Artikelen van Redactie
De Afghaanse mannen werkten als bewaker bij de Nederlandse ambassade in Kaboel, voordat de Taliban in augustus 2021 de macht overnamen. De mannen stellen dat zij vanwege deze werkzaamheden gevaar lopen in Afghanistan en dat de Staat hen daarom naar Nederland moet overbrengen. De kantonrechter in de Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat op de Staat een zorgplicht jegens de mannen rust en dat de Staat daarom verplicht is de Afghaanse bewakers naar Nederland over te brengen.
Het hof heeft in hoger beroep de vordering van de Afghaanse bewakers alsnog afgewezen. Volgens het hof heeft de Staat geen zorgplicht jegens de mannen. Zij waren niet in dienst van de Staat, maar bij een lokaal bedrijf. Dit bedrijf verrichtte de bewakingsdiensten in opdracht van de Staat. De verplichtingen van de Staat jegens de mannen moeten volgens het hof daarom worden beoordeeld naar Afghaans recht. Dat recht kent geen zorgplicht jegens het personeel van een opdrachtnemer die meebrengt dat dit personeel zo nodig geëvacueerd moet worden naar een ander land. Die zorgplicht bestaat volgens het hof trouwens ook niet naar Nederlands recht in een geval zoals dit. Volgens het hof doen de Afghaanse bewakers ook tevergeefs een beroep op de bescherming van de mensenrechtenverdragen waarbij Nederland is aangesloten. Om een beroep op die verdragen te kunnen doen, is volgens het hof vereist dat de Staat rechtsmacht over de Afghaanse bewakers had. Dat wil zeggen: dat de Staat controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen. Dat was volgens het hof niet het geval.
Cassatieklachten
De Afghaanse mannen bestrijden in hun cassatieberoep dat het Afghaanse recht van toepassing is met betrekking tot de vraag of op de Staat een zorgplicht rust. Volgens hen is Nederlands recht van toepassing. Zij bestrijden het oordeel van het hof dat naar Nederlands recht in dit geval geen zorgplicht voor de Staat bestaat op grond waarvan de Staat hen naar Nederland moet overbrengen. Ook voeren de Afghaanse mannen aan dat de Staat wel controle en gezag over hen kon uitoefenen en daarom wel rechtsmacht over hen had. Volgens hen is de Staat daarom ook op grond van mensenrechtenverdragen verplicht om hen naar Nederland over te brengen.
De A-G is van mening dat de cassatieklachten van de Afghaanse mannen ongegrond zijn. Het hof heeft volgens hem terecht beslist dat het Afghaanse recht van toepassing is. Ook vindt de A-G dat het hof terecht heeft beslist dat in dit geval naar Nederlands recht geen zorgplicht van de Staat bestaat die meebrengt dat de mannen naar Nederland moeten worden overgebracht. Het oordeel van het hof dat de Staat geen controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen en dus geen rechtsmacht over hen had, is volgens de A-G in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 15 januari 2027
Bron: Hoge Raad
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het ontwerpbesluit dat de uitzonderingen op het aankomende vuurwerkverbod moet regelen. Dit verbod, dat vanaf de jaarwisseling 2026–2027 geldt voor particulieren, maakt het in principe verboden om zelf vuurwerk af te steken. Tegelijkertijd biedt de Wet veilige jaarwisseling ruimte voor gemeenten om via een ontheffing georganiseerde groepen, zoals verenigingen of stichtingen, toch vuurwerk te laten afsteken. Het ontwerpbesluit beschrijft onder welke voorwaarden die uitzonderingen kunnen worden toegestaan.
Volgens de Raad van State schiet het voorstel van de regering echter tekort, omdat het te weinig concrete regels bevat en daardoor onvoldoende aansluit bij het hoofddoel van de wet: het vergroten van de veiligheid rond de jaarwisseling. Door de toegang tot een ontheffing laagdrempelig te maken, ontstaat het risico dat er alsnog op grotere schaal vuurwerk wordt afgestoken, wat juist de beoogde veiligheidswinst kan ondermijnen. Daarnaast maakt deze open benadering het voor gemeenten ingewikkelder om het beleid goed uit te voeren en te controleren.
Een belangrijk punt van kritiek is dat het ontwerpbesluit nauwelijks landelijke veiligheidsnormen vastlegt. Zo ontbreekt een minimale afstand tussen het afsteekpunt en het publiek. Die verantwoordelijkheid ligt nu volledig bij de burgemeester, terwijl juist een uniforme norm kan helpen bij het beperken van risico’s en het ondersteunen van lokale besluitvorming. Zonder zulke kaders bestaat de kans op verschillen tussen gemeenten en mogelijk onveilige situaties.
Ook over de doelgroep van de ontheffing is de Afdeling niet te spreken. In het voorstel is niet vastgelegd dat aanvragers een band moeten hebben met de gemeente waarin zij de vergunning aanvragen. Hierdoor kunnen organisaties zonder lokale wortels in meerdere gemeenten ontheffingen aanvragen, bijvoorbeeld om strengere regels elders te omzeilen of om op grotere schaal vuurwerk in te kopen. Dit druist in tegen de bedoeling van de wetgever, die juist het oog had op kleinschalige initiatieven vanuit de lokale gemeenschap.
Verder plaatst de Raad van State vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van de handhaving. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor toezicht, maar geven aan dat buitengewoon opsporingsambtenaren rond de jaarwisseling vaak niet inzetbaar zijn vanwege de onveilige omstandigheden op straat. In de toelichting van het ontwerpbesluit wordt niet duidelijk gemaakt hoe het toezicht in de praktijk dan wel georganiseerd wordt. Dat gebrek aan duidelijkheid roