Artikelen van Redactie
De vraag naar sociaal-medische beoordelingen is al jaren fors groter dan het aantal beoordelingen dat UWV kan verrichten. Dit komt doordat er te weinig verzekeringsartsen zijn. Tegelijk neemt het aantal aanvragen toe. In 2026 krijgt UWV naar verwachting 40.000 meer aanvragen voor een sociaal-medische beoordeling dan UWV kan beoordelen. UWV moet binnen zestien weken een besluit nemen over een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Lukt dat niet, dan kunnen mensen UWV in gebreke stellen. Dit kan leiden tot een bestuurlijke dwangsom. Door de groeiende achterstand in het beoordelen van aanvragen is het niet realistisch dat UWV deze termijn de komende jaren haalt. De dwangsom dient daarom niet meer het doel waar die voor bedoeld is. Om die reden worden voorbereidingen getroffen om de bestuurlijke dwangsom in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) tijdelijk af te schaffen. Mensen kunnen wel nog steeds naar de rechter stappen als zij dat nodig achten. Om meer beoordelingen uit te kunnen voeren wordt een groter deel van de taken uitgevoerd door andere professionals. Om dit te bereiken zorgt UWV er op korte termijn voor dat HBO-professionals meer zelfstandig taken mogen gaan uitvoeren. Daarnaast wordt er gewerkt aan een andere taakverdeling. Andere professionals gaan onder verantwoordelijkheid van de verzekeringsarts meer taken uitvoeren. Tegelijkertijd start het Ministerie van SZW samen met beroepsverenigingen en UWV een verkenning naar de toekomstige rolverdeling voor de lange termijn. Hiervoor zal in de toekomst bestaande wet- en regelgeving moeten worden aangepast, zodat sommige taken - die nu wettelijk zijn toebedeeld aan de verzekeringsartsen - ook door andere zorgprofessionals kunnen worden gedaan.
Bronnen: www.rijksoverheid.nl en www.uwv.nl
Er wordt in beginsel gestart met een bedrijfsbezoek met als inzet het goede gesprek, vertrouwen en om organisaties de mogelijkheid te bieden om hun bedrijfsvoering te verbeteren. Pas vanaf 1 januari 2027 zullen ook deze elementen van de zachte landing komen te vervallen. Wel kunnen, in tegenstelling tot 2025, in 2026 aan werkgevers en werknemers vergrijpboetes worden opgelegd in geval van opzet of grove schuld. Concreet betekent dit dat de Belastingdienst in 2026 de mogelijkheid van naheffingen voor de periode tot 1 januari 2025 blijft houden, maar dus geen verzuimboetes oplegt. De Tweede Kamer vroeg in een motie om de zachte handhavingsstrategie, waarbij wel naheffingen maar geen boetes worden opgelegd, nog een paar maanden te verlengen. Dat vindt het kabinet echter geen goed signaal naar bedrijven die zich wel aan de regels houden. Inmiddels hebben veel sectoren en bedrijven namelijk al aanpassingen gedaan aan hun personeelsbestand om aan de regels te voldoen.
De Ondernemingskamer benoemde eerder Lodewijk Asscher en Ton Heerts als tijdelijke leden van de raad van toezicht van FNV. Zij kregen beslissende zeggenschap binnen de raad van toezicht en moesten zorgen voor een nieuw bestuur en adviseren over mogelijke verbeteringen in de interne organisatie van FNV om knelpunten weg te nemen. Na hun benoeming hebben de tijdelijke toezichthouders geconstateerd dat zij hun taken niet volledig kunnen uitvoeren zolang de knelpunten in de interne organisatie van FNV niet eerst zijn opgelost. De tijdelijke toezichthouders hebben een voorstel gedaan om de knelpunten op te lossen. Daarvoor was wel een statutenwijziging van FNV nodig. Deze statutenwijziging had de steun van bijna alle geledingen van FNV. Alleen het ledenparlement van FNV, dat bevoegd is om de statuten te wijzigen, steunde het voorstel niet. Daarom verzochten de tijdelijke toezichthouders de Ondernemingskamer om een aanvullende maatregel, zodat de tijdelijke toezichthouders zelf het besluit kunnen nemen om de statuten van FNV te wijzigen.
