Artikelen van Redactie
Johanna Kuijt werd in 2015 veroordeeld voor onder meer het verstoren van een gemeenteraadsvergadering. Het gerechtshof legde haar in 2016 een gevangenisstraf van twee weken op. Zij stelde cassatieberoep in. Haar advocaat vroeg de Hoge Raad om de namen van de rechters die haar zaak zouden behandelen. De namen van de drie rechters die de zittingscombinatie vormden, werden verstrekt. Vervolgens vroeg de advocaat of reservisten aan de beraadslagingen over haar zaak zouden deelnemen. De griffie verwees naar het Protocol inzake deelname aan de behandeling en beraadslagingen bij de Hoge Raad waarin staat dat reservisten aan de beraadslagingen van zaken kunnen deelnemen.
Wraking
De verzoekster heeft wraking verzocht van de drie aan haar zaak toegewezen rechters en van de overige rechters van de strafkamer van de Hoge Raad. Zij stelde dat zij geen berechting zou krijgen door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, in strijd met art. 6 lid 1 (recht op een eerlijk proces) EVRM, aangezien een of meer reservisten aan de beraadslagingen zouden kunnen deelnemen. Op 21 december 2018 wees de wrakingskamer van de Hoge Raad het verzoek af. (ECLI:NL:HR:2018:2397). Met betrekking tot de rol van reservisten verwees de wrakingskamer naar art. 75 van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarin staat dat meervoudige kamers zaken behandelen en beslissen in een samenstelling van drie of vijf rechters, en oordeelde dat de overige rechters van de kamer niet verantwoordelijk zijn voor de behandeling en beslissing van de zaak. Ook verwees hij naar art. 1.2 van het Protocol, waarin staat dat reservisten aan de beraadslagingen mogen deelnemen om de rechtseenheid binnen de kamer te waarborgen. Verder wees hij op het belang van consistente rechtspraak op het niveau van de Hoge Raad voor het vertrouwen in het rechtssysteem en voor de rechtszekerheid - beide fundamentele aspecten van de rechtsstaat. Hij handhaafde dat alleen de drie of vijf rechters die zijn benoemd voor de zaak, de zaak behandelen en beslissen. Op 8 januari 2019 heeft de Hoge Raad het hoger beroep van verzoekster op juridische gronden verworpen (ECLI:NL:HR:2019:15).
Zie ook: EHRM verklaart klacht over ‘reservisten’ bij de Hoge Raad ontvankelijk
Bron: www.hudoc.echr.coe.int
Het CPB onderzocht in welke mate Nederlandse huishoudens financieel bestand zijn tegen een mogelijke inkomensdaling door baanverlies of arbeidsongeschiktheid van de hoofdkostwinner. Daarbij is rekening gehouden met bestaande financiële buffers van zelfstandigen en werknemers, het huidige socialezekerheidsstelsel en een mogelijke publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Zonder inkomensschok heeft 93% van alle huishoudens voldoende middelen om hun vaste en noodzakelijke uitgaven twee jaar of langer te blijven betalen. Veel huishoudens kunnen een inkomensschok langere tijd opvangen. Voor werknemers geldt dit bij baanverlies voor 82% en bij arbeidsongeschiktheid voor 91%.
Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Voor zelfstandigen bekeek het CPB twee varianten. Zonder verzekering kan 70% van de zelfstandigen de vaste en noodzakelijke kosten na een inkomensschok door arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaar lang blijven betalen. Bij een publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering met een wachttijd van een jaar neemt dit toe naar 75% van de zelfstandigen. Daar staat tegenover dat een aanzienlijk deel (15,4%) van de Nederlandse ondernemers de vaste en noodzakelijke uitgaven slechts enkele maanden blijkt te kunnen blijven betalen na een inkomensschok. Naast zelfstandigen zijn ook jongeren, huurders en alleenverdieners kwetsbare groepen. Zij hebben lagere inkomens, kleinere buffers en besteden een relatief groot deel van hun inkomen aan vaste en noodzakelijke uitgaven. Hierdoor raken hun financiële reserves sneller uitgeput na een schok. Bovendien hebben jongeren vaak minder WW- en WIA-rechten en vermogens opgebouwd.
Stresstest baanverlies en arbeidsongeschiktheid van werknemers en zelfstandigen
Bron: www.cpb.nl
De Hoge Raad gaat in zijn uitspraak in op de motiveringseisen voor de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zowel in de situatie dat er sprake is van een toegewezen vordering van de benadeelde partij als wanneer dat niet het geval is. Uit de motivering zal in ieder geval moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk vervolgens geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht. Het impliciete oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in de wet (art. 6:106, aanhef en onder b, BW) vindt de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.
