Artikelen van Redactie

Nieuws
Staat beschermt inwoners Bonaire te weinig tegen klimaatverandering

De Staat moet binnen 18 maanden bindende tussentijdse doelen in nationale regelgeving opnemen om de uitstoot van broeikasgassen voor de gehele economie terug te dringen. De Staat moet ook in 2030 een uitgewerkt plan hebben en invoeren om Bonaire weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Oordeel rechtbank

De rechtbank toetst in deze procedure of de Staat voldoet aan zijn verplichting om zijn inwoners op Bonaire te beschermen. De rechtbank is daarbij terughoudend en houdt rekening met de beleidsvrijheid van de Staat. Klimaatverandering door broeikasgasuitstoot is een complex wereldwijd probleem dat een ernstige bedreiging voor mensen vormt, zonder dat duidelijk is wie precies welke schade veroorzaakt. Dat mag er niet toe leiden dat landen naar elkaar wijzen en nalaten om zelf voldoende actie te ondernemen ondanks internationale afspraken. Daarom geldt in klimaatzaken een specifiek kader voor de toetsing van de schending van het recht op leven en welzijn van het EVRM. Dit is op 9 april 2024 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitgewerkt. De door de Staat genomen klimaatmaatregelen worden door de rechtbank in zijn geheel beoordeeld, dus zowel de maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen (mitigatiemaatregelen) als de maatregelen om de omgeving en maatschappij aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering (adaptatiemaatregelen). Voor dit ‘totaalplaatje’ draagt de Staat eindverantwoordelijkheid.

Mitigatiemaatregelen
Met het Akkoord van Parijs in 2016 hebben lidstaten onder meer afgesproken ernaar te blijven streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graden Celsius, omdat dit de risico’s en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk zou beperken. Sindsdien is dat verder bevestigd en verder uitgewerkt. De rechtbank constateert dat de Nederlandse regelgeving op het gebied van het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen op belangrijke punten niet voldoet aan de minimumnormen die in VN-verband zijn overeengekomen. Die normen zijn juist bedoeld om te zorgen dat lidstaten daadwerkelijk stappen blijven zetten om verdere opwarming van de aarde te stoppen. In de eerste plaats bevat de in 2023 aangescherpte Nederlandse Klimaatwet geen bindend reductiedoel voor 2030, terwijl dit volgens het Akkoord van Parijs wel moet. Verder is niet voldoende inzichtelijk hoe de voorgenomen emissiereductie van 55 procent in 2030 ten opzichte van het niveau van 1990, zich verhoudt tot de VN-afspraak dat de uitstoot in 2030 met 43 procent gereduceerd moet zijn ten opzichte van 2019. Die percentages laten zich niet goed vergelijken, alleen al omdat in de Nederlandse berekeningen niet alle emissiebronnen worden meegenomen. In het Nederlandse doel wordt uitstoot uit de lucht- en zeevaart niet volledig meegenomen, terwijl uitstoot uit die bronnen in Nederland aanzienlijk is. In de tweede plaats is het heel onwaarschijnlijk dat Nederland met de nu voorgenomen maatregelen de eigen doelstelling voor 2030 haalt. Die kans is minder dan 5 procent. Dit betekent dat de voorgenomen maatregelen niet toereikend zijn. Er zijn ook nog geen concrete plannen of maatregelen voor het behalen van de doelen in de periode van 2030 tot 2050, terwijl de uitstoot van broeikasgassen in 2050 netto nul moet zijn. Daarbij is uit de nu voorliggende plannen niet op te maken hoeveel broeikasgassen Nederland nog zal gaan uitstoten, en hoe dit zich verhoudt tot de doelstelling om de opwarming tot 1,5 graden Celsius te beperken.

Adaptatiemaatregelen
De rechtbank oordeelt dat de Staat onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht tegenover de inwoners van Bonaire. De Staat heeft niet tijdig passende maatregelen genomen om de kwetsbaarheid van Bonaire en haar inwoners te verminderen. De rechtbank weegt mee dat er nog steeds geen plan met klimaatmaatregelen voor Bonaire ligt, terwijl al drie decennia bekend is dat Bonaire bijzonder kwetsbaar is voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering. De inwoners ondervinden die negatieve gevolgen al jarenlang in toenemende mate. Pas na een advies in 2023 heeft de Staat concrete stappen gezet om een coherent en integraal klimaatbeleid voor Bonaire op te stellen. Deze stappen zijn passend, maar niet tijdig genomen. Het is ook niet duidelijk wanneer er een concreet adaptatieplan zal zijn. De doelstellingen die in VN-verband specifiek voor adaptatiemaatregelen zijn geformuleerd, zijn echter nog haalbaar. Die doelstellingen houden in dat in 2027 en 2030 bepaalde doelen moeten zijn behaald.

