Artikelen van Redactie
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het ontwerpbesluit dat de uitzonderingen op het aankomende vuurwerkverbod moet regelen. Dit verbod, dat vanaf de jaarwisseling 2026–2027 geldt voor particulieren, maakt het in principe verboden om zelf vuurwerk af te steken. Tegelijkertijd biedt de Wet veilige jaarwisseling ruimte voor gemeenten om via een ontheffing georganiseerde groepen, zoals verenigingen of stichtingen, toch vuurwerk te laten afsteken. Het ontwerpbesluit beschrijft onder welke voorwaarden die uitzonderingen kunnen worden toegestaan.
Volgens de Raad van State schiet het voorstel van de regering echter tekort, omdat het te weinig concrete regels bevat en daardoor onvoldoende aansluit bij het hoofddoel van de wet: het vergroten van de veiligheid rond de jaarwisseling. Door de toegang tot een ontheffing laagdrempelig te maken, ontstaat het risico dat er alsnog op grotere schaal vuurwerk wordt afgestoken, wat juist de beoogde veiligheidswinst kan ondermijnen. Daarnaast maakt deze open benadering het voor gemeenten ingewikkelder om het beleid goed uit te voeren en te controleren.
Een belangrijk punt van kritiek is dat het ontwerpbesluit nauwelijks landelijke veiligheidsnormen vastlegt. Zo ontbreekt een minimale afstand tussen het afsteekpunt en het publiek. Die verantwoordelijkheid ligt nu volledig bij de burgemeester, terwijl juist een uniforme norm kan helpen bij het beperken van risico’s en het ondersteunen van lokale besluitvorming. Zonder zulke kaders bestaat de kans op verschillen tussen gemeenten en mogelijk onveilige situaties.
Ook over de doelgroep van de ontheffing is de Afdeling niet te spreken. In het voorstel is niet vastgelegd dat aanvragers een band moeten hebben met de gemeente waarin zij de vergunning aanvragen. Hierdoor kunnen organisaties zonder lokale wortels in meerdere gemeenten ontheffingen aanvragen, bijvoorbeeld om strengere regels elders te omzeilen of om op grotere schaal vuurwerk in te kopen. Dit druist in tegen de bedoeling van de wetgever, die juist het oog had op kleinschalige initiatieven vanuit de lokale gemeenschap.
Verder plaatst de Raad van State vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van de handhaving. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor toezicht, maar geven aan dat buitengewoon opsporingsambtenaren rond de jaarwisseling vaak niet inzetbaar zijn vanwege de onveilige omstandigheden op straat. In de toelichting van het ontwerpbesluit wordt niet duidelijk gemaakt hoe het toezicht in de praktijk dan wel georganiseerd wordt. Dat gebrek aan duidelijkheid roept twijfels op over de naleving en daarmee over de veiligheid.
Alles bij elkaar oordeelt de Afdeling advisering dat het voorstel in de huidige vorm onvoldoende waarborgen biedt. Zij adviseert de regering dan ook om het besluit niet vast te stellen, tenzij het wordt aangepast met strengere en duidelijkere regels, waaronder landelijke veiligheidsnormen, een vereiste van lokale binding en een beter uitgewerkt plan voor toezicht en handhaving.
Bron: Raad van State
Op 14 en 15 mei 2026 vindt in Chişinău, de hoofdstad van Moldavië, een ministeriële conferentie van de Raad van Europa plaats. Tijdens deze bijeenkomst staat de aanneming van een politieke verklaring over mensenrechten en migratie centraal. In aanloop naar de conferentie roept het College voor de Rechten van de Mens de Nederlandse regering op om zich nadrukkelijk te blijven inzetten voor het Europees systeem van mensenrechtenbescherming en voor de onafhankelijke positie en het gezag van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De aanleiding voor deze oproep is dat sommige lidstaten van de Raad van Europa ervaren dat hun migratiebeleid te weinig ruimte krijgt. Dit speelt vooral bij irreguliere migratie en bij de uitzetting van vreemdelingen die ernstige strafbare feiten hebben gepleegd. Daarbij wordt vaak verwezen naar de rechtspraak van het Europees Hof over het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling en over het recht op privé- en gezinsleven. Andere lidstaten benadrukken echter dat het Hof staten al aanzienlijke beleidsvrijheid laat en dat de grenzen die het mensenrechtenrecht stelt voortvloeien uit de fundamentele waarden die het EVRM beschermt. Volgens hen mag een discussie over migratie onder geen beding leiden tot het ondermijnen van het gezag van het Hof of tot een verlaging van het beschermingsniveau van mensenrechten.
