverre voornoemde handelswijze van de Nederlandse regering in strijd is met het EVRM.

Het ambtsbericht

Op het ambtsbericht uit 2000 bestaat inmiddels veel kritiek. De UNHCR, Amnesty international, Vluchtelingenwerk Nederland, de Afghaanse regering en parlement en diverse experts hebben reeds aangegeven dat de inhoud van het ambtsbericht inhoudelijk niet klopt of onvolledig is.4 Zo is een deel van het ambtsbericht gebaseerd op anonieme bronnen zodat de inhoud niet te controleren is. De regering in Nederland heeft zich echter nog niets aangetrokken van alle kritiek en verschuilt zich al jaren lang achter een aantal uitspraken van de Raad van State.5 De Raad van State oordeelde dat het ambtsbericht wel voldoet. Zij oordeelt tot op heden zeer terughoudend in asielzaken. Deze beoordeling gaat vanaf dit jaar veranderen vanwege de inwerkingtreding van de Procedurerichtlijn in 2015.6 Maar ook nu al dient de rechter in geval van uitzetting te toetsen aan het EVRM.

De zaak Amiri in strijd met het EVRM

Het behoeft geen betoog dat Nederland zich dient te houden aan de mensenrechten opgenomen in het EVRM. De Nederlandse regering heeft met de uitzetting van de heer Amiri mogelijk inbreuk gemaakt op de artikelen 2, 3 en 8 EVRM hetgeen ik hieronder zal betogen.

Artikel 2 EVRM: het recht op leven
Uit dit artikel volgt niet alleen dat de overheid zich moet onthouden een leven van een persoon te ontnemen maar zich ook actief moet inzetten om het leven te beschermen.7 Op de website van de Nederlandse ambassade staat de tekst: “Reis niet naar Afghanistan. Er is een acuut ontvoeringsrisico in heel Afghanistan. Vrijwel dagelijks zijn er aanslagen en gewapende incidenten. Daarbij vallen gewonden en doden.”8 Voor de Nederlandse regering is het duidelijk dat bij uitzetting het leven van de heer Amiri in gevaar kan komen. 

Artikel 3 EVRM: verbod op foltering
Een vreemdeling mag op grond van artikel 3 EVRM niet worden uitgezet indien er bij uitzetting een gegronde reden bestaat dat de vreemdeling na uitzetting onmenselijk wordt behandeld. De afgelopen jaren namen de Nederlandse rechter en de regering aan dat Afghaanse vreemdelingen die vielen onder artikel 1F niet konden worden uitgezet in verband met artikel 3 EVRM. Maar een beroep op het tienjarenbeleid om een verblijfsvergunning te krijgen, bleek in de praktijk een dode letter.9 Een verblijfsvergunning op grond van langdurig verblijf bleek dan ook niet mogelijk.

Sinds enkele maanden is de visie van de Nederlandse regering ten opzichte van de situatie in Afghanistan gewijzigd en is ook de Nederlandse rechter van mening dat er van een gevaar als genoemd in artikel 3 EVRM geen sprake meer is. Zo oordeelde de rechtbank Den Haag onlangs: “Het is niet voor de groep (ex) communisten als geheel te zeggen dat ze te vrezen hebben in Afghanistan. Het hangt per individu af of iemand wel/niet te vrezen heeft in Afghanistan, dit geldt ook voor (ex) communisten en ex-medewerkers van de KhAD/WAD.” Dit betekent niet de situatie voor de uitgezette Amiri veilig is.

Strijdig handelen met artikel 3 EVRM betreft ook het afnemen van medicijnen en geld zoals in de zaak Amiri voor uitzetting is gedaan.10 Hierbij is de vraag of Amiri afhankelijk is van zijn medicijnen. Tevens valt te betwijfelen of deze medicijnen voorhanden zijn in Afghanistan.

Artikel 8 EVRM: recht op familieleven
Op grond van artikel 8 EVRM dient de Nederlandse regering rekening te houden met het gezinsleven. Uitzetting van één familielid zou inbreuk kunnen maken op artikel 8 EVRM. Dit artikel is echter minder absoluut dan de artikelen 2 en 3 EVRM. De lidstaten mogen dit artikel dan ook beperken indien noodzakelijk voor het algemeen belang zoals in het geval van een oorlogsmisdadiger. Of Amiri wel of geen oorlogsmisdadiger is zal het EHRM slechts marginaal toetsen.

Tijd voor verandering!

De zaak Amiri toont aan dat de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag complex is. Zo is het niet aan een vreemdeling af te zien of hij of zij zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Een hele groep als oorlogsmisdadiger aanmerken is onzorgvuldig. Toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag vereist dan ook een individuele beoordeling.

Een ander punt van zorg is dat op dit moment Afghaanse 1F-ers worden uitgezet omdat de Nederlandse regering van oordeel is dat er voor deze mensen geen gevaar bestaat na uitzetting. Dit laatste is discutabel omdat de website van de Nederlandse ambassade klip en klaar stelt dat het in heel Afghanistan gevaarlijk is.

De Nederlandse regering doet er verstandig aan de uitzetting van de ‘ongedifferentieerde groep’ Afghaanse 1F-ers per direct stop te zetten om zodanig schendig van het EVRM te voorkomen. Het lijkt er namelijk op dat een dergelijke uitzetting inhumaan kan zijn en niet langer houdbaar is door de directe doorwerking van het EVRM.

Bas Wallage LL.B is masterstudent ondernemingsrecht en staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Leiden en is daarnaast werkzaam bij het Juridisch Loket.


Bron afbeelding: www.stichting1f.nl
Tamana Amiri uit Heeze radeloos na uitzetting vader: 'Ik lag urenlang wakker'.

1. Ministerie van Buitenlandse Zaken, ambtsbericht “Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan, 29 februari 2000.
2. Trouw, Hoe onze overheid een Nederlands meisje moedwillig in gevaar brengt, 3 februari 2015.
3. Idem.
4. Stichting 1F, Staatssecretaris Teeven beantwoordt Kamervragen over het 1F-beleid incompleet.
5. ABRvS, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8654, 24 september 2009.
6. De marginale toets van de vreemdelingenrechter in een juridische procedure is voornamelijk gebaseerd op artikel 4 lid 1 van de Europese Definitierichtlijn. Deze richtlijn is onlangs herzien (2013/32/EU). De rechter mag na implementatie van de richtlijn vol (ex nunc) toetsen aan alle juridische gronden.
7. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, Het EVRM en het Nederlandse bestuursrecht, Mastermonografieën Staats- en bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2011, hoofdstukken 1, 2 en 3. Zie ook EHRM 30 november 2004, Öneryildiz tegen Turkije, zaak 48939/99.
8. Ministerie van Veiligheid en Justitie, Antwoorden kamervragen over het bericht dat Feda Amiri na 18 jaar in Nederland alsnog is uitgezet naar Afghanistan, 23 januari 2015.
9. L. van Wijnbergen, Tienjarenbeleid voor 1F-ers een dode letter?, maart 2014, JNVR1401.
10. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, Het EVRM en het Nederlandse bestuursrecht, Mastermonografieën Staats- en bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2011, hoofdstukken 4 en 5.

 

 

Over de auteur(s)
Bas Wallage
Advocaat bij advocatenkantoor Van Benthem & Keulen N.V.