Ongelijke behandeling
De rechtbank oordeelt dat de inwoners van Bonaire ten onrechte anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland. Daarmee heeft de Staat het verbod op discriminatie geschonden. Er zijn grote geografische en klimatologische verschillen tussen Bonaire en Europees Nederland. Gelijke behandeling houdt dan ook niet in dat in beide gebieden hetzelfde wordt gedaan, maar dat in beide gebieden passend beleid wordt opgesteld en uitgevoerd. De verschillen tussen Bonaire en Europees Nederland maken dat het opstellen van klimaatbeleid voor Bonaire een (nog) grotere urgentie heeft dan voor Europees Nederland bestond. Er is geen goede reden waarom voor de inwoners van Bonaire, die juist eerder en erger getroffen worden door klimaatverandering, pas later en minder systematisch maatregelen zijn getroffen dan voor de inwoners van Europees Nederland.

Beslissing
De rechtbank komt tot de slotsom dat de Staat verdragsrechten heeft geschonden (art. 8 en 14 EVRM en 1 P12). Dat is onrechtmatig. De Staat voert een klimaatbeleid dat niet bindend en inzichtelijk voldoet aan de maatregelen die wereldwijd moeten worden genomen om de mondiale opwarming van de aarde aan het eind van deze eeuw te beperken tot maximaal 1,5 graden Celsius. Ook heeft de Staat onvoldoende tijdige en passende maatregelen genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. De rechtbank beveelt de Staat om binnen 18 maanden bindende doelen op te stellen voor de gehele economie om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals bedoeld is in het Akkoord van Parijs. Dit moet in nationale regelgeving worden vastgelegd. Er moeten bindende tussentijdse doelen komen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen tot 2050, wanneer de uitstoot netto nul moet zijn. Daarbij moet de resterende ruimte voor uitstoot van broeikasgassen inzichtelijk worden gemaakt. De Staat moet ook een adaptieplan opstellen voor Bonaire dat in 2030 kan worden ingevoerd.

ECLI:NL:RBDHA:2026:1344

Bron: www.rechtspraak.nl

28 januari 2026
Nieuws
Onvoldoende resultaat inburgering: potentieel statushouders blijft onbenut

Inburgering duurt langer, het bereikte niveau is lager en de tekortsectoren worden nauwelijks bereikt. Bij het uitblijven van urgentie en bijsturing, blijft het inburgeringsbeleid wensdenken. Statushouders kunnen nog steeds niet snel aan de slag en het aanbod van taalcursussen kan verbeteren. De redenen dat deelname aan de samenleving maar langzaam verbetert zijn divers. De trage asielprocedures of het probleem om een vaste woonplaats te vinden spelen een rol. Net als het tekort aan taaldocenten of een gebrek aan kinderopvang. Ook blijkt betaald werk nog steeds moeilijk te combineren met verplichte taallessen. Het onderzoek wijst uit dat vluchtelingen met een verblijfsstatus nu meer begeleiding vanuit gemeenten krijgen dan onder de vorige inburgeringswet. Ook wordt er meer taalonderwijs op het niveau B1 aangeboden. De resultaten tot medio 2025 wijzen echter uit dat het beleid niet voldoende bijdraagt in wat de wet ook noemt, namelijk snel en volwaardig meedoen aan de Nederlandse samenleving.

