Artikelen van Redactie

Nieuws
Jaarverslag en jaarbericht Rechtspraak

Naast de gebruikelijke cijfers is een rode draad in dit jaarverslag dat de Rechtspraak op allerlei manieren bezig is om rechtspraak beter aan te laten sluiten op wat de samenleving nodig heeft. Zo komen de verbeterde digitale toegang tot de rechter, wijkrechtspraak in wijkcentra en buurthuizen en het voorkomen van escalatie van conflicten en een onnodige gang naar de rechter door de inzet van mediation aan de orde. En ook het online platform voorRecht-rechtspraak, uitgeroepen tot beste overheidsinnovatie van het jaar, waar met een verkenner en chatbot jurisprudentie, tips en andere informatie wordt ontsloten. Een initiatief dat ooit is begonnen om hulp te bieden bij conflicten en problemen binnen VVE's, maar inmiddels ook informatie biedt rondom het thema (ver)bouwen en op termijn voor nog meer onderwerpen. 

De Rechtspraak heeft ook oog voor knelpunten in wetgeving en uitvoering. In het jaarverslag worden bijvoorbeeld de effecten van het stikstofdossier besproken en van de aanhoudende tekorten in de jeugdketens.

De Rechtspraak moet volgens Naves ook niet bang zijn om zelf in de spiegel te kijken en het lef hebben om zelf haar grootste criticus te zijn. Doen we dingen omdat we er écht achter staan, of vooral omdat we het altijd zo hebben gedaan? Die laatste gedachte was in zijn ogen een kiem voor de toeslagenaffaire en hij vindt dat de harde lessen die daaruit zijn getrokken nog veel breder kunnen worden toegepast. Want waarom worden in Nederland veel meer verdachten in voorlopige hechtenis geplaatst dan elders in Europa? En zijn korte gevangenisstraffen eigenlijk wel effectief? Hoe kunnen de Rechtspraak ervoor zorgen dat ze meer oog heeft voor zaken waarbij sprake is van intieme terreur of femicide? Moeten de Rechtspraak zich niet veel kwetsbaarder opstellen en harder durven zeggen dat ook de onafhankelijke, onpartijdige en kundige rechter een mens van vlees en bloed is met onbewuste vooroordelen? Het onder ogen zien van dit soort vragen is noodzakelijk om recht te doen aan het vertrouwen dat de samenleving in de Rechtspraak stelt.

Aantal zaken

In 2025 kwamen bij de gerechten bijna 1,47 miljoen nieuwe zaken binnen, ongeveer gelijk aan het aantal in 2024. Bij de rechtbanken ging het om 1,42 miljoen zaken. De gerechtshoven en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontvingen samen 45.500 zaken. In 2025 zijn 1,45 miljoen zaken door de gerechten afgehandeld.

De grootste stijging in inkomende zaken was te zien bij vreemdelingenzaken bij de rechtbanken (+23 procent). De sterkste daling was bij belastingzaken bij de rechtbanken (-32 procent). 

Van de nieuw binnengekomen zaken ging het bij de rechtbanken bij 66 procent om kantonzaken. Bij de gerechtshoven en CRvB bestond het grootste deel (55 procent) uit strafzaken.

Mensen

Eind 2025 werkten en ruim 13.536 mensen bij de Rechtspraak: 2.715 rechters/raadsheren en ruim 10.821 gerechtsambtenaren. Er zijn meer vrouwelijke (62 procent) dan mannelijke rechters (38 procent). Dit geldt voor alle functies en in vrijwel alle leeftijdscategorieën. Ook onder gerechtsambtenaren zijn vrouwen oververtegenwoordigd (71 procent). Alleen in de leeftijdscategorie vanaf 65 jaar en ouder zijn mannen in de meerderheid. 

Hoger beroep

Het percentage zaken waarbij men in hoger beroep gaat, is de afgelopen jaren stabiel. In civiel recht lag het percentage op 10 procent, in bestuursrecht 42 procent, en in strafrecht 11 procent.

Meervoudige kamer

Wat betreft het percentage zaken dat meervoudig wordt behandeld, is dit over het algemeen stabiel. Bij rechtbanken varieert het percentage meervoudige zittingen per rechtsgebied, bijvoorbeeld 6 procent in civiel handel en 17 procent in strafrecht. Bij de gerechtshoven worden verreweg de meeste zaken meervoudig afgedaan. 