Bron: Post Hoge Raad LinkedIn
De Raad voor Cultuur ontving afgelopen jaren signalen van makers en instellingen dat hun werk steeds vaker onderwerp van scherp debat wordt. Zij ervaren dat de druk op artistieke vrijheid toeneemt, variërend van discussies over programmering tot intimidatie en bedreiging. De raad noemt dat een zorgelijke ontwikkeling die niet uniek is voor de kunsten, maar ook zichtbaar is in andere maatschappelijke domeinen zoals de rechtspraak, de journalistiek en de wetenschap. Hoewel veel waarborgen zijn vastgelegd in wetgeving en internationale verdragen, is ook het handelen van volksvertegenwoordigers en bestuurders van groot belang. De raad benadrukt het belang van terughoudendheid van de overheid om een inhoudelijk oordeel over kunstuitingen te geven, omdat dit de maatschappelijke druk op makers vergroot. De raad stelt onder meer handelingsperspectieven voor politiek, bestuur en overheid voor:
- Verdedig het publieke belang van de kunst en veranker het Thorbecke-adagium. Politiek en overheid dienen actief uit te dragen dat iedereen in Nederland volgens de Grondwet vrij is om elkaar verhalen te vertellen en kennis te nemen van andere perspectieven. Het is echter niet aan de politiek om zich een inhoudelijk oordeel aan te meten over de kwaliteit van artistieke uitingen. Om dit alles steviger te waarborgen, vindt de raad dat het Thorbecke-adagium in de wet verankerd moet worden, bijvoorbeeld in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
- Wees terughoudend met aanvullende subsidie-eisen, los van artistieke of inhoudelijke kwaliteit. Wanneer de politiek toch extra eisen wil opleggen, is het van belang dat zij transparant is over de reden waarom zij die aanvullende eisen stelt.
- Verbreed het kunstbegrip. Een breed kunstbegrip en daarmee verruiming van het spectrum aan kunstuitingen die ondersteuning behoeven, zoals eerder voorgesteld in het besteladvies Toegang tot Cultuur, kan bijdragen aan de emancipatie en diversifiëring van makers en publieksgroepen en aan een groter draagvlak voor kunst.
- Versterk en verbeter het kunstonderwijs op school en koppel het aan burgerschapsvorming. De rol van kunstonderwijs moet breder en fundamenteler zijn dan kinderen alleen te laten kennismaken met kunst en cultuur. Het gegeven dat kunst en cultuur een wezenlijk onderdeel vormen van onze democratische samenleving is een reden om kunstonderwijs stevig te koppelen aan burgerschapsonderwijs.
- Verbeter de bescherming door de overheid tegen maatschappelijke druk. De overheid dient veiligheidsvragen van culturele instellingen serieus te nemen. Het helpt daarbij als de lijnen tussen instellingen en bijvoorbeeld de burgemeester kort zijn. In het verlengde daarvan zou de strafmaat voor het bedreigen van kunstenaars kunnen worden verhoogd. Verder adviseert de raad dat de overheid de digitale platforms zowel nationaal als in Europees verband stevig aanspreekt op hun verantwoordelijkheid jegens de vrijheid van kunst. Tot slot adviseert de raad een beschermingsfonds in te stellen. Dat fonds zou er moeten zijn voor onder andere instellingen, makers, ontwerpers en kunstenaars, maar ook voor medewerkers van kunstinstellingen, zoals bijvoorbeeld curatoren en programmeurs.
