Artikelen van Redactie
De afgelopen jaren zijn in Nederland voor diverse misdrijven de wettelijke strafmaxima verhoogd, soms aanzienlijk – zoals bij moord (van 20 naar 30 jaar) en doodslag (van 15 naar 25 jaar). Deze verhogingen komen voort uit veranderende maatschappelijke opvattingen en de wens om ernstiger normstelling en vergelding te benadrukken. Uit onderzoek van de VU en de Radboud Universiteit, uitgevoerd in opdracht van het WODC, blijkt echter dat rechters nauwelijks gebruikmaken van die hogere maxima. Zowel officieren van justitie als rechters blijven meestal binnen de strafbandbreedte die ook vóór de wetswijzigingen gebruikelijk was.
Het onderzoek werd gedaan naar aanleiding van een motie van Eerste Kamerlid Veldhoen, waarin werd gevraagd om ‘een integraal en wetssystematisch onderzoek’ naar de effecten van de stapeling van wetgeving die ‘heeft geleid tot een verzwaring van de sancties’. Ten grondslag aan deze motie lag een discussie over de noodzaak en effectiviteit van zwaardere straffen. Ook waren er zorgen over een mogelijke punitieve spiraal waarbij straffen steeds opnieuw worden verhoogd.
De wet
De strafmaxima zijn voor veel misdrijven verhoogd, maar de wetgever motiveert deze verhogingen vaak beperkt. De onderbouwing richt zich meestal op de ernst van het misdrijf of de verwachte signaal- of preventieve werking, maar een wetenschappelijke basis ontbreekt vaak. Ook zijn niet alle verhogingen goed afgestemd op andere strafmaxima, met als uitzondering de verhoging bij doodslag. Daarnaast is de regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling (vi) ingrijpend veranderd: vi wordt nu individueel beoordeeld en is beperkt tot maximaal twee jaar voor het einde van de straf.
Rechtsvergelijking
In omringende landen (o.a. België, Frankrijk, Noorwegen, Zweden, Zwitserland) zijn eveneens strafverhogingen doorgevoerd, maar de mate van onderbouwing varieert. Een goede vergelijking met andere misdrijven blijkt belangrijk voor de consistentie van een sanctiestelsel. Bovendien wijkt de Nederlandse vi-regeling sterk af: andere landen hanteren doorgaans vi na twee derde of soms zelfs de helft van de straf. Dit maakt internationale strafuitwisseling lastiger.
Praktijk
Bij een beperkt aantal misdrijven is gekeken naar het effect van verhoogde strafmaxima op de daadwerkelijke strafoplegging. Rechters en OM blijven doorgaans binnen de oude, vertrouwde bandbreedte. Alleen bij enkele misdrijven, zoals mensensmokkel, is een lichte stijging zichtbaar. Bij doodslag en mensenhandel zijn geen structurele veranderingen gevonden. Dit komt waarschijnlijk doordat officieren van justitie en rechters zich bij het bepalen van die strafmaat meestal richten op strafvorderingsrichtlijnen van het OM en oriëntatiepunten die in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht worden vastgelegd. Die worden niet altijd (direct) na een wetswijziging aangepast. De feitelijke tijd die in detentie wordt doorgebracht kan wel zijn toegenomen door de wijziging in de vi-regeling.
Gevolgen
Deze bevindingen hebben zowel positieve als negatieve kanten. Als positief kan worden gezien dat rechter onafhankelijk blijven en zich niet automatisch laten leiden door politieke wensen tot zwaarder straffen.Aan de andere kant kan worden gesteld dat rechters dus weinig reageren op maatschappelijke signalen die via strafmaxima worden vertaald, waardoor spanning kan ontstaan tussen wetgever en rechterlijke macht.
Wat zou de wetgever kunnen doen om de - kennelijk- veranderde waarden en normen in de strafoplegging terug te zien? De onderzoekers adviseren de verhogingen van strafmaxima beter ( wetenschappelijk) te onderbouwen. Ook zou het OM beter onderbouwde richtlijnen voor strafvordering kunnen ontwikkelen, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek naar strafdoelen, recidive en contextuele factoren. Tot slot zouden rechters in hun vonnis expliciet kunnen motiveren in hoeverre n hoeverre rekening is gehouden met verhogingen van het strafmaximum.