Wraking

In 2025 werden 714 wrakingsverzoeken ingediend, waarvan er acht werden toegewezen. Slechts een gering deel van de wrakingsverzoeken wordt daadwerkelijk gehonoreerd, de laatste vijf jaar gemiddeld tussen de één en drie procent per jaar.  

Publiceren van meer uitspraken

In 2025 publiceerde de Rechtspraak in totaal 71.300 uitspraken op rechtspraak.nl, waarmee het aantal gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl opnieuw groeide. 

Datalekken

In 2025 zijn in totaal 549 datalekken gemeld bij externe toezichthouders.

Bron: rechtspraak.nl

23 april 2026
Nieuws
WODC-rapport: Nieuwe regels voor advocaten moeten rechtshulp betaalbaarder en toegankelijker maken

Het onderzoek bouwt voort op een WODC-rapport uit 2023 over alternatieve bedrijfsstructuren in de advocatuur. Daarin werd vooral naar regelgeving in een aantal andere landen gekeken op het gebied van juridische dienstverlening als inspiratie voor de nodige vernieuwing in Nederland. 

Huidige praktijkstructuren

De huidige regels voor organisatievormen laten deelname van niet-advocaten in het kapitaal en bestuur van een advocatenkantoor maar zeer beperkt toe. Bij wijze van uitzondering mogen advocaten in dienst van rechtsbijstandverzekeraars voor verzekerden optreden. Er is ook een uitzondering voor advocaten in dienst van ideële organisaties, die de leden van die organisaties mogen bijstaan. De mogelijkheden voor advocaten om met andere professionals samen te werken, zijn eveneens sterk beperkt.

Deze regelgeving waarborgt de professionele onafhankelijkheid van advocaten, een belangrijke waarde voor de beroepsgroep. Ze is echter minder gericht op de toegankelijkheid van de juridische dienstverlening. In de praktijk sluit het aanbod van advocatendiensten onvoldoende op de vraag aan. Met name mensen met lage en middeninkomens en het (kleinere) midden- en kleinbedrijf hebben daardoor minder makkelijk toegang tot advocatendiensten. De bestaande regels staan nieuwe organisatievormen die voor een betere dienstverlening voor deze groepen kunnen zorgen, in de weg.

Nieuwe praktijkstructuren

De onderzoekers noemen drie nieuwe vormen die, met de nodige waarborgen, op korte termijn al kunnen bijdragen aan toegankelijke en betaalbare rechtshulp voor iedereen. In-huis advocaten van schaderegelingkantoren zouden ook hulp kunnen bieden aan niet-verzekerden. Hiervoor loopt al een experiment.

Een andere vernieuwing betreft de sociale rechtshulp, waarin nu veel zelfstandige advocaten werken. Daarvoor kan het helpen als er meer overkoepelende stichtingen komen, die de advocaten in dienst nemen. De derde vernieuwing gaat over het oprichten van netwerkorganisaties tussen zelfstandige advocaten of advocatenkantoren, die overkoepelende zaken zoals backoffice samen kunnen regelen. Dit is al toegestaan onder de huidige regelgeving, maar de voorwaarden waaronder dit kan, zijn voor de beroepsgroep onvoldoende duidelijk.

Op middellange termijn bepleiten de onderzoekers nog verdergaande versoepelingen. Zoals deelname van niet-advocaten in het kapitaal van een advocatenkantoor en samenwerking van advocaten met andere professionals.

Aanpassing regels

Om nieuwe organisatievormen mogelijk te maken, zijn versoepeling van de regels en nieuwe waarborgen om de onafhankelijkheid te beschermen, nodig. De onderzoekers ontwikkelden hiervoor een beoordelingskader. Daarmee kan worden bepaald aan welke voorwaarden eventuele nieuwe praktijkstructuren moeten voldoen. Ook maakten zij een stappenplan waarmee de innovaties in meerdere fasen kunnen worden ingevoerd.

De Nederlandse Orde van Advocaten NOvA maakt de regels voor de praktijkstructuren. Voor de gewenste innovaties dient de NOvA niet alleen naar de belangen van de advocatuur zelf te kijken, maar ook naar het maatschappelijk belang van toegankelijke rechtshulp. Dat behoort volgens de onderzoekers ook tot de taak van de NOvA. De onderzoekers pleiten er verder voor dat op termijn een onafhankelijke instantie de bevoegdheid krijgt om praktijkstructuren te reguleren op termijn aan wordt overgedragen.