Maken (z)onder druk - Artistieke vrijheid als democratisch fundament
Bron: www.raadvoorcultuur.nl
De zaak draait om de rente die bedrijven moeten betalen als ze vennootschapsbelasting later betalen, bijvoorbeeld als ze te laat belastingaangifte hebben gedaan. In 2022 ging die rente omhoog naar 8%, terwijl deze rente bij andere soorten belastingen niet steeg. Vanwege de gevolgen die zijn uitspraak kan hebben voor anderen dan de partijen in deze procedure heeft de Hoge Raad ook andere bedrijven en organisaties de gelegenheid gegeven hun zienswijzen in te brengen. A-G Koopman adviseerde de Hoge Raad op 1 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1044) om de verhoging naar 8% onverbindend te verklaren.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de regel van het Bbi waarin de hoogte van het belastingrentepercentage is geregeld, binnen de ruimte blijft die de wetgever met de algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen aan de besluitgever heeft geboden. De besluitgever is dan ook binnen de aan hem gedelegeerde regelbevoegdheid gebleven. Verder biedt de delegatiebepaling geen grond om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel. Ook stelt de Hoge Raad voorop dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het Bbi een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als een wet in formele zin en dat de belastingrechter daarom kan en mag toetsen of een bepaling uit het Bbi in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering geldt het volgende, aldus de Hoge Raad. Indien het gaat om een fiscaal voorschrift dat een lastenverzwaring inhoudt, moet de belastingrechter bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats onderzoeken of de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. In dit geval moet worden aangenomen dat de belangen van de betrokken vennootschapsbelastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. Bij de totstandkoming van de regeling in het Bbi is namelijk opgemerkt dat het kabinet begrip heeft voor het feit dat de verhoging van de rentepercentages door betrokken belastingplichtigen veelal als lastenverzwaring zal worden beleefd en dat het dan ook goed begrijpt dat het voorstel niet door iedereen als wenselijk wordt ervaren. Niettemin is het kabinet van mening dat verhoging van het belastingrentepercentage gerechtvaardigd is. De rechtbank is dan ook terecht ervan uitgegaan dat de verhoging van de belastingrente zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
Evenredigheidsbeginsel
De rechtbank heeft het hogere belastingrentepercentage daarom terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt als criterium gehanteerd dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen. Indien bij de totstandkoming van een regeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt, zoals bij de regeling van het verhoogde belastingrentepercentage, moet die toetsing inhoudelijk terughoudend zijn, aldus de Hoge Raad.Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met de verhoging van het belastingrentepercentage een budgettair doel wordt gediend. De Hoge Raad heeft niet een ander doel daarvoor kunnen identificeren dat gewicht in de schaal kan leggen bij de beoordeling van de evenredigheid van dat hogere percentage specifiek voor de vennootschapsbelasting. Een lastenverzwaring die geheel of overwegend op budgettaire motieven berust, komt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als die hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Die groep wordt dan onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel. In dit geval moet daarom – met de nodige terughoudendheid – worden onderzocht of de besluitgever zonder goede grond de belastingrente alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting heeft verhoogd tot 8%. Hierbij geldt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente moeten worden beschouwd als gelijke gevallen. De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor alleen de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen. Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden, aldus de Hoge Raad. Met de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Daarom is de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.
Massaal bezwaar
Het Ministerie van Financiën meldt dat de teller van het aantal bezwaren inmiddels op 29.500 staat. Eerder berekende Financiën dat een uitspraak in het voordeel van de bezwaarmakers een tegenvaller van zeker € 1,3 miljard voor de schatkist zou betekenen, maar dat bedrag zal door de extra bezwaren hoger uitvallen. De Staatssecretaris van Financiën wees in 2025 alle klachten over de aan als massaal bezwaar.
Bronnen: www.hogeraad.nl en ©ANP
Uit het onderzoek blijkt verder dat bij de inzet van een enkelband aandacht is voor de persoonlijke omstandigheden van de client, waarbij de reclassering oog heeft voor de maatschappelijke en persoonlijke risico’s. Dat maakt dat de enkelband vaker ingezet kan worden om zo de cellentekorten in de gevangenissen op te vangen, schrijft de Inspectie. In het gevangeniswezen is sprake van een groot probleem vanwege het cellentekort en personeelstekort. Door mensen in voorarrest in de gaten te houden via een enkelband en gedetineerden eerder naar huis te sturen met een enkelband, kan de druk op het gevangeniswezen afnemen. In 2024 waren er ruim 2700 mensen die een enkelband moesten dragen. Een groot deel van hen droeg een enkelband in afwachting van de uitspraak van een rechter of omdat ze onder voorwaarden eerder uit de gevangenis mochten. De Inspectie heeft ook een aantal knelpunten vastgesteld. Adviseurs van de reclassering hebben niet alle cliënten bij wie de enkelband van meerwaarde kan zijn, in beeld. Ook beschikt de reclassering niet altijd over relevante politie-informatie om te adviseren over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de enkelband. Om te voorkomen dat de kwaliteit van de elektronische monitoring onder druk komt te staan, adviseert de inspectie om deze knelpunten op te pakken.