Doelen wet

De Rekenkamer schrijft in het rapport dat de Minister en Staatssecretaris van SZW nu niet kunnen vaststellen of het inburgeringsbeleid ‘volwaardig meedoen’ stimuleert. Dit komt doordat werkervaring en opleidingsniveau van statushouders niet worden geregistreerd bij aanvang van het inburgeringstraject. Ook ontbreken streefwaarden om te meten of het rijksbeleid de doelen behaalt. Het beleid is ingericht als lerend stelsel, zodat het rijksbeleid snel kan worden aangepast bij knelpunten in de uitvoering. De minister maakt daar onvoldoende gebruik van. Het inburgeringstraject start later door lange asielprocedures, gemiddeld pas na meer dan 2 jaar. Het aantal inburgeraars dat op een laag taalniveau cursussen volgt, en daarmee weinig kans heeft op volwaardig meedoen, is dubbel zo groot als verwacht. Verder is het aanbod van taallessen op B2-niveau nog laag. De instroom in de zogenoemde onderwijsroute is de helft van wat ten doel was gesteld.

Laagbetaald werk

Van de statushouders die 3 jaar geleden zijn gestart met hun inburgeringstraject, heeft 28 % een vorm van betaald werk gehad. Het gaat dan vaak om laagbetaalde banen met flexibele contracten en niet om werk ‘op niveau’ waarbij de opleiding en werkervaring uit het land van herkomst worden benut. Zo werkt de verpleegkundige in de horeca en de universitair docent informatica als flitsbezorger. Om deze mensen volwaardig en duurzaam aan het werk te krijgen is vaak taalverwerving op een hoog niveau en bijscholing nodig. Dat staat op gespannen voet met de eisen van de Participatiewet: zo snel mogelijk uit de bijstand. In vergelijking met sommige andere landen in Europa duurt het in Nederland lang voordat inburgeraars op niveau kunnen werken, bijvoorbeeld in de zorg. Als vluchteling-zorgverleners ook in Nederland korter worden bijgeschoold om bevoegd te zijn, zou de overheid besparen op uitkerings- en opleidingskosten. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben dat bijvoorbeeld anders geregeld. In 2024 werkten in Duitsland 5.800 gevluchte Syriërs als arts. Een aantal van hen was vanwege de mogelijkheid daar hun beroep uit te kunnen oefenen vanuit Nederland naar Duitsland vertrokken. 

Wensdenken

De Rekenkamer noemt het wensdenken als bewindspersonen verwachten dat statushouders tegelijk snel, volwaardig, betaald werken en tegelijkertijd hun verplichte inburgeringsdiploma op zo hoog mogelijk taalniveau halen. Dat probleem kunnen gemeenten, die regie moeten houden op de inburgeringstrajecten en de inburgeringscursussen inkopen, niet oplossen. De bewindspersonen van SZW stellen naar aanleiding van het Rekenkameronderzoek dat ook zij duurzame uitstroom uit de bijstand voorstaan en streefwaarden en registratie willen opzetten. In haar nawoord schrijft de Rekenkamer dat de knelpunten bekend zijn. Nu zijn duidelijke keuzes nodig. Als het doel van inburgering ‘participeren naar vermogen’ is, zoals de wet stelt, beveelt de Rekenkamer aan uit te gaan van het potentieel van asielstatushouders. Zonder dat blijft duurzame uitstroom uit de bijstand onrealistisch en arbeidspotentieel onbenut.

Onbenut potentieel - Gebrek aan resultaten taalverwerving en arbeidsparticipatie bij inburgering

Bron: www.rekenkamer.nl

28 januari 2026
Nieuws
AP: chauffeurs in openbaar vervoer mogen niet permanent in beeld

Camera’s in voertuigen kunnen bijdragen aan de veiligheid van reizigers en personeel, bijvoorbeeld bij incidenten rond de ingang of betaalapparatuur. Die inzet kent echter duidelijke grenzen. Cameratoezicht mag niet leiden tot permanente monitoring van werknemers op hun vaste werkplek. De AP wijst alle werkgevers in het openbaar vervoer, maar bijvoorbeeld ook in het goederenvervoer, op de volgende uitgangspunten:

  • Cameratoezicht op werknemers mag niet structureel of permanent plaatsvinden op hun vaste werkplek.
  • Camerabeelden mogen niet worden gebruikt om werknemers te controleren, beoordelen of volgen zonder dit vooraf duidelijk kenbaar te maken.
  • Technische maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat werknemers toch permanent in beeld komen.
  • Doelen, bewaartermijnen en toegangsrechten moeten duidelijk intern zijn vastgelegd en gecommuniceerd aan werknemers.

Werkgevers zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige afweging tussen veiligheid en privacy. Dat betekent dat cameratoezicht alleen mag worden ingezet waar dat noodzakelijk is, met zo min mogelijk inbreuk op de privacy van werknemers.