Bron: WODC

23 april 2026
Nieuws
RvS: Derden kunnen belanghebbenden zijn bij boetebesluiten

Belanghebbende

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn geen afzonderlijke regels opgenomen die de positie van derden regelt bij procedures voor de totstandkoming van boetebesluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak gaat er daarom vanuit dat de wetgever heeft willen aansluiten bij de bepalingen over belanghebbendheid die in de Awb zijn opgenomen. Als derden dus willen deelnemen aan een procedure over een boetebesluit, dan zal moeten worden vastgesteld of zij belanghebbende zijn in de zin van de Awb. Het is niet vereist dat zij eerder een handhavingsverzoek hebben ingediend. Op dit punt wijkt de Afdeling bestuursrechtspraak af van de conclusie van de advocaat-generaal.

Rechtstreeks

Dit betekent dat in elk concreet geval onder meer zal moeten worden vastgesteld of er een oorzakelijk en dus rechtstreeks verband is tussen het belang van een derde en het boetebesluit. De bestraffende aard van de bestuurlijke boete staat daaraan niet in de weg. Een boete kan – naast leedtoevoeging – ook gevolgen hebben die te maken hebben met de gewenste beëindiging van de overtreding. Die gevolgen kunnen onder omstandigheden de belangen van anderen raken. Als dat het geval is, hebben zij een rechtstreeks belang bij het boetebesluit.

Gevolg uitspraak

Als belanghebbenden deelnemen aan de procedure over een boetebesluit kan dat gevolgen hebben die op gespannen voet staan met de waarborgen die een overtreder in de procedure heeft op grond van (inter)nationale regels. De Afdeling bestuursrechtspraak wijst erop dat voor de oplossing van in ieder geval een deel van deze gevolgen kan worden aangesloten bij bestaande regelingen in de Awb, bijvoorbeeld op het punt van beperkte kennisneming van stukken door derden.

Terugkoppeling aan de wetgever

Het is aan de wetgever om te beoordelen of zij bepaalde gevolgen over de toelating van derden in procedures over boetebesluiten onwenselijk vindt. Als dat het geval is, is het ook aan de wetgever om te bezien of, en zo ja op welke wijze die gevolgen kunnen worden beperkt of voorkomen.

Concrete zaak

De uitspraak is gedaan in een zaak over een bestuurlijke boete die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft opgelegd aan een transportonderneming vanwege het overtreden van de regels over rusttijden voor chauffeurs. De boetezaak werd mede aan het rollen gebracht door een onderzoek van FNV. FNV wilde vervolgens betrokken blijven bij het boetebesluit, maar volgens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat was de vakbeweging geen belanghebbende. De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot het oordeel dat FNV wel belanghebbende is bij het boetebesluit.

Bron: Raad van State

23 april 2026
Nieuws
Autoriteit Persoonsgegevens vraagt input op concept handhavingsbeleid

Onder organisaties blijken vragen te leven over de handhavingsprocedure van de AP en wat zij kunnen verwachten tijdens zo’n procedure. Met het opstellen van een (concept)handhavingsbeleid wil de AP hierover meer duidelijkheid geven.

Het concepthandhavingsbeleid beschrijft:

  • de uitgangspunten die de AP hanteert in de handhavingsfase;

  • de handhavingsinstrumenten die de AP kan besluiten in te zetten;

  • de factoren die een rol spelen bij de inzet van deze handhavingsinstrumenten;

  • het verloop van de handhavingsprocedure;

  • de voorwaarden voor afdoening (beëindigen van de zaak) in overleg tussen de AP en de overtreder, en het verloop van die procedure;

  • de samenwerking met andere toezichthouders.

Input welkom

De AP nodigt experts, belanghebbenden en geïnteresseerden uit om te reageren op het concepthandhavingsbeleid. De reacties gebruikt de AP om het conceptbeleid waar nodig te verbeteren en verduidelijken. Daarna stelt de AP de definitieve versie van het beleid vast. Het definitieve handhavingsbeleid wordt in zowel de Staatscourant als op de website van de AP gepubliceerd. Het handhavingsbeleid gaat in op de datum van publicatie in de Staatscourant.