Bron: VU
Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijkheid gegeven over een vraag die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2023 voorlegde. De centrale vraag was of de Afdeling in vreemdelingenzaken nog steeds gebruik mag maken van een verkorte motivering, wanneer een partij vraagt om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof over de uitleg van EU‑recht.
De Afdeling is als hoogste bestuursrechter verplicht om onduidelijkheden over Unierecht voor te leggen aan het Hof in Luxemburg. Van die verplichting mag zij alleen afwijken wanneer het antwoord al vaststaat in bestaande jurisprudentie, wanneer de uitleg van het EU‑recht evident is, of wanneer de vraag niet relevant is voor de beslissing in de zaak.
In het Nederlandse vreemdelingenrecht bestaat de mogelijkheid om uitspraken summier te motiveren. Volgens de Afdeling zit in zo’n korte motivering vanzelf besloten dat één van de uitzonderingen op de verwijzingsplicht van toepassing is.
Omdat vreemdelingen soms uitdrukkelijk verzoeken om prejudiciële vragen te laten stellen, wilde de Afdeling zekerheid dat een beperkte motivering in zulke situaties niet in strijd komt met het EU‑recht of het Europees Handvest. Daarom werd het Hof gevraagd of een verkorte uitspraak wel voldoet aan de Europese motiveringseisen.
Het Hof maakt in zijn arrest ondubbelzinnig duidelijk dat een hoogste nationale rechter altijd expliciet moet uitleggen waarom zij geen vragen aan het Hof stelt. Zelfs wanneer de nationale procedure toestaat dat een beroep wordt afgedaan met een beknopte motivering, moet daarin concreet en duidelijk worden aangegeven welke uitzondering op de verplichting tot verwijzen wordt toegepast en waarom die uitzondering geldt. Met andere woorden: een impliciete redenering voldoet niet. De rechter moet aantonen dat de keuze om niet te verwijzen bewust is gemaakt en juridisch is onderbouwd.
De behandeling van de zaak die aanleiding gaf tot de verwijzing (zaaknummer 202102327/1) lag stil in afwachting van het arrest uit Luxemburg. Nu het Hof zijn oordeel heeft gegeven, pakt de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling weer op. Een definitieve uitspraak in de nationale procedure volgt op een later moment.
Bron: Raad van State
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie de wettelijke beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen ten onrechte met negen maanden heeft opgerekt. Daarmee komt een einde aan een langdurige procedure waarin het Europese Hof van Justitie eerst moest uitleggen hoe de EU‑Procedurerichtlijn op dit punt moet worden geïnterpreteerd.
Een Turkse asielzoeker diende in april 2022 een aanvraag in. Normaal is de minister verplicht binnen zes maanden een besluit te nemen. In deze zaak gebeurde dat niet: de minister koos ervoor de termijn met negen maanden te verlengen.
Volgens de minister was de verlenging noodzakelijk omdat het aantal lopende aanvragen zo groot was dat een zorgvuldige beoordeling binnen de standaardtermijn niet mogelijk was. De vreemdeling betwistte dat deze reden juridisch houdbaar was. Volgens hem voldeden de omstandigheden niet aan de strenge criteria die de Procedurerichtlijn stelt voor een dergelijke verlenging. In november 2023 legde de Afdeling bestuursrechtspraak deze vraag voor aan het Hof van Justitie in Luxemburg, omdat onduidelijk was hoe het begrip 'groot aantal verzoeken dat tegelijk wordt ingediend' precies moet worden uitgelegd.
Het Europese Hof stelde vast dat een lidstaat een beslistermijn alleen mag verlengen als wordt voldaan aan zeer specifieke voorwaarden:
-
Er moet sprake zijn van een plotselinge en uitzonderlijke stijging van het aantal aanvragen binnen een korte periode, vergeleken met wat normaal en voorzienbaar is.
-
Het moet door die plotselinge toestroom feitelijk onmogelijk worden om binnen zes maanden op aanvragen te beslissen.
Bovendien maakte het Hof duidelijk dat bepaalde omstandigheden geen grond vormen voor verlenging:
-
een langdurige, geleidelijke stijging van het aantal aanvragen;
-
structureel personeelstekort of bestaande achterstanden die al langere tijd spelen.
Met andere woorden: praktische problemen of organisatorische knelpunten zijn onvoldoende om af te wijken van de zesmaandstermijn.