Uitspraak hof
Alle partijen zijn het erover eens dat de bestaande impasse binnen FNV niet kan blijven voortbestaan. De Ondernemingskamer oordeelt dat het in het belang van FNV en in het algemeen belang noodzakelijk is dat FNV haar rol als grootste Nederlandse vakvereniging weer naar behoren kan vervullen. Daarvoor is nodig dat nu zo snel mogelijk een nieuw bestuur van FNV wordt benoemd, dat kan rekenen op brede steun binnen de organisatie van FNV en van de leden. Dat nieuwe bestuur zal echter alleen goed kunnen functioneren als eerst de bestaande knelpunten in de governance van FNV worden weggenomen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat de door de twee tijdelijke toezichthouders voorgestelde wijziging van de statuten van FNV de bestaande knelpunten in de governance wegneemt. De voorgestelde wijzigingen zijn tot stand gekomen na herhaald overleg met alle partijen. Daarbij is rekening gehouden met alle betrokken belangen en zijn waar nodig aanpassingen gemaakt naar aanleiding van opmerkingen, wensen en suggesties van de betrokkenen. Dit heeft geleid tot een evenwichtig voorstel waarmee recht wordt gedaan aan ieders positie binnen FNV. Daarbij overweegt de Ondernemingskamer dat de gevolgen van de maatregel tijdelijk van aard zijn en dat de nieuw te vormen bondsraad de statuten van FNV ook weer anders in kan richten als de leden van FNV dat willen. De Ondernemingskamer beslist daarom dat de tijdelijke toezichthouders eenmalig mogen besluiten om de statuten van FNV aan te passen in lijn met de concept-statuten die zij vooraf met de Ondernemingskamer en alle betrokkenen hebben gedeeld.
Bron: www.rechtspraak.nl
De Tweede Kamer besloot op 12 november 2025 tot een doorstart van de tijdelijke commissie. Het Presidium, het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer, heeft daartoe geadviseerd. Door het aftreden van het kabinet en de vervroegde verkiezingen werd de periode waarin de commissie kon functioneren beperkt tot korter dan een jaar. Inmiddels heeft de commissie elf adviezen uitgebracht. De verlenging geldt voor de duur van de huidige parlementaire periode. De commissie heeft twee hoofdtaken:
- Advisering van de Kamer(leden) over de grondrechtelijke en constitutionele aspecten van wetsvoorstellen, verdragen, bepaalde lagere regelgeving en wetgevende voorstellen van de EU. In deze adviezen besteedt de commissie ook aandacht aan hoe de regering is omgegaan met adviezen van de Raad van State als het gaat om grondrechtelijke of andere constitutionele bezwaren.
- Ondersteuning bij het vergroten van de kennis en aandacht voor grondrechten en de Grondwet van Kamerleden. De commissie doet dit door Kamerleden te informeren en initiatieven te nemen die deze kennis kunnen verdiepen.
Bron: www.tweedekamer.nl
De belangrijkste aanbeveling uit het op 30 juni 2025 gepubliceerde onderzoek luidt: Maak een hybride beschermingsbevel juridisch mogelijk. Introduceer een civielrechtelijk beschermingsbevel dat - naar het voorbeeld van de protection orders in Verenigd Koninkrijk - bij overtreding strafrechtelijk kan worden gehandhaafd. Een dergelijke aanpak zou ook in Nederland kunnen bijdragen aan betere bescherming van slachtoffers van huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking.
Kamerbrief
In de beleidsreactie schrijft de staatssecretaris onder meer dat Nederland civielrechtelijke beschermingsbevelen kent in de vorm van onder meer contactverboden, locatieverboden en gebiedsverboden. Anders dan in het Verenigd Koninkrijk leidt het overtreden van deze verboden niet automatisch steeds tot sancties. Dit draagt niet bij aan de bescherming van het slachtoffer die met oplegging van het verbod werd beoogd. Het kabinet wil daarom onderzoeken of de aanpak van schadelijke praktijken en het beschermingsniveau van (potentiële) slachtoffers kan worden verbeterd met maatregelen geïnspireerd op het hybride beschermingsbevel. De effectiviteit van de maatregel staat daarbij voorop. Belangrijke onderwerpen van onderzoek daarbij zijn de mogelijke reikwijdte van een dergelijk bevel of maatregel, de vraag wie bevoegd zou zijn om een aanvraag te doen en om het bevel of de maatregel op te leggen, de mogelijkheden van een laagdrempelige toegang voor een aanvraag, de daarvoor benodigde begeleiding, het optreden tegen een bredere groep van personen, de toepassing van maatwerk, de (hoogte van de) sanctie ingeval van overtreding en de juridische handhaafbaarheid. Ook zal worden verkend of hybride beschermingsmaatregelen in civielrechtelijk kader of in bestuursrechtelijk kader zouden kunnen worden ingebed (in combinatie met strafrechtelijke handhaving). De Tweede Kamer wordt in de loop van 2026 geïnformeerd omtrent de voortgang van deze verkenning.
