Artikelen van Redactie
De versnelling van wetgeving en aanhoudende uitvoeringsproblemen leggen volgens het Liberties Rule of Law Report 2026 druk op onderdelen van de Nederlandse rechtsstaat. Het rapport signaleert daarbij structurele knelpunten in zowel de rechtsbescherming als het toezicht.
Met name de wijze waarop wetgeving tot stand komt, roept vragen op over de zorgvuldigheid en de rechtsstatelijke waarborgen. In 2025 zijn verschillende wetsvoorstellen, vooral op het terrein van asiel en openbare orde, in hoog tempo behandeld. Uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak kregen daarbij in sommige gevallen slechts beperkte tijd om te reageren. Juist die vroege betrokkenheid is volgens de Raad van State essentieel voor goed uitvoerbare en zorgvuldige wetgeving, maar die ruimte ontbrak regelmatig.
Het rapport wijst op een duidelijk spanningsveld tussen politieke urgentie en wetgevingskwaliteit. Politieke noodzaak wordt ingezet om procedures te versnellen, terwijl de Raad van State benadrukt dat dit geen voldoende rechtvaardiging is om consultatieprocessen te verkorten. Daarmee neemt het risico toe dat wetgeving onvoldoende wordt doordacht en in de praktijk moeilijk uitvoerbaar blijkt.
De gevolgen hiervan raken direct aan de rechtsbescherming. In sommige gevallen blijft onduidelijk of besluiten juridisch kunnen worden aangevochten. Zo worden beslissingen binnen de asielopvang niet altijd als formele besluiten vastgelegd, waardoor effectieve rechtsmiddelen ontbreken. Daarnaast benoemt het rapport structurele tekortkomingen binnen het asielstelsel, onder meer met betrekking tot de veiligheid van kwetsbare groepen zoals LHBTI‑asielzoekers. Structurele maatregelen, zoals consistente kwetsbaarheidsbeoordelingen of gespecialiseerde opvangvoorzieningen, blijven volgens Liberties achterwege.
In bredere zin schetst het rapport een beeld van aanhoudende kwetsbaarheden binnen de rechtsstaat. De toegang tot het recht blijft een punt van zorg. Hoewel de overheid heeft aangekondigd vanaf 2027 te investeren in de rechtsbijstand, zijn concrete verbeteringen voorlopig nog beperkt zichtbaar. Ook de positie van toezichthoudende instanties wordt kritisch beoordeeld, met name waar hun onafhankelijkheid wordt beperkt door financiële afhankelijkheid van ministeries.
Verder signaleert het rapport dat de ruimte voor maatschappelijke organisaties onder druk staat. Deze organisaties vervullen een belangrijke rol bij het signaleren van misstanden en het versterken van de rechtsstaat, maar krijgen in toenemende mate te maken met financieringsdruk en mogelijke nieuwe wettelijke belemmeringen. Daarmee laat het rapport zien dat de uitdagingen voor de Nederlandse rechtsstaat niet alleen schuilen in de inhoud van wetgeving, maar ook in het wetgevingsproces en de praktische toepassing ervan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat haar uitspraken in vreemdelingenzaken vaker uitgebreider motiveren. Dat doet zij naar aanleiding van het Remling arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg van 24 maart 2026. Het Europese Hof van Justitie oordeelde in dit arrest dat een nationale rechter die in laatste aanleg uitspraak doet, moet motiveren waarom hij geen prejudiciële vraag stelt aan het Europese Hof van Justitie. Ook als de rechter in laatste instantie een beroep mag afwijzen met een verkorte motivering, moet hij in elk geval specifiek en concreet toelichten waarom een van de uitzonderingen op de verwijzingsplicht van toepassing is.
Gevolgen arrest voor uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak
Impliciet oordeel dat een uitzondering op verwijzingsplicht zich voordoet is onvoldoende
Naar aanleiding van het Remlingarrest zal de Afdeling bestuursrechtspraak geen impliciet oordeel meer geven waarin besloten ligt dat een van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet. Zij zal dat voortaan expliciet motiveren in haar uitspraken en dus in deze gevallen niet meer volstaan met een verkorte motivering.
Verkort motiveren blijft in sommige gevallen mogelijk.
Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak vaker dan voorheen haar uitspraken in vreemdelingenzaken uitgebreider zal motiveren als er een vraag speelt over het recht van de Europese Unie, betekent dit niet dat zij helemaal geen gebruik meer kan maken van de verkorte motivering.
Bron: Raad van State
De Raad van Europese Balies en Ordes van Advocaten (CCBE) waarschuwt in een recente verklaring dat het internationaal recht en het internationale rechtssysteem onder toenemende druk staan. Staten en andere actoren negeren steeds vaker juridische verplichtingen, zetten internationale rechtbanken onder politieke druk of intimideren rechters, aanklagers en advocaten. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de internationale rechtsorde.
De CCBE benadrukt dat internationaal recht geen politieke keuze of vrijblijvend instrument is, maar een bindend en universeel kader dat essentieel is voor vrede, stabiliteit en de bescherming van mensenrechten. Wanneer dit recht wordt ondermijnd, raken niet alleen staten, maar vooral individuen hun bescherming kwijt.
Een belangrijk punt is de bescherming van internationale rechtbanken en tribunalen. Deze instellingen spelen een cruciale rol bij het oplossen van geschillen tussen staten, het waarborgen van mensenrechten en het afdwingen van aansprakelijkheid voor ernstige schendingen van het recht. Pogingen om hun onafhankelijkheid te ondermijnen, raken volgens de CCBE de kern van de rechtsstaat: het beginsel dat niemand boven de wet staat.
Daarnaast onderstreept de CCBE het belang van soevereiniteit en gelijkheid van staten. Soevereiniteit is geen politiek middel, maar een fundamenteel beginsel dat staten beschermt tegen dwang, bedreiging en inmenging. Unilaterale druk, negeren van territoriale integriteit of machtsdenken ondermijnen het vertrouwen tussen staten en verzwakken de internationale rechtsorde.
De CCBE herhaalt ook het belang van het verbod op het gebruik van geweld en de naleving van het internationaal humanitair recht. Schendingen daarvan moeten worden onderzocht en bestraft via internationale juridische mechanismen, zodat gerechtigheid en duurzame vrede mogelijk zijn.
Tot slot benadrukt de CCBE de bijzondere verantwoordelijkheid van advocaten, balies en juridische organisaties. Zij moeten zich actief uitspreken en verzetten tegen het afbrokkelen van de internationale rechtsstaat. Stilte of onverschilligheid bij aantasting van het recht draagt bij aan verdere erosie ervan.
Bron: Advocatenorde
Rechters moeten ook na hun 70ste kunnen blijven werken als plaatsvervanger. Staatssecretaris Claudia van Bruggen (Justitie en Veiligheid) wil dat deze mogelijkheid structureel maken. Op dit moment is doorwerken tot 73 jaar alleen nog toegestaan op basis van een tijdelijke regeling, die na de coronapandemie werd ingevoerd en op 16 november 2026 afloopt. Er wordt een wetswijziging voorbereid die dit permanent mogelijk maakt.
Volgens de staatssecretaris is het essentieel om ervaren rechters langer te behouden. Zij benadrukt dat voldoende capaciteit in de rechtspraak nodig is om zaken tijdig en kwalitatief te kunnen behandelen. Door rechters na hun pensioenleeftijd als plaatsvervanger te blijven inzetten, blijft hun kennis beschikbaar en worden de oplopende doorlooptijden beter opgevangen.
De rechtspraak kampt al langere tijd met tekorten. Een belangrijke oorzaak daarvoor is dat steeds meer rechters de wettelijke ontslagleeftijd bereiken, terwijl een deel ook al eerder met pensioen vertrekt. Uit evaluaties blijkt dat het doorwerken van rechters boven de 70 jaar goed bevalt en daadwerkelijk helpt bij het verminderen van de capaciteitsproblemen. Daarom wordt nu gewerkt aan een wetswijziging die de inzet van deze groep definitief mogelijk maakt bij rechtbanken, gerechtshoven en bestuursrechtelijke colleges. Het wetsvoorstel wordt samen met de Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak uitgewerkt en zal eerst in consultatie worden gebracht voordat het naar de Raad van State gaat.
Naast deze maatregel zijn eerder al andere stappen gezet om de capaciteit te vergroten. Zo is de opleiding voor rechters en raadsheren uitgebreid tot 140 plekken en zijn investeringen gedaan in ondersteunend personeel. Ook in de financiële afspraken voor 2026–2028 is geld vrijgemaakt voor versterking van de rechtspraak en voor vernieuwingen die de werkdruk moeten verlagen.