Op basis van het arrest uit Luxemburg concludeert de Afdeling dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in 2022 voldeed aan de Europese vereisten. De verlenging van de beslistermijn met negen maanden had daarom niet mogen worden toegepast — niet alleen in de zaak van deze Turkse man, maar ook niet in andere dossiers waarop dezelfde verlengingsgrondslag was toegepast.
Concreet betekent dit:
-
De minister had in deze zaak binnen zes maanden moeten beslissen.
-
De uitbreiding naar vijftien maanden was in strijd met het EU‑recht.
-
De uitspraak kan gevolgen hebben voor een bredere groep asielzoekers bij wie dezelfde verlenging is toegepast.
Bron: Raad van State
Om de kwaliteit van de notariële dienstverlening in de komende jaren te kunnen waarborgen, is het essentieel dat er voldoende goed opgeleide notarissen beschikbaar blijven. Dat vereist dat het beroep aantrekkelijker wordt. Terwijl het aantal notarissen dat een eigen kantoor runt al jaren afneemt, blijkt dat notarissen die in loondienst werken weinig enthousiasme tonen om een onderneming over te nemen. Tegelijkertijd stijgt de behoefte aan notariële ondersteuning, onder meer door ontwikkelingen op de woningmarkt en de vergrijzing. Om zowel huidige beroepsbeoefenaars te behouden als nieuwe professionals aan te trekken, zijn verbeteringen nodig op het gebied van arbeidsvoorwaarden en digitale ondersteuning.
Dit alles komt naar voren uit onderzoek van Pro Facto, uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit in opdracht van het WODC. Het rapport vormt het tweede deel van de reeks Staat van het Notariaat. Waar het eerste deel (2024) zich richtte op de vraagkant van de markt, staat in dit deel juist de aanbodzijde centraal: de beroepsgroep zelf. Hierbij is gekeken naar zowel notaris-ondernemers als toegevoegd notarissen – die dezelfde bevoegdheden hebben maar in loondienst zijn – en kandidaat-notarissen, die nog geen akten zelfstandig mogen passeren.
Hoewel het totale aantal notarissen de afgelopen jaren licht is gegroeid, komt deze groei vooral voor rekening van kandidaat- en toegevoegd notarissen. Het aantal notarissen met een eigen praktijk daalt juist, en onderzoekers verwachten dat deze daling door de vergrijzing en de beperkte instroom verder zal doorzetten. Vooral buiten de Randstad kan dit in de nabije toekomst voor opvolgingsproblemen zorgen.
Ondertussen blijven burgers en bedrijven meer gebruikmaken van notariële diensten. Het aantal te passeren akten stijgt al langere tijd, mede door veranderingen op de woningmarkt, demografische ontwikkelingen en complexere gezinssituaties. Daarbovenop neemt de behoefte aan advies en begeleiding toe. De vraag is dan ook of de beroepsgroep op de langere termijn voldoende capaciteit heeft om deze groei op te vangen.
Huidige beroepsbeoefenaars beoordelen het beroep van notaris gemiddeld met een 6,3. Kandidaat-notarissen blijken kritischer dan toegevoegd notarissen en notaris-ondernemers. Hoewel men tevreden is over de inhoud van het vak en de maatschappelijke relevantie ervan, drukken verschillende factoren de aantrekkelijkheid: hoge werkdruk, aanzienlijke aansprakelijkheids- en tuchtrechtelijke risico’s en een grote hoeveelheid administratieve verplichtingen. De poortwachtersfunctie bij de bestrijding van witwassen en ondermijnende criminaliteit brengt bovendien veel verantwoordelijkheden en onzekerheden met zich mee.
Daarnaast spelen arbeidsvoorwaarden een rol. Zowel financiële als niet-financiële voorwaarden worden regelmatig als onvoldoende ervaren. Veel respondenten noemen een scheve werk-privébalans, beperkte flexibiliteit in werktijden, weinig mogelijkheden om parttime of thuis te werken en een beperkt aantal verlofdagen. Er leeft een wens voor een collectieve arbeidsovereenkomst, maar onder notaris-ondernemers is hiervoor weinig steun.
Om het notariaat toekomstbestendig te houden en voldoende instroom te garanderen, formuleren de onderzoekers verschillende aanbevelingen. De aantrekkelijkheid van het ondernemerschap verdient daarbij extra aandacht. De adviezen aan notariskantoren (N), de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) luiden als volgt:
-
Verbeter het werkgeverschap en de arbeidsvoorwaarden (N, KNB).