Bron: www.autoriteitpersoonsgegevens.nl

28 januari 2026
Nieuws
Hof: zelfstandige Uber-chauffeurs zijn geen werknemers

De centrale vraag tijdens de rechtszaak was of Uber-chauffeurs werknemers zijn. De rechtbank Amsterdam gaf FNV in 2021 gelijk (ECLI:NL:RBAMS:2021:5029) en besliste dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Daarop ging Uber in hoger beroep. In het hoger beroep stelde het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Die hadden betrekking op de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen. De Hoge Raad antwoordde op 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:319) dat hij in zijn Deliveroo-arrest geen rangorde heeft willen aanbrengen in de daarin genoemde relevante omstandigheden, dat dat ook geldt voor ondernemerschap, en dat het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan ten aanzien van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten. Volgens de Hoge Raad kan de rechter geen algemeen oordeel over de kwalificatie geven indien de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor teveel uiteenlopen. Voor zover er wel een oordeel kan worden gegeven voor bepaalde (groepen) werkenden, kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen. 

Oordeel hof

Anders dan de rechtbank heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de chauffeurs die voor Uber werken dat doen op basis van een arbeidsovereenkomst. De in hoger beroep aan de zijde van Uber gevoegde Chauffeurs hebben geen arbeidsovereenkomst omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Hoewel het hof niet uitsluit dat er individuele chauffeurs zijn die op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber werken, heeft het hof bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen voor wie dat geldt. Omdat niet is komen vast te staan of en, zo ja, welke chauffeurs een arbeidsovereenkomst hebben, kan ook geen algemeen oordeel gegeven worden over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoedingen. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen. Volgt vernietiging vonnis rechtbank.

Reactie FNV

De FNV schrijft in een reactie op de uitspraak dat vakbonden voor alle werkenden en voor hun leden ook op collectief niveau de geldende wetten en cao’s moeten kunnen handhaven. De FNV zal daarom ook de mogelijkheid van cassatie tegen de uitspraak van het Hof onderzoeken. Daarnaast zal FNV de mogelijkheid bekijken van het opstarten van procedures voor individuele chauffeurs.

ECLI:NL:GHAMS:2026:163

Bronnen: www.rechtspraak.nl en www.fnv.nl

27 januari 2026
Nieuws
Asielzoekers wachten langer dan ooit op een besluit

Het gaat om asielzoekers die hun eerste aanvraag bij het aanmeldcentrum in Ter Apel of op een luchthaven hebben gedaan. Het aantal asielzoekers dat langer dan 15 maanden wacht op een beslissing van de IND is in 2025 gegroeid van nog geen 10.000 mensen bij aanvang van het jaar naar 24.490 mensen in november. Een van de redenen voor deze stijging is dat de IND in 2025 in geen enkele maand heeft voldaan aan haar opdracht van de overheid om maandelijks een beslissing te nemen over 3.340 eerste asielaanvragen. De IND meldt op haar website dat op dit moment asielaanvragen met een startdatum voor september 2023 aan de beurt zijn. Asielzoekers die nu uitgenodigd worden door de IND wachten dus al 25 maanden op de inhoudelijke behandeling van hun asielaanvraag. De wettelijke beslistermijn voor een asielaanvraag is in Nederland 6 maanden.

Bronnen: www.trouw.nl en www.ind.nl

27 januari 2026
Nieuws
Parlementsonderzoek 2025: Kamerleden worstelen met overvloed aan informatie

Het Parlementsonderzoek 2025 laat zien dat Tweede Kamerleden niet zozeer gebrek aan informatie ervaren, maar juist een overvloed die moeilijk te verwerken is. Uit gesprekken met 58 Kamerleden blijkt dat zij over vele en velerlei bronnen van informatie beschikken. Veruit het meest intensief wordt voor het Kamerwerk informatie van zowel media als van fractieondersteuning gebruikt. Kamerleden volgen kranten, radio, televisie en sociale media vaak om zicht te houden op maatschappelijke signalen en politieke actualiteit. De eigen fractieondersteuning fungeert daarbij als het cruciale filter: fractiemedewerkers selecteren, ordenen en duiden informatie, zodat deze meer overzichtelijk en politiek hanteerbaar wordt. Opvallend is dat de diensten van de Tweede Kamer, zoals de griffie, het Bureau Wetgeving en de Dienst Analyse en Onderzoek, beduidend minder vaak worden geraadpleegd. Kamerleden geven aan dat deze diensten naar hun mening (te) terughoudend opereren en dat hun adviezen soms te voorzichtig geformuleerd zijn om politiek bruikbaar te zijn. De hoeveelheid informatie leidt tot tijdsdruk: Kamerleden besteden gemiddeld ruim 60 uur per week aan hun werk, en vooral kleinere fracties geven aan niet genoeg tijd te hebben om alle stukken te lezen. Het gevolg kan zijn dat essentiële signalen verloren dreigen te gaan en parlementaire controle minder effectief wordt uitgeoefend.