Stuur uw reactie naar handhavingsbeleid@autoriteitpersoonsgegevens.nl.

De AP publiceert een weergave op hoofdlijnen van de ontvangen reacties. Dit zonder namen van personen of organisaties en contactgegevens.

 

Bron: AP

22 april 2026
Nieuws
Burgemeester mocht demonstratie niet beperken tot maximaal 10 deelnemers

De Partij voor de Dieren wilde op maandag 23 september 2024 tussen 15.00 uur en 17.00 uur met 20 personen demonstreren voor de ingang van Decathlon en Intersport, aan de Grote Marktstraat in Den Haag. Met de demonstratie wilde zij aandacht vragen voor de misstanden bij de jacht op kangoeroes, mensen informeren over het gebruik van kangoeroeleer door winkels zoals de Decathlon en Intersport en handtekeningen verzamelen voor een petitie tegen het gebruik en de import van kangoeroeleer.

De burgemeester van Den Haag stelde echter beperkingen aan de demonstratie. Om wanordelijkheden te voorkomen en veilige verkeersstromen te waarborgen, bepaalde hij dat tien personen aan de demonstratie mochten deelnemen. Hij verwees daarvoor naar het demonstratiebeleid, waarin het uitgangspunt staat dat demonstraties van meer dan tien personen in het kernwinkelgebied niet worden toegestaan. 

De rechtbank vindt het op zichzelf niet in strijd met de demonstratievrijheid om voor verschillende gebieden als uitgangspunt een maximumaantal demonstranten in beleid op te nemen. Maar de rechtbank stelt vast dat het beleid voor het kernwinkelgebied in Den Haag, gaat over een behoorlijk groot gebied dat erg verschilt per straat of locatie. Het beleid maakt echter geen onderscheid naar locatie in het kernwinkelgebied en ook niet naar de aard of het tijdstip van de demonstratie. Dit terwijl het voor te stellen is dat bij een statische demonstratie op een relatief rustig tijdstip de risico’s niet vanzelfsprekend zijn en niet dezelfde impact hebben op elke locatie binnen het gebied. Waarom in het beleid voor een maximumaantal van tien demonstranten is gekozen, is daarom onduidelijk.

Op het moment dat er in het beleid wordt gekozen voor een heel specifiek aantal waarbij te weinig onderscheid wordt gemaakt naar locatie en tijdstip, is niet uit te sluiten dat er een zogenoemd 'chilling effect' ontstaat. Het beleid kan voor de burgemeester daarom geen houvast bieden om de demonstratie te beperken. De burgemeester heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de omstandigheden op de beoogde locatie maken dat het noodzakelijk was om het aantal demonstranten te beperken tot tien personen. 

ECLI:NL:RBDHA:2026:9586

Bron: rechtspraak.nl

22 april 2026
Nieuws
Met wet die LGBTI+-ers stigmatiseert en marginaliseert heeft Hongarije Unierecht geschonden

Met de wet uit 2021 ‘tot invoering van strengere maatregelen tegen pedofiele delinquenten en tot wijziging van bepaalde wetten ter bescherming van kinderen’ heeft Hongarije verschillende nationale wetten gewijzigd om minderjarigen te beschermen. Deze wijzigingen verbieden of beperken in essentie de toegang tot inhoud, in het bijzonder op audiovisueel gebied en in de reclame, waarin afwijkingen van de met het geboortegeslacht overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering of homoseksualiteit worden afgebeeld dan wel gepromoot. In een beroep wegens niet-nakoming dat door de Europese Commissie is ingesteld, komt het Hof van Justitie tot het oordeel dat Hongarije het Unierecht op verschillende, afzonderlijke punten heeft geschonden: het primaire en het afgeleide recht betreffende diensten in de interne markt, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 2 VEU en de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Het Hof constateert onder meer voor het eerst, een afzonderlijke schending van artikel 2 VEU, het artikel waarin de waarden staan waarop de Europese Unie is gegrondvest en die alle lidstaten gemeen hebben. De aspecten van de wijzigingswet die gericht zijn op inhoud die afwijkingen van de met het geboortegeslacht overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering en homoseksualiteit afbeeldt of promoot, vormen namelijk een gecoördineerd geheel van discriminerende maatregelen die op duidelijke en bijzonder ernstige wijze afbreuk doen aan de rechten van niet-cisgender personen, waaronder transgenders, of niet-heteroseksuele personen, alsook aan de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren.