Mogelijke schaalvergroting kan nodig zijn om dit te realiseren. -
Dring de werkdruk terug (N, KNB).
Denk aan digitale hulpmiddelen en extra ondersteunend personeel, wat opnieuw kan leiden tot schaalvergroting. -
Herijk de poortwachtersrol van notarissen (JenV, KNB).
Ga in gesprek met de beroepsgroep over taken, verantwoordelijkheden, middelen en randvoorwaarden. -
Overweeg nieuwe benamingen voor ‘kandidaat-notaris’ en ‘toegevoegd notaris’ (JenV).
De huidige titels dekken de lading onvoldoende. -
Investeer in heldere voorlichting over tuchtrecht en verbeter klachtbehandeling (N, KNB).
Dit helpt om klachten te voorkomen en vermindert onzekerheid over tuchtrechtelijke risico’s. -
Herzie de toegangseisen en toelatingsprocedures (JenV en KNB).
Bron: WODC
Uit onderzoek van de Autoriteit Consument & Markt blijkt dat 61 procent van de grootste Nederlandse webwinkels nog steeds niet digitaal toegankelijk is. Voor mensen met een visuele of andere beperking betekent dit dat zij vaak geen bestelling kunnen plaatsen. De ACM testte hiervoor ongeveer honderd grote webwinkels en de websites van de grootste telecom‑ en energiebedrijven.
Sinds 28 juni 2025 geldt de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn, die moet garanderen dat mensen met een beperking gelijkwaardig kunnen deelnemen aan de digitale economie. De ACM houdt hierop toezicht bij e-handelsdiensten en communicatiediensten. Bedrijven die slecht presteren worden door de ACM aangesproken. Als zij geen verbetering laten zien, kan de toezichthouder handhavend optreden. Bij het toezicht betrekt de ACM nadrukkelijk ervaringsdeskundigen.
De eerste controles laten zien dat veel websites belangrijke drempels bevatten, zoals bestelknoppen die niet met het toetsenbord te bedienen zijn of captcha’s die voor hulpapparatuur niet toegankelijk zijn. Hierdoor komen gebruikers soms zelfs de website niet op. Daarnaast heeft 33 % van de sites ‘serieuze problemen’: bestellen kan wel, maar kost onnodig veel moeite omdat belangrijke informatie niet toegankelijk is.
Op haar website geeft de ACM praktische informatie over welke stappen bedrijven kunnen zetten om hun digitale toegankelijkheid te verbeteren.
Bron: ACM
Om discriminatie te kunnen meten en voorkomen zijn de afgelopen jaren zogenoemde fairness-methodes ontwikkeld. Onderzocht is hoe deze methodes overlappen met de manier waarop discriminatie juridisch wordt vastgesteld en hoe zij ingezet kunnen worden voor het meten en voorkomen van discriminatie in algoritmes.
Kwantitatieve methodes niet voldoende
Het onderzoek concludeert dat fairness-methodes overeenkomsten bevatten met de beoordelingskaders die worden gebruikt om vast te stellen of er juridisch sprake is van discriminatie. Deze kwantitatieve methodes alleen zijn echter niet voldoende om discriminatie aan te tonen. Discriminatie is namelijk geen technisch probleem dat (alleen) met technische aanpassingen opgelost kan worden. Het toetsen en voorkomen van discriminatie in algoritmes vereist multidisciplinaire samenwerking, actieve monitoring en verankering van het toetsen van discriminatie in de werkprocessen.
Helpende hand
Hoewel fairness-methodes op zichzelf dus niet volstaan, kunnen ze wel onderdeel zijn van de beoordeling of er sprake is van discriminatie. Op basis van het onderzoeksrapport reikt het College voor de Rechten van de Mens organisaties handvatten aan om deze methodes toe te passen zodat hun werkprocessen het recht op gelijke behandeling respecteren. Organisaties die fairness-methodes toepassen en hulp kunnen gebruiken bij de inzet hiervan om discriminatie tegen te gaan, kunnen contact opnemen met het College.
Directe discriminatie
Directe discriminatie in de context van algoritmes vindt plaats als een criterium van het algoritme ook een discriminatiegrond is, zoals geslacht of nationaliteit. Dit is dus eenvoudig te voorkomen door criteria die ook discriminatiegronden zijn niet mee te nemen in het algoritme.