Bron: www.wodc.nl
Franse, Engelse en Amerikaanse justitiële autoriteiten deden jarenlang onderzoek naar wereldwijde corruptie en omkoping door Airbus. In 2020 trof Airbus een schikking met de autoriteiten. Airbus kreeg een boete opgelegd van 3,6 miljard euro. Stichting Investor Loss Compensation (SILC) verwijt Airbus te hebben verhuld dat er bij het bedrijf onderzoek naar corruptie en omkopingspraktijken werd gedaan in de periode 2014 tot 2020. Volgens SILC hebben beleggers daardoor hun aandelen in die periode tegen een te hoge koers gekocht. SILC wil door de rechter worden toegelaten als belangenorganisatie en voor deze beleggers een massaschadeclaim indienen.
Claimcode
De rechtbank Den Haag heeft zich op 20 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:14036) onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen tegen de CFO's en heeft de claimstichting voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. In massaschadezaken is het gebruikelijk dat rechters eerst toetsen of zij bevoegd zijn om de zaak te kunnen behandelen en of de belangenorganisatie die de collectieve actie wil instellen voldoet aan de strenge eisen die de Wet afwikkeling massaschade in collectieve acties (WAMCA) daaraan stelt. Het hof oordeelt dat SILC niet aan die eisen voldoet. Dat komt doordat SILC op zodanige wijze is verbonden aan commerciële organisaties dat de stichting niet voldoet aan eisen van de Claimcode, een governance code die voorschrijft hoe belangenorganisaties die een collectieve actie willen instellen hun organisatie moeten inrichten. Het hof concludeert dat daardoor onvoldoende gewaarborgd is dat SILC de belangen van de beleggers voorop kan stellen in de te voeren processtrategie en de onderhandelingen over een schikking, zoals de wet eist. Daarom heeft het hof, net als de rechtbank, de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat SILC de massaschadeclaim niet kan voortzetten.
Bron: www.rechtspraak.nl
Het initiatiefwetsvoorstel heeft als doel om het aantal kortdurende gevangenisstraffen te verminderen. Van deze straffen is bekend dat ze maar beperkt bijdragen aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het wetsvoorstel introduceert daarom de elektronische detentie als een nieuwe vrijheidsbenemende hoofdstraf voor volwassenen. Ook biedt het wetsvoorstel meer mogelijkheden voor het opleggen en tenuitvoerleggen van de taakstraf. Deze alternatieven voor korte gevangenisstraffen kunnen dezelfde mate van vergelding bereiken. Ook kunnen ze de kans op recidive en nieuwe slachtoffers verkleinen, en de druk op de schaarse capaciteit in de gevangenissen verminderen. Het wetsvoorstel kan daarmee bijdragen aan een rechtvaardige en effectieve bestraffing van strafbare feiten.