HvJ EU 21 april 2026 zaak C-769/22, ECLI:EU:C:2026:326, Commissie/Hongarije (Waarden van de Unie) 

bron: curia.europa.eu

21 april 2026
Nieuws
Raad van State waarschuwt: beleid mag toekomst niet blijven doorschuiven

Besluiten van vandaag werken door tot ver in de toekomst, maar in het overheidsbeleid krijgen die langetermijngevolgen nog te weinig gewicht. Dat concludeert de Raad van State in zijn jaarverslag over 2025. Volgens de Raad is het noodzakelijk dat de overheid structureel rekening houdt met de belangen van komende generaties en niet uitsluitend handelt vanuit de behoeften van het heden. Centraal in de jaarlijkse algemene beschouwing staat het beginsel van intergenerationele rechtvaardigheid. Dat uitgangspunt houdt in dat de huidige generatie verplicht is om natuurlijke hulpbronnen, economische mogelijkheden en maatschappelijke stabiliteit zodanig te beheren dat toekomstige generaties niet met onevenredige lasten worden opgezadeld.

Politieke focus te sterk gericht op korte termijn
|De Raad van State constateert dat regering en parlement zich vaak laten leiden door acute problemen en politieke actualiteit. Dat is verklaarbaar, maar volgens de Raad onvoldoende bij vraagstukken die zich uitstrekken over meerdere decennia. Het gaat daarbij onder meer om het pensioenstelsel, klimaatbeleid, migratie en de woningmarkt. Hoewel er initiatieven bestaan die proberen toekomstige belangen zichtbaarder te maken in het beleid, blijven die volgens de Raad fragmentarisch. Ze zijn vaak niet vast verankerd in besluitvormingsprocessen en missen samenhang. Daardoor is aandacht voor volgende generaties geen vast uitgangspunt, maar afhankelijk van politieke bereidheid op een bepaald moment.

Structurele aandacht vraagt om nieuwe instrumenten
Om toekomstgericht denken steviger te verankeren, pleit de Raad voor aanpassing van bestaande democratische praktijken. Zo kan langdurige burgerparticipatie, bijvoorbeeld via structurele burgerberaden, helpen om maatschappelijke keuzes breder en toekomstbestendiger te maken. Daarnaast noemt de Raad de invoering van specifieke functies of rollen, zoals een toekomstambassadeur binnen beleidsdomeinen of een onafhankelijke vertegenwoordiger voor toekomstige generaties. Ook wordt gewezen op het belang van systematisch gebruik van toekomstverkenningen en scenariomodellen. Omdat toekomstige belangen en omstandigheden vaak onzeker zijn, kan scenariodenken — zoals bijvoorbeeld future design — inzicht bieden in welke mogelijke rechten en belangen in de toekomst op het spel kunnen komen te staan. Dergelijke methoden maken zichtbaar welke risico’s en kansen huidige beslissingen op de lange termijn met zich meebrengen.

Grondwet als mogelijk ankerpunt
Een opvallend onderdeel van de beschouwing is de suggestie om te onderzoeken of de bescherming van toekomstige generaties expliciet in de Grondwet kan worden opgenomen. Een dergelijke bepaling zou richtinggevend kunnen zijn voor wetgeving, beleid en rechtspraak.  Tegelijkertijd benadrukt de Raad dat zo’n stap zorgvuldig moet worden afgewogen, omdat de Nederlandse Grondwet traditioneel terughoudend van opzet is. Volgens de Raad biedt het bestaande constitutionele kader overigens al aanknopingspunten: sociale grondrechten veronderstellen impliciet dat de overheid werkt aan duurzame levensvoorwaarden. Door dit explicieter te benoemen in wetsvoorstellen en toelichtingen kan dat uitgangspunt aan kracht winnen.

Langetermijnbeleid vraagt om politieke stabiliteit
De Raad van State wijst ook op het belang van politiek draagvlak over kabinetsperiodes heen. Meerjarige afspraken tussen parlement en maatschappelijke sectoren kunnen zorgen voor continuïteit op dossiers die essentieel zijn voor de toekomstige ontwikkeling van het land. In dat kader ziet de Raad ook voor zichzelf een verantwoordelijkheid. De Afdeling advisering kan in haar adviezen nadrukkelijker aandacht besteden aan de vraag of voorgestelde wetgeving voldoende toekomstbestendig is.