Versterking informatiepositie Tweede Kamer
De voor het Parlementsonderzoek 2025 ondervraagde Kamerleden dragen meerdere suggesties aan om de informatiepositie van de Tweede Kamer structureel te versterken:

  • Verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom: kortere, bondigere Kamerstukken en systematische samenvattingen met duiding;
  • Verbeteren digitale infrastructuur: gebruiksvriendelijkere databases en veilige AI-toepassingen voor ordening en ontsluiting van informatie;
  • Meer en beter gedeelde werkbezoeken: intensievere en gezamenlijke werkbezoeken, met structurele verslaglegging om praktijkkennis beter en breder te benutten;
  • Versterken ondersteuning: uitbreiding van persoonlijke en fractieondersteuning en versterking van Kamerdiensten als actieve informatiemakelaars;
  • Betere timing en gelijke toegang tot informatie: eerder aanleveren van stukken en werken aan een gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis;
  • Directere toegang tot ambtenaren: contacten met ambtenaren zonder tussenkomst van een minister of staatssecretaris makkelijker maken.

'Van overvloed naar inzicht? Perspectieven van Tweede Kamerleden op informatiegebruik en informatiebehoefte'

Bron: www.montesquieu-instituut.nl

26 januari 2026
Nieuws
Onderzoek Europese Commissie naar aanbevelingssystemen van Grok en X

De Commissie onderzoekt of X:

  • de systemische risico’s van Grok goed heeft beoordeeld en beperkt;
  • een verplichte risicobeoordeling heeft opgesteld vóór de lancering van Grok-functionaliteiten;
  • voldoende maatregelen heeft genomen tegen de verspreiding van illegale inhoud, waaronder gemanipuleerde seksueel expliciete beelden en mogelijk materiaal inzake seksueel misbruik van kinderen;
  • verantwoordelijk omgaat met risico’s rond gendergerelateerd geweld en mogelijke schade aan het welzijn van gebruikers.

Daarnaast wordt een eerder lopend onderzoek uit 2023 uitgebreid, met name rond:

  • het aanbevelingssysteem (dat nu Grok-technologie gebruikt);
  • meld- en actiemechanismen voor illegale inhoud;
  • transparantie rond advertenties’;
  • misleidend ontwerp en data‑toegang voor onderzoekers.

X kreeg in december 2025 al een boete van € 120 miljoen voor eerdere overtredingen. De Commissie verzamelt verder bewijs en kan maatregelen nemen als X geen passende aanpassingen doorvoert. Nationale toezichthouders worden tijdelijk ontlast van hun handhavingstaken voor deze zaak. Onder de DSA is X een zogenoemd groot onlineplatform, dat daarmee extra verantwoordelijkheid heeft om de verspreiding van illegale beelden tegen te gaan. Ook moet het platform de fundamentele rechten van minderjarigen beschermen.

Bron: www.ec.europa.eu

26 januari 2026
Nieuws
NOvA: toegang tot het recht schiet tekort in wetsvoorstel huiselijk geweld

De Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moet zorgen voor betere bescherming van slachtoffers in alle EU-landen. Het Nederlandse wetsvoorstel sluit aan bij de Europese richtlijn. Veel artikelen zijn al onderdeel van de geldende wetgeving. Er worden enkele nieuwe strafbepalingen toegevoegd, onder meer over cyberintimidatie en gedwongen genitale verminking, en er komt meer aandacht voor slachtofferondersteuning. Twee onderdelen vragen echter om aandacht.