Advies Afdeling
Wanneer de rechter als straf elektronische detentie oplegt, moet de veroordeelde met een enkelband op een vaste locatie verblijven, zoals de eigen woning of een opvanglocatie. De elektronische detentie beperkt een veroordeelde vergaand in zijn grondrechten en vrijheden, zij het in mindere mate dan bij een gevangenisstraf. Ze heeft ook mogelijke gevolgen voor de privacy van anderen. Voor het opleggen en ten uitvoer leggen van elektronische detentie wordt namelijk informatie over eventuele huisgenoten en andere naasten verzameld. De Afdeling adviseert de initiatiefnemers om in de toelichting bij het wetsvoorstel aandacht te besteden aan de gevolgen van het voorstel voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens. De Dienst Justitiële Inrichtingen krijgt de bevoegdheid om de locatie van de elektronische detentie te betreden zonder toestemming van de veroordeelde als dit noodzakelijk is in het belang van het toezicht op de naleving. Toepassing van deze bevoegdheid zal het huisrecht van de veroordeelde raken. Het advies aan de initiatiefnemers is om in de toelichting bij het wetsvoorstel de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van deze bevoegdheid dragend te motiveren. Tijdens de elektronische detentie geldt standaard het verbod op alcohol en drugsgebruik. Het is duidelijk dat aan dit gebruik allerlei risico’s zitten. Het is echter belangrijk dat de rechter ook op dit punt maatwerk kan leveren. Dit past straks ook beter bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering, omdat daarin het verbod op alcohol en drugsgebruik als optionele voorwaarde is vormgegeven. De Afdeling adviseert daarom het verbod op alcohol en drugsgebruik niet als standaard voorwaarde te laten gelden. Daarbij kan wel als uitgangspunt worden gehanteerd dat deze voorwaarde wordt opgelegd bij elektronische detentie. In het advies maakt de Afdeling advisering ook nog enkele opmerkingen over het verlengen van de termijn voor de uitvoering van taakstraffen door jeugdigen, het belang van de evaluatie van het wetsvoorstel en de wijziging in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Het advies aan de initiatiefnemers is om met al deze opmerkingen rekening te houden bij de verdere behandeling van het initiatiefwetsvoorstel.
Advies Initiatiefwetsvoorstel 'Slimmer straffen' van de Tweede Kamerleden Sneller, Six Dijkstra en Boswijk
Bron: www.raadvanstate.nl
In de Omgevingswet staat dat in 2025, 2030 en 2035 respectievelijk 40%, 50% en 74% van de stikstofgevoelige natuur onder de zogeheten Kritische Depositiewaarde (KDW) moet zijn gebracht. Met het wetsvoorstel wil de regering deze omgevingswaarden uit de wet halen. Het voorgestelde alternatief is een doel in de wet om in 2035 te bereiken dat de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden, veroorzaakt door de industrie, de landbouw en de mobiliteit, aanzienlijk is verminderd ten opzichte van 2019. Deze doelstelling moet worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en een ’programma’ in de zin van de Omgevingswet.
Advies Afdeling
De Afdeling heeft een aantal bedenkingen bij het wetsvoorstel. Deze hebben ten eerste te maken met de verplichtingen van Nederland op grond van twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze verplichtingen horen bij de natuurherstelopgave. Ook plaatst de Afdeling kanttekeningen bij de motivering van de gewenste omslag naar het sturen op emissie (uitstoot) in plaats van depositie (neerdaling) van stikstof. Tot slot stelt zij het ontbreken van voldoende waarborgen in de wet aan de orde voor het tijdig nemen van afdoende maatregelen gericht op natuurherstel. De Vogel- en Habitatrichtlijn bevatten verplichtingen voor de Europese lidstaten over de instandhouding van beschermde natuurgebieden of leefgebieden van beschermde diersoorten of vogels. Bij dit wetsvoorstel gaat het in het bijzonder om de volgende verplichtingen:
- De verplichting om de nodige instandhoudingsmaatregelen te treffen voor het behoud of herstel van de gunstige staat van instandhouding van beschermde habitats (instandhoudingsverplichting);
- De verplichting om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van beschermde habitats niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen (verslechteringsverbod).
De meeste beschermde habitats in Nederland zijn stikstofgevoelig. Al lange tijd is deze stikstofgevoelige natuur overbelast door stikstofdeposities. Duidelijk is dat Nederland al geruime tijd voor een aanzienlijke natuurherstelopgave staat. Het wetsvoorstel beoogt de huidige omgevingswaarden uit de wet halen. Het voorgestelde alternatief is een open geformuleerde doelstelling voor 2035 om de uitstoot van stikstof aanzienlijk te verminderen. Het voorstel bevat echter geen kaders of eisen voor concrete (bron)maatregelen om tijdig verdere verslechtering van de natuur tegen te gaan en uiteindelijk natuurherstel te bereiken. De Afdeling adviseert de regering dan ook om in het voorstel duidelijk te maken hoe wordt bijgedragen aan de aanzienlijke natuurherstelopgave.