Bron: Rijksoverheid
De Raad voor de rechtspraak plaatst grote vraagtekens bij het wetsvoorstel dat het dragen van gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties strafbaar moet maken.
Het wetsvoorstel
Het wetvoorstel voegt aan artikel 11 lid 1 van de Wet openbare manifestaties een sub c toe dat er – kort gezegd – toe strekt het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties als overtreding strafbaar te stellen.
In een recent uitgebracht wetgevingsadvies stelt de Raad dat de voorgestelde maatregel het demonstratierecht onder druk zet. Waar de wetgever spreekt van een gerechtvaardigde beperking van dit grondrecht, vindt de Raad dat de toelichting onvoldoende overtuigt. Volgens het advies zou de minister het voorstel in de huidige vorm niet moeten indienen, of het eerst ingrijpend moeten aanpassen.
Onvoldoende onderbouwing en risico op afschrikking
De Raad mist vooral een gedegen uitleg over waarom een strafbaarstelling noodzakelijk en proportioneel zou zijn. Argumenten die de overheid gebruikt — zoals veiligheidsgevoel, communicatieverbetering, het voorkomen van escalatie en een efficiëntere opsporing — worden volgens de Raad onvoldoende onderbouwd of sluiten niet aan bij de belangen die in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens worden beschermd. Daarbij wijst de Raad erop dat bestaande wetgeving en de bevoegdheden van burgemeesters al veel mogelijkheden bieden om mogelijke risico’s te beheersen.
Ook blijft onduidelijk waarom lichtere maatregelen, zoals identiteitscontrole of gerichte beperkingen rondom specifieke demonstranten, onvoldoende zouden zijn. Door deze twijfels vreest de Raad dat het wetsvoorstel te ver gaat en te breed is geformuleerd. Het kan bovendien een afschrikwekkend effect hebben: mensen zouden uit angst voor straf minder snel deelnemen aan demonstraties.
Problemen bij handhaving
Verder voorziet de Raad praktische problemen voor politie en handhavers. Het voorstel bevat uitzonderingen voor situaties waarin gezichtsbedekking wél toegestaan zou zijn, bijvoorbeeld om veiligheids- of gezondheidsredenen. Maar in de praktijk is moeilijk te beoordelen of iemand terecht een uitzondering claimt. De Raad vraagt zich af hoe de politie moet optreden wanneer deelnemers aan een vredige demonstratie toch hun gezicht bedekken: hoe stel je vast of dit geoorloofd is? En wat zijn de gevolgen voor de rust als de politie moet ingrijpen bij een verder ordelijke bijeenkomst?
Volgens de Raad is niet overtuigend aangetoond dat strafrechtelijke sancties op hun plaats zijn bij vreedzame demonstraties. Ook andere partijen, waaronder politie, Openbaar Ministerie en diverse burgemeesters, hebben hun zorgen geuit.
Advies: niet indienen of grondig aanpassen
Gezien alle bezwaren raadt de Raad voor de rechtspraak de minister aan het voorstel in de huidige vorm te laten varen, of het in elk geval substantieel te herzien. Een sterkere motivering en heldere toetsingscriteria zijn volgens de Raad noodzakelijk.
Bron: Raad voor de Rechtspraak
Het wetsvoorstel geeft de politie extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit het openbare deel van het internet en het online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. De politie zal deze bevoegdheden uitoefenen onder gezag en verantwoordelijkheid van de burgemeester die op zijn beurt voor deze inzet een machtiging nodig heeft van de rechter-commissaris.
Grootschalig en ongericht
In het voorstel staat volgens de Autoriteit Persoonsgegevens niet duidelijk genoeg dat een zoekopdracht voldoende beperkt moet zijn en welke online bronnen het geautomatiseerde systeem van de politie mag doorzoeken, wat voor systeem de politie daarbij mag gebruiken, en hoe ver de politie mag terugkijken in iemands leven. Het voorstel zet de deur te ver open voor grootschalige en ongerichte online monitoring van burgers. Het risico bestaat dat geautomatiseerde toepassingen – zoals crawlers en scrapers – steeds meer bronnen betrekken, ook via links naar andere websites. Dat kan ertoe leiden dat steeds dezelfde personen of groepen structureel onder een vergrootglas komen te liggen, zonder dat daar een concrete aanleiding voor is.