Indirecte discriminatie
Of een algoritme indirect onderscheid maakt, is lastiger vast te stellen. Het gaat dan om op het oog neutrale variabelen waarvan het effect kan zijn dat sommige groepen daardoor relatief vaker geselecteerd worden. Als er geen objectieve rechtvaardiging bestaat om zo’n variabele te gebruiken, is sprake van indirecte discriminatie.
Eén van de manieren om indirect onderscheid vast te stellen is statistisch in kaart te brengen of variabelen een ongelijk effect hebben op beschermde groepen, bijvoorbeeld met fairness-methodes. Veelgebruikte methodes die verschillen tussen (beschermde) groepen in kaart brengen zijn group fairness-methodes.
Voorbeelden van dit soort methodes zijn het berekenen van selectieratio’s en misclassificatierisico’s voor verschillende groepen. Selectieratio’s kwantificeren of beschermde groepen vaker of minder vaak geselecteerd worden. Misclassificatieratio’s geven weer wie naar verhouding vaker onterecht wel of niet geselecteerd wordt. wordt. Dat wordt gedaan door te kijken naar valspositieven en valsnegatieven. Wordt er onderscheid gevonden waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is dan moet de onderliggende oorzaak worden gevonden.
Risico’s
Grofweg zijn er twee soorten oorzaken die het risico op discriminatie in algoritmes kunnen vergroten: verschillen in voorspelkracht en een statistisch verband tussen een discriminatiegrond en een doelvariabele.
Als een algoritme minder accuraat is voor bepaalde groepen dan heeft het algoritme een lage voorspelkracht voor deze groepen. In 2022 oordeelde het College bijvoorbeeld dat de inzet van antispieksoftware voor het surveilleren van tentamens kan leiden tot indirect onderscheid op grond van ras als de software slechter presteert voor mensen met een donkere huidskleur. De doelvariabele is datgene wat een algoritme probeert te voorspellen. Als er een statistisch verband is tussen de doelvariabele en een discriminatiegrond, dan zal een accuraat algoritme dit verband reproduceren.
Het onderzoek ‘Algoritmes en Discriminatie’ is te vinden op de website van het College.
Het kabinet wil de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken. Daarmee heeft de ministerraad op 20 maart jl. ingestemd. De wet geeft de overheid de bevoegdheid om mensen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen als zij mogelijk een terroristisch gevaar vormen maar het strafrecht geen of nog geen mogelijkheden biedt. Zonder aanpassing vervalt de huidige wet op 1 maart 2027.
De wet biedt de mogelijkheid tot het opleggen van een meldplicht, een gebiedsverbod of een contactverbod aan personen met een terroristisch dreigingsprofiel. Het gaat daarbij om personen die op grond van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarnaast kan een uitreisverbod worden opgelegd, waarmee iemand wordt verboden het Schengengebied te verlaten indien het vermoeden bestaat dat deze zich als doel heeft zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. In de permanente wet zal de maatregel om subsidies en vergunningen in te trekken vervallen, nu deze sinds de invoering nooit is ingezet.
Raad van State negatief
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zowel over de invoering van de tijdelijke wet, als over de verlenging daarvan kritisch geadviseerd. Reden daarvoor was dat nut en noodzaak van de wet niet overtuigend waren gemotiveerd, terwijl de wet wel kan leiden tot een inperking van grondrechten en het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie. De Afdeling advisering merkt in haar op 25 februari jl. uitgebrachte advies op dat er nu, net als eerder bij de verlenging, opnieuw een kritisch evaluatierapport ligt. De onderzoekers trekken daarin de algemene conclusie dat de tijdelijke wet geen noodzakelijk instrument is in de bestrijding van terroristische activiteiten. De Afdeling advisering ziet geen reden om af te zien van de eerder naar voren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen, temeer niet nu wordt voorgesteld de wet permanent te maken.
Dreigingsbeeld
Sinds de inwerkingtreding van de tijdelijke wet in 2017 is de aard van de terroristische dreiging in Nederland veranderd. Bij de totstandkoming van de wet ging deze dreiging vrijwel geheel uit van het jihadisme. Inmiddels zijn ook andere vormen van dreiging, zoals de dreiging van personen uit rechts-terroristische hoek, opgekomen. Dat roept de vraag op of de in de wet opgenomen bevoegdheden passen bij het huidige dreigingsbeeld. De Afdeling advisering vindt dus dat in de toelichting nader in moet worden gegaan op de wijze waarop de bestuurlijke maatregelen aansluiten bij de veranderende aard van de dreiging.