Emissiegestuurd systeem
Eén van de aanleidingen voor het wetsvoorstel is dat de regering de focus wil verleggen van het sturen op het terugdringen van de depositie van stikstof naar het terugdringen van de emissie van stikstof. De keuze om over te gaan op een andere systematiek dan de huidige op de KDW gebaseerde omgevingswaarden, is aan de wetgever. Daarbij moet wel goed worden gemotiveerd dat het nieuwe systeem voldoet aan de verplichtingen uit art. 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Deze motivering in het wetsvoorstel is volgens de Afdeling niet overtuigend. Ten eerste wordt in de toelichting bij het wetsvoorstel geen inzicht gegeven in de opzet en effectiviteit van het beoogde systeem en de gevolgen ervan voor bedrijven. Ten tweede is niet gemotiveerd waarom het voor een emissiegestuurd systeem nodig is om de huidige omgevingswaarden uit de wet te halen. De Omgevingswet biedt op dit moment al voldoende ruimte voor zo’n systeem. De Afdeling adviseert de regering om de gewenste systeemverandering in ieder geval op deze punten toereikend te onderbouwen.
Ontbreken van waarborgen
Volgens het voorstel komt in de wet alleen als doel te staan dat in 2035 een aanzienlijke vermindering van de emissie van ammoniak en stikstofoxiden moet zijn bereikt. De uitwerking hiervan is volledig afhankelijk van nadere regeling bij amvb en de invulling van het programma, zonder dat de wet daarvoor kaders biedt of daaraan eisen stelt. Deze opzet verdraagt zich niet goed met het verslechteringsverbod. Dit verbod vergt tijdige, ook preventieve, maatregelen zodra een verslechtering van de natuur dreigt. Het voorstel schuift verplichtingen in de tijd echter vooruit naar 2035 en formuleert een open einddoel (‘aanzienlijke vermindering’). De Afdeling adviseert in het voorstel waarborgen op te nemen voor de aard en inhoud van te treffen maatregelen met het oog op natuurherstel en voor het tijdig nemen daarvan.
Advies Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof
Bron: www.raadvanstate.nl
Het gaat om een zaak waarin de rechtbank moet beslissen over de plaatsing van een jong kind in het netwerkpleeggezin van zijn oma. De ouders zijn het niet langer eens met die plaatsing. De rechtbank, het hof en de betrokken instanties (de GI, de raad voor de kinderbescherming en de pleegzorgaanbieder) zijn verdeeld over de vraag of het kind in het gezin van de oma geplaatst kan blijven. De rechtbank Noord-Nederland heeft op 6 december 2024 hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld (ECLI:NL:RBNNE:2024:4759). De vragen gaan meer specifiek over plaatsing van een kind in een pleeggezin, als screening van het pleeggezin niet of niet met positief resultaat heeft plaatsgevonden of de pleegzorgaanbieder plaatsing niet langer verantwoord vindt. A-G Coenraad nam haar conclusie op 25 juli 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:825).
Uitspraak Hoge Raad
Het resultaat van de pleegzorgscreening en zorgen van de pleegzorgaanbieder over de veiligheid van de minderjarige leggen vanzelfsprekend veel gewicht in de schaal bij het bepalen van de verblijfplaats van de minderjarige door de gecertificeerde instelling op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit geldt ook bij de beslissing van de rechter op een verzoek tot verlening of verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing of een verzoek om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige. Ook andere informatie kan daarbij echter een rol spelen, zoals informatie en adviezen van de raad voor de kinderbescherming. Vindt de gecertificeerde instelling de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig voor de minderjarige, dan moet zij, met het oog op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming, van de plaatsing of de voortzetting daarvan afzien. Vindt de rechter de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan moet hij, gelet op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming, zo beslissen dat plaatsing in het pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd.