Vrijheid aan banden - Onderzoek naar de kwaliteit van elektronische monitoring door de reclassering
Bron: www.inspectie-jenv.nl
In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de voortoets, dus bij de vraag of significante gevolgen van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op voorhand kunnen worden uitgesloten. Kunnen zulke gevolgen niet uitgesloten worden, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt voor het bestemmingsplan. Intern salderen mag wel in de passende beoordeling, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit nieuwe beoordelingskader geldt direct voor alle lopende procedures over bestemmingsplannen.
Intern salderen
Als een bestemmingsplan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, eist het natuurbeschermingsrecht dat in een voortoets eerst wordt onderzocht of die ontwikkeling significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Een ruimtelijke ontwikkeling kan bijvoorbeeld woningbouw zijn, maar ook uitbreiding van andere al bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden in een gebied. Op 18 december 2024 oordeelde de Afdeling al dat in de voortoets alleen mag worden gekeken naar de gevolgen van een project op zichzelf, zónder rekening te houden met wat er in de oude situatie toegestaan was (intern salderen). Dat geldt vanaf nu ook voor een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Intern salderen mag wel in de stap die daarna komt: de passende beoordeling. Daarvoor is inzicht nodig in de gevolgen van wat feitelijk legaal aanwezig was op grond van het vorige bestemmingsplan. Dat wordt de referentiesituatie genoemd. De gevolgen in de referentiesituatie mogen dan worden weggestreept tegen de gevolgen van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. In lijn met de uitspraak van 18 december 2024 wordt ook in deze uitspraak geoordeeld dat intern salderen alleen mogelijk is als de verwachte voordelen vaststaan, de wijziging of beëindiging van de stikstofveroorzakende activiteit is verzekerd en voldaan wordt aan het additionaliteitsvereiste.
Vergewisplicht
Het additionaliteitsvereiste eist dat de gemeenteraad motiveert dat het salderen met de bestaande situatie (de referentiesituatie) niet nodig is om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. De gemeenteraad heeft echter geen bevoegdheid over, en dus ook geen invloed op, de keuze welke maatregelen noodzakelijk zijn voor beschermde natuurgebieden. Die bevoegdheden liggen bij andere overheden. Dit betekent dat de gemeenteraad aan zijn motiveringsplicht kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat die andere overheden de inzet van de referentiesituatie nodig vinden voor beschermde natuurgebieden. Het in deze uitspraak uiteengezette beoordelingskader voor intern salderen in bestemmingsplannen geldt direct.
Schema beoordelingskader intern salderen bij bestemmingsplannen
Bron: www.raadvanstate.nl
Volgens de onderzoekers verliepen de Tweede Kamerverkiezingen weliswaar in essentie vrij en eerlijk, maar vonden ze onder aanzienlijke digitale druk plaats, Voorbeelden daarvan zijn trollenlegers, illegale Generative AI (GenAI) content, heimelijke politieke advertenties, aanbevelende extremistische content, desinformatie over verkiezingsfraude, falende moderatie door platformen en andere dreigingen. Onderzoekers roepen op dat het toezicht vanuit de overheid veel strenger moet worden.
Toezicht
In een op 15 januari 2026 gepubliceerd interview in NRC zegt Pieter van Boheemen, directeur van Post-X Society, dat kunstmatige AI-beelden op grote schaal werden ingezet om politieke kandidaten zwart te maken, onder meer door Tweede Kamerleden van de PVV. Online platforms reageerden niet op meldingen over content die duidelijk in overtreding is met hun eigen beleid. De nationale toezichthouder kan weinig doen, want het toezicht op de grote platforms is belegd bij de Europese Commissie in Brussel. Of die wat met meldingen doet en zo ja wat, is onduidelijk. Volgens de directeur zijn er dus allerlei structurele tekortkomingen en zijn er individuen, politieke partijen en vermoedelijk ook andere landen die gemotiveerd zijn om daar misbruik van te maken.
Dutch parliamentary elections 2025 report
Bronnen: www.postxsociety.org en www.nrc.nl
In zaken van vier asielzoekers heeft het COA eigen bijdragen vastgesteld voor de kosten van de opvang. Dat deed het COA omdat de asielzoekers een vermogen hadden boven de vermogensgrens. Het vermogen van de asielzoekers bestond uit geld dat zij hadden ontvangen van dwangsommen die de minister aan hen heeft betaald, omdat de minister niet op tijd op hun asielaanvragen had beslist. De asielzoekers zijn van mening dat hun vermogen niet boven de vermogensgrens komt, omdat de betaalde dwangsommen immateriële schadevergoedingen zijn. Volgens het COA is een dwangsom geen immateriële schadevergoeding, maar een financiële prikkel voor de minister om sneller op een asielaanvraag te beslissen.