Voor het College staat vast dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van essentieel belang is voor de democratische rechtsstaat. Het Verdrag beschermt uiteenlopende basisrechten waar burgers dagelijks gebruik van maken, zoals de vrijheid van meningsuiting, het eigendomsrecht, bescherming tegen huiselijk geweld en de demonstratievrijheid. Deze rechten zijn in Nederland verankerd in nationale wetgeving en worden door de rechter beschermd. Het gezamenlijke Europese minimumniveau wordt uiteindelijk bewaakt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat fungeert als vangnet wanneer nationale rechtsbescherming tekortschiet.
Dat vangnet is ook voor Nederlanders van grote waarde gebleken. In Straatsburg hebben onder meer nabestaanden van de MH17-ramp, journalisten, patiënten en ondernemers met succes bescherming gezocht en gekregen. Die rechtsbescherming is volgens het College onvervangbaar. Zonder het Europees Hof kan de Nederlandse rechtsstaat, net als die van de andere verdragsluitende staten, niet goed functioneren. Ook de Nederlandse regering heeft zich hieraan gecommitteerd door in het coalitieakkoord te benadrukken pal te blijven staan voor westerse vrije waarden en mensenrechten.
Het College erkent dat het vanzelfsprekend en legitiem is dat verdragsstaten met elkaar in gesprek gaan over het EVRM. Sinds de totstandkoming van het Verdrag in 1950 is dat ook regelmatig gebeurd, onder meer via de aanneming van protocollen en politieke verklaringen ter versterking van het Verdrag en het Hof. Een recent voorbeeld is de top in Reykjavik in 2023, waar Europese leiders hun inzet voor democratie, rechtsstaat en mensenrechten opnieuw bevestigden in het licht van de Russische inval in Oekraïne.
Wat de huidige onderhandelingen rond de Verklaring van Chişinău volgens het College zorgelijk maakt, is dat sommige staten de indruk wekken het beschermingsniveau van fundamentele rechten te willen verlagen en het gezag van het Europees Hof ter discussie te stellen. Dat heeft geleid tot brede zorgen bij mensenrechtenorganisaties, wetenschappers, nationale mensenrechteninstituten en bij de Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa. Ook het Europese netwerk van nationale mensenrechteninstituten heeft hierover een gezamenlijke verklaring uitgebracht, die door het College is onderschreven.
Het College volgt de onderhandelingen nauwgezet en verwacht van de Nederlandse regering, die traditioneel een actieve en constructieve rol binnen de Raad van Europa speelt, dat zij zich zowel in de aanloop naar als tijdens de conferentie in Chişinău inzet voor het behoud van het Europese mensenrechtensysteem. Cruciaal is dat de uiteindelijke Verklaring van Chişinău geen afbreuk doet aan de betekenis van het EVRM voor democratie, rechtsstaat en mensenrechten, de onafhankelijkheid en het gezag van het Europees Hof erkent en het Hof volledig respecteert in zijn taak om het Verdrag te interpreteren en toe te passen. Daarnaast moet worden onderstreept dat mensenrechten toekomen aan iedereen, zonder discriminatie, dat staten verplicht zijn deze rechten te waarborgen voor eenieder onder hun rechtsmacht, dat het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling absoluut is en dat het Hof bij de toepassing van het recht op privé- en gezinsleven al ruime beleidsvrijheid laat aan de verdragsstaten in lijn met het subsidiariteitsbeginsel.
De conferentie in Chişinău vormt daarmee een belangrijk ijkpunt. Zij zal laten zien of Europese staten blijven vasthouden aan een sterk en effectief mensenrechtensysteem dat burgers al decennia lang bescherming biedt, of dat zij bereid zijn dat fundament te verzwakken.
Eerder over de conferentie in Chişinău in NJB 2026/801 afl. 15: Nederland op weg naar Chișinău; Over de Raad van Europa en migratierechtspraak