Bewaringstermijn gegevens
Gezien de mogelijk omvangrijke privacy-inbreuk is gekozen voor een strenger regime van gegevensbewaring dan die in de Wet politiegegevens. Het voorstel bepaalt dat gegevens die niet langer nodig zijn voor het doel van het onderzoek, worden vernietigd of gedurende een periode van maximaal een half jaar worden verwerkt om te bezien of zij aanleiding geven tot nieuw onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde of het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij het beramen of plegen van misdrijven. Dit komt zowel de Raad voor de rechtspraak als de AP tegenstrijdig voor. Enerzijds moeten de gegevens worden vernietigd als zij niet langer het doel dienen, te weten het voorkomen, beletten of beëindigen van de ernstige verstoring, maar anderzijds kunnen de gegevens worden gebruikt voor nader (strafrechtelijk) onderzoek.
Verhouding tot strafvorderlijke bevoegdheden
De voorgestelde bevoegdheden mogen niet mogen worden uitgeoefend voor een ander doel dan het voorkomen, beletten of beëindigen van een ernstige verstoring van de openbare orde. Inzetten van deze bestuursrechtelijke bevoegdheden voor opsporingsdoeleinden, levert détournement de pouvoir op. Dat onderscheid zal in de praktijk volgens de Rvdr nog lastig zijn, nu goed denkbaar is dat een gedraging die een ernstige verstoring van de openbare orde oplevert, ook een strafbaar feit is. Denk bijvoorbeeld aan openlijke geweldpleging, vernieling, mishandeling of wederspannigheid. Ook het oproepen tot een ordeverstoring kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren (opruiing). Wat de kwestie nader compliceert, is dat de voorgestelde bevoegdheden niet mogen worden ingezet met het oog op opsporing en vervolging, maar dat de gevonden gegevens wel mogen worden toegevoegd aan het strafdossier, waarna de korte vernietigingstermijn lijkt te vervallen.
Bron:
Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijkheid gegeven over een vraag die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2023 voorlegde. De centrale vraag was of de Afdeling in vreemdelingenzaken nog steeds gebruik mag maken van een verkorte motivering, wanneer een partij vraagt om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof over de uitleg van EU‑recht.
De Afdeling is als hoogste bestuursrechter verplicht om onduidelijkheden over Unierecht voor te leggen aan het Hof in Luxemburg. Van die verplichting mag zij alleen afwijken wanneer het antwoord al vaststaat in bestaande jurisprudentie, wanneer de uitleg van het EU‑recht evident is, of wanneer de vraag niet relevant is voor de beslissing in de zaak.
In het Nederlandse vreemdelingenrecht bestaat de mogelijkheid om uitspraken summier te motiveren. Volgens de Afdeling zit in zo’n korte motivering vanzelf besloten dat één van de uitzonderingen op de verwijzingsplicht van toepassing is.
Omdat vreemdelingen soms uitdrukkelijk verzoeken om prejudiciële vragen te laten stellen, wilde de Afdeling zekerheid dat een beperkte motivering in zulke situaties niet in strijd komt met het EU‑recht of het Europees Handvest. Daarom werd het Hof gevraagd of een verkorte uitspraak wel voldoet aan de Europese motiveringseisen.
Het Hof maakt in zijn arrest ondubbelzinnig duidelijk dat een hoogste nationale rechter altijd expliciet moet uitleggen waarom zij geen vragen aan het Hof stelt. Zelfs wanneer de nationale procedure toestaat dat een beroep wordt afgedaan met een beknopte motivering, moet daarin concreet en duidelijk worden aangegeven welke uitzondering op de verplichting tot verwijzen wordt toegepast en waarom die uitzondering geldt. Met andere woorden: een impliciete redenering voldoet niet. De rechter moet aantonen dat de keuze om niet te verwijzen bewust is gemaakt en juridisch is onderbouwd.
De behandeling van de zaak die aanleiding gaf tot de verwijzing (zaaknummer 202102327/1) lag stil in afwachting van het arrest uit Luxemburg. Nu het Hof zijn oordeel heeft gegeven, pakt de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling weer op. Een definitieve uitspraak in de nationale procedure volgt op een later moment.
Bron: Raad van State