Oordeel Afdeling
De Afdeling is het eens met het standpunt van het COA en oordeelt dat de dwangsommen geen vergoedingen voor immateriële schade zijn. Zij hebben als doel om de minister sneller te laten beslissen op asielaanvragen. Daarom mag het COA de dwangsommen die aan asielzoekers zijn betaald, betrekken bij de berekening of het vermogen uitkomt boven de vermogensgrens. Als dat zo is, dan mag het COA een eigen bijdrage van de asielzoekers verlangen voor hun opvang. Uit de Europese Opvangrichtlijn volgt dat EU-lidstaten een eigen bijdrage mogen vragen voor opvangvoorzieningen en gezondheidszorg, als asielzoekers over voldoende middelen beschikken. Deze bevoegdheid is in de Opvangrichtlijn verder niet geregeld. Het COA is daarom vrij om zelf invulling te geven aan deze bevoegdheid. Het COA sluit hiervoor aan bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de zogenoemde interingsnorm uit de Participatiewet, en dat mag zij doen, zo oordeelt de Afdeling.
ECLI:NL:RVS:2026:139
ECLI:NL:RVS:2026:140
ECLI:NL:RVS:2026:141
ECLI:NL:RVS:2026:142
Bron: www.raadvanstate.nl
Door de wet is een aantal gedragingen nu strafbaar geworden. Twee van de nieuwe strafbaarstellingen zijn het stelen en helen van gegevens, waaronder foto’s, afbeeldingen en persoonsgegevens vallen. Ook online handelsfraude, zoals het oplichten van kopers via Marktplaats, heeft nu een eigen wetsartikel. Naast strafbaarstellingen biedt de wet nieuwe manieren om criminaliteit op te sporen en te verstoren. Zo mag de politie onder voorwaarden apparaten van verdachten hacken en kunnen illegale websites ontoegankelijk gemaakt worden. Uit de evaluatie van de wet komt een aantal aandachtspunten naar voren. Hoewel de strafbaarstelling van online handelsfraude volgens de wetgever vooral gericht is op grootschalige vormen van fraude, komt deze grootschaligheid in de door de onderzoekers bestudeerde zaken bijna niet voor. Daarnaast is het wetsartikel rondom online handelsfraude eenvoudiger van aard dan het wetsartikel ‘gewone’ oplichting. Hierdoor zou het in potentie gemakkelijker moeten zijn om verdachten te vervolgen. In de praktijk blijkt dat te weinig menskracht beschikbaar is om het grote aantal verdachten daadwerkelijk te vervolgen.
Bijzondere opsporingsbevoegdheden
In de praktijk is een spanningsveld zichtbaar tussen enerzijds de efficiëntie en effectiviteit van een inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden ontoegankelijkmaking van gegevens (art. 125p Sv) en de hackbevoegdheid (artt. 126nba, 126uba en 126zpa Sv) en anderzijds de rechtsstatelijkheid. Vanwege de ingrijpendheid van deze bevoegdheden is het van belang dat stevige toetsingsvoorwaarden blijven bestaan. Met betrekking tot de ontoegankelijkmaking van gegevens kan gekeken worden of er meer variatie kan komen wat betreft bepaalde voorwaarden. Bijvoorbeeld de plicht voor een rechter-commissaris om een aanbieder te horen voorafgaand aan het afgeven van een machtiging om gegevens ontoegankelijk te maken. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken of hetgeen nu alleen nog in de memorie van toelichting staat beschreven met betrekking tot het achterwege laten van het horen van de aanbieder ook in de wetstekst zelf opgenomen kan worden. Met betrekking tot de hackbevoegdheid heeft de toenmalig Minister van JenV al de keuze gemaakt om bepaalde voorwaarden anders in te richten, namelijk ten aanzien van de keuring van technische hulpmiddelen. Daarbij ging de minister ervan uit dat een zittingsrechter het bewijs, verzameld met de hackbevoegdheid, toetst. Tot nu toe heeft, zo blijkt uit de evaluatie, een zittingsrechter zich zeer sporadisch inhoudelijk gebogen over de inzet van de hackbevoegdheid. Dat betekent dat geen recht wordt gedaan aan een belangrijke rechtsstatelijke waarborg waarvan wel verondersteld wordt dat die in de praktijk aanwezig is. Dat is een belangrijk aandachtspunt.
Evaluatie Wet Computercriminaliteit III - Een empirisch onderzoek naar de toepassing in de praktijk
Bron: www.wodc.nl