Bron: rijksoverheid.nl
Met het wetsvoorstel wil de regering een helder kader creëren voor het proces van gereedstelling van de krijgsmacht. Daarbij worden verschillende wettelijke belemmeringen weggenomen die nu nog activiteiten in de fysieke leefomgeving beperken. Ook regelt het voorstel de verwerking van (persoons)gegevens die nodig zijn voor de gereedstelling en bevat het specifieke bepalingen over personeel en inkoop.
Internationale veiligheid
Het wetsvoorstel moet worden gezien tegen de achtergrond van de snel veranderende internationale veiligheidssituatie. Door deze ontwikkelingen is het mogelijk dat Europa, en daarmee ook Nederland, op relatief korte termijn betrokken raakt bij een grootschalig militair conflict. Daarom is een versnelde gereedstelling, groei en versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Dit betekent onder andere dat Defensie op korte termijn vaker en intensiever moet kunnen oefenen binnen Nederland. Denk daarbij aan realistische oefeningen met drones boven militaire terreinen, laagvliegoefeningen met helikopters en nachtvluchten vanaf militaire luchthavens.
De Afdeling advisering begrijpt de noodzaak van het wetsvoorstel en onderschrijft de gekozen aanpak, maar plaatst in haar advies enkele kanttekeningen waarmee de regering rekening zou moeten houden voordat het voorstel aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.
Deze opmerkingen richten zich onder meer op het versterken van maatschappelijk draagvlak, het bieden van een langetermijnperspectief en het bewaken van de balans tussen publieke waarden en belangen. Om die balans te waarborgen, adviseert de Afdeling om bepaalde onderdelen van de wettekst aan te passen.
De effectiviteit van het wetsvoorstel zal in grote mate afhangen van het draagvlak in de samenleving voor de gereedstelling van de krijgsmacht. Er is behoefte aan een breed gedeeld gevoel van urgentie en collectief bewustzijn om medewerking te krijgen van overheden, maatschappelijke organisaties en burgers. Dit vraagt om een inzet van het gehele kabinet, met actieve betrokkenheid en gedeelde verantwoordelijkheid. De Afdeling adviseert de regering om in de toelichting bij het wetsvoorstel concreet toe te lichten hoe zij dit draagvlak wil versterken.
Bron: Raad van State
In 2025 is het aantal advocaten in Nederland met 1,7% gegroeid tot 19.046, de grootste groei in tien jaar. De groei verschilt regionaal sterk: Noord-Holland groeit het snelst (3%), terwijl Den Haag en Zeeland-West-Brabant nauwelijks toenemen. In totaal kwamen er 323 advocaten bij, waarvan 118 in Amsterdam, dat met 6.788 advocaten veruit het grootste arrondissement blijft.
Hoewel de landelijke groei positief is, is de verdeling scheef. Ten opzichte van 2016 daalde het aantal advocaten in vijf van de elf arrondissementen. Amsterdam heeft bijna 6 advocaten per 1.000 inwoners, terwijl Noord-Nederland en Overijssel het met minder dan een halve advocaat moeten doen.
Het aantal advocaat-stagiairs steeg in 2025 naar 1.139, een groei van 27% ten opzichte van vijf jaar eerder. Van de nieuw beëdigde advocaten is 62% vrouw. De balie bestaat momenteel uit 53% mannen en 47% vrouwen, met de verwachting dat het aandeel vrouwen verder zal stijgen.
Het totaal aantal advocatenkantoren groeit nauwelijks. Driekwart van de kantoren bestaat uit één of twee advocaten, maar juist deze groep krimpt. Daartegenover staat een duidelijke groei van grotere kantoren (33–64 advocaten), vooral in Rotterdam. In Den Haag verdwenen de meeste kantoren (-16).
Ondanks de algemene groei daalt het aantal sociaal advocaten verder. In 2025 waren er 4.369 advocaten met minimaal tien toevoegingen, bijna 10% minder dan zes jaar geleden. Vooral in regio’s als Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe, en Delfzijl is het aanbod kritiek. Dit wordt door de Nederlandse orde van advocaten als zorgwekkend bestempeld.
Sommige specialismen, zoals het asiel- en vluchtelingenrecht, kampen met vergrijzing: 31% van de advocaten is 60-plus, terwijl er vrijwel geen jonge instroom is (slechts één advocaat onder de 30). Dit kan leiden tot toekomstige tekorten.
Bron: Balie in Beeld 2026