Toegang tot het recht te beperkt

De NOvA maakt zich vooral zorgen over de toegang tot het recht voor slachtoffers in de vroege fase van het strafproces. Zij zouden al vanaf de aangifte moeten worden bijgestaan door een advocaat. In de praktijk blijkt echter dat veel slachtoffers geen recht hebben op gefinancierde rechtsbijstand. Dit geldt namelijk alleen voor slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Slachtoffers van bijvoorbeeld stalking of mishandeling vallen daar niet onder. Zij krijgen daardoor geen vergoeding voor een advocaat op het moment dat ze die juist nodig hebben. Zorgelijk, vindt de NOvA, omdat deze kwetsbare groep vaak geen beschikking heeft over eigen financiële middelen. Een tijdelijke adviestoevoeging, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, biedt slechts beperkte ondersteuning. Die vergoeding is laag, en advocaten kunnen geen reistijd declareren. Ook geldt de toevoeging meestal pas vanaf de aangifte, terwijl slachtoffers juist daarvoor al behoefte hebben aan advies. De NOvA pleit er daarom voor dat de Nederlandse regelgeving wordt uitgebreid, zoals de EU-richtlijn aanbeveelt. Op die manier hebben slachtoffers eerder en vaker recht op gefinancierde rechtsbijstand.

Cyberintimidatie

Daarnaast is de NOvA kritisch over de manier waarop de strafbaarstelling van cyberintimidatie wordt gedefinieerd in het Nederlandse wetsvoorstel. De Europese richtlijn schrijft voor dat online bedreiging en belediging strafbaar zijn wanneer deze waarschijnlijk ernstige psychische schade veroorzaken. In de Nederlandse uitwerking is de formulering ruimer. Dat kan leiden tot onnodige onduidelijkheid in de rechtspraktijk. De NOvA adviseert daarom om de tekst van de Europese richtlijn letterlijk over te nemen.

Wetgevingsadvies: EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld

Bron: www.advocatenorde.nl

22 januari 2026
Nieuws
Geen eenduidige daderprofielen bij agressie tegen hulpverleners

Doel van het onderzoek was om inzicht te geven in de kenmerken en motieven van verdachten/daders van agressie en geweld tegen politie, boa's, brandweer en ambulance. In het onderzoek is aandacht geweest voor het verloop van agressie- en geweldsincidenten. Ten opzichte van de Nederlandse bevolking zijn mannen tussen 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd in de groep verdachten/daders. Incidenten met 50-plussers komen minder vaak voor. De sociaaleconomische positie van verdachten/daders is meestal kwetsbaar. Ongeveer 30% van de groep is in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogeheten onbegrepen gedrag. De motieven voor agressie en geweld lopen uiteen, maar expressief of emotioneel geweld (zoals frustratie, machteloosheid en ervaren onrecht) komen vaak voor. De groep verdachten/daders heeft verder echter diverse en wisselende kenmerken, achtergronden en motieven. Daarom is het niet mogelijk om eenduidige daderprofielen te onderscheiden. Daarbij is het voor het begrijpen van agressie en geweld richting hulpverleners van belang te kijken naar de samenhang met personen (zowel verdachte als slachtoffer), gedrag en context.

Effectieve aanpak

Voor een effectieve aanpak is het onvoldoende om enkel op daderprofielen te focussen. Het onderzoek laat zien dat agressie en geweld tegen hulpverleners voorkomt uit een combinatie van factoren, zoals hierboven omschreven. Dat betekent dat het essentieel is om triggers te herkennen, risicobewust en situatiebewust op te treden en passend te communiceren. Dat werkt preventief en de-escalerend. Situatiegerichte periodieke trainingen, ook wat betreft de inzet van de-escalerend optreden, en samenwerking met ondersteunende partijen (zoals de politie dat is voor boa’s, brandweer en ambulance) zijn daarbij belangrijk. Tot slot constateren de onderzoekers dat er op dit moment al veel inzichten zijn verzameld over agressie en geweld tegen hulpverleners. Tegelijkertijd vraagt het echt verbeteren van de aanpak ervan naast kennis ook gerichte actie. De onderzoekers doen dan ook een oproep aan overheid, werkgevers en hulpverleners om verworven kennis beter te benutten in de praktijk.

Meer dan de dader - Samenhangende inzichten over agressie en geweld tegen hulpverleners

Bron: www.wodc.nl

22 januari 2026