Een andere vraag heeft betrekking op de mogelijkheden voor ouders om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen. Voor ouders van een minderjarig kind dat onder voogdij staat is er niet een regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. Dit is geen hiaat in de wetgeving, waarin de rechter zou moeten voorzien. Een verklaring voor het ontbreken van een regeling is dat in geval van voogdij het gezag over het minderjarige kind en daarmee de verantwoordelijkheid voor diens verzorging en opvoeding niet bij de ouders ligt maar bij de voogd. De ouder wiens minderjarig kind onder voogdij staat, heeft wel diverse andere mogelijkheden om voor zijn rechten en belangen als ouder bij de rechter op te komen. Zo kan de ouder die meent dat de gecertificeerde instelling haar taak als voogd niet op verantwoorde wijze uitoefent en de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd, de rechter verzoeken de voogdij van de gecertificeerde instelling te beëindigen.
Bron: www.hogeraad.nl
Op 9 oktober 2016 arriveerde een gezin van Syrisch-Koerdische staatsburgers, bestaande uit twee ouders en vier kinderen, op het Griekse eiland Milos, waar ze hun wens kenbaar maakten om internationale bescherming aan te vragen. Slechts enkele dagen later werd het gezin echter overgebracht naar Turkije na een gezamenlijke terugkeeroperatie van Griekenland en Frontex. Uit angst voor deportatie naar Syrië door de Turkse autoriteiten, vluchtte het gezin vervolgens naar Irak. Omdat het gezin van mening was dat hun overplaatsing naar Turkije een illegale terugzending was en dat bij deze overbrenging hun fundamentele rechten werden geschonden, diende ze een klacht in bij Frontex, dat de klacht afwees. Daarop heeft het gezin het Gerecht van de Europese Unie verzocht om Frontex te veroordelen tot het vergoeden van de materiële en de immateriële schade die zij stelden te hebben geleden door het optreden van het agentschap vóór, tijdens en na de terugkeeroperatie. Ze betoogden met name dat als Frontex had voldaan aan zijn verplichting om de eerbiediging van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement tijdens deze operatie te waarborgen, deze rechten niet zouden zijn geschonden en het gezin niet naar Turkije zou zijn teruggestuurd, maar internationale bescherming in de Europese Unie zou hebben gekregen. In 2023 heeft het Gerecht het beroep van het gezin afgewezen wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het vermeende onrechtmatige gedrag van Frontex en de geleden schade, zonder de overige aansprakelijkheidsvoorwaarden te beoordelen. Volgens het Gerecht kon Frontex, aangezien dit geen bevoegdheid heeft om terugkeerbesluiten ten gronde te beoordelen of verzoeken om internationale bescherming te onderzoeken, niet aansprakelijk worden gesteld voor schade in verband met de terugkeer van deze personen naar Turkije.
Uitspraak HvJ EU
In de tegen dat arrest ingestelde hogere voorziening vernietigt het Hof grotendeels het arrest van het Gerecht en verwijst het de zaak terug naar het Gerecht. In zijn arrest merkt het Hof allereerst op dat het Unierecht Frontex een reeks verplichtingen oplegt die erop gericht zijn de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen in het kader van gezamenlijke terugkeeroperaties. Bovendien herinnert het Hof eraan dat deze operaties alleen betrekking mogen hebben op personen die onderworpen zijn aan schriftelijke en uitvoerbare terugkeerbesluiten. Frontex moet dus nagaan of er dergelijke terugkeerbesluiten zijn vastgesteld voor alle personen die een lidstaat voornemens is terug te sturen via gezamenlijke terugkeeroperaties, om te garanderen dat deze operaties het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Het Hof geeft de Syrische familie dus gelijk en oordeelt dat het Gerecht ten onrechte heeft gemeend dat Frontex enkel technische en operationele steun aan de lidstaten verleende en niet hoefde te verifiëren of er een terugkeerbesluit bestond. Bovendien is het Hof van oordeel dat het Gerecht eveneens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat eventuele schendingen van grondrechten die plaatsvinden tijdens een terugvlucht uitsluitend de verantwoordelijkheid van de gastlidstaat zijn, met uitsluiting van elke aansprakelijkheid van Frontex. Het Hof vernietigt daarom grotendeels het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak waarbij rekening wordt gehouden met de verplichtingen van Frontex met betrekking tot de bescherming van de grondrechten van de personen voor wie gezamenlijke terugkeeroperaties worden ondernomen.
HvJ EU 18 december 2025, C-136/24P
Bron: www.curia.europa.eu