Werkzaamheden Raad van State in 2025
Naast de inhoudelijke beschouwing bevat het jaarverslag cijfers over de werkzaamheden van de Raad van State. In 2025 bracht de Afdeling advisering in ruim driehonderd zaken advies uit. De meeste adviezen werden binnen enkele maanden afgerond en een meerderheid bevatte geen inhoudelijke opmerkingen.
De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde dat jaar bijna 11.000 zaken. De gemiddelde doorlooptijd kwam uit op 36 weken. Woningbouwzaken kregen opnieuw prioriteit binnen het omgevingsrecht, een regeling die inmiddels is verlengd tot de zomer van 2026 vanwege het grote maatschappelijke belang.

 

Bron: raadvanstate.nl

16 april 2026
Nieuws
WODC: Parlementaire betrokkenheid bij voor- en nahangprocedures kan verbeterd worden

Bij gedelegeerde regelgeving, zoals algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, speelt het parlement een andere rol dan bij formele wetgeving. Deze regels worden niet behandeld door de Tweede en Eerste Kamer, omdat zij juist zijn bedoeld om sneller tot stand te komen, flexibel te kunnen inspelen op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen en het wetgevingsproces te ontlasten. Toch kan het parlement invloed uitoefenen wanneer dat wenselijk wordt geacht, bijvoorbeeld via een voorhangprocedure waarbij een ontwerpregeling vooraf wordt voorgelegd, of een nahangprocedure waarbij dit achteraf gebeurt. Een dergelijke betrokkenheid is echter alleen mogelijk als de wet waarin de delegatie is geregeld daar expliciet ruimte voor biedt. Als uitgangspunt geldt daarbij dat deze procedures spaarzaam worden toegepast.

In opdracht van het WODC voerden de Rijksuniversiteit Groningen en de Vrije Universiteit Amsterdam een verkennend onderzoek uit naar de inzet van voor- en nahangprocedures. Zij brachten in kaart hoe vaak deze vormen van parlementaire betrokkenheid in bestaande wetgeving voorkomen en in hoeverre zij in de praktijk daadwerkelijk worden benut. In de Aanwijzingen voor de regelgeving, die dienen als kwaliteitsnorm voor wet- en regelgeving, is vastgelegd dat parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving geen vanzelfsprekendheid is. Alleen als daarvoor bijzondere redenen bestaan, hoort een dergelijke procedure in de wet te worden opgenomen. Ook bevatten de Aanwijzingen voorbeeldbepalingen die richting geven aan een uniforme vormgeving.

Uit het onderzoek blijkt dat in 569 wettelijke bepalingen is vastgelegd dat het parlement op een of andere manier wordt betrokken bij gedelegeerde regelgeving. In de meeste gevallen gaat het om een beperkte vorm, waarin Kamerleden gedurende een vastgestelde termijn de mogelijkheid hebben om vragen te stellen of een debat aan te vragen. De manier waarop deze procedures juridisch zijn ingericht, verschilt echter sterk. Die variatie wijkt af van de veronderstelde uniformiteit in de Aanwijzingen voor de regelgeving en maakt het voor Kamerleden minder inzichtelijk wat er van hen wordt verwacht en welke handelingsruimte zij hebben.

Daarnaast blijkt dat in een groot deel van de wetten niet wordt toegelicht waarom een voor- of nahangprocedure noodzakelijk wordt geacht. Daardoor is moeilijk vast te stellen of de beoogde terughoudendheid bij het opnemen van zulke procedures daadwerkelijk wordt nageleefd. Wel laten de cijfers zien dat gedelegeerde regelgeving met enige regelmaat aan het parlement wordt voorgelegd. In meer dan de helft van de gevallen leidt dat niet tot vragen of debat en neemt de Tweede Kamer het voorstel voor kennisgeving aan. Dat gegeven betekent echter niet dat parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving geen waarde heeft. Volgens de onderzoekers kan juist de complexiteit en versnippering van de huidige procedures de effectiviteit van de controle beperken. Een eenvoudiger en meer uniforme aanpak zou de inzichtelijkheid vergroten en het parlement beter in staat stellen zijn controlerende rol daadwerkelijk te benutten.

Bron: WODC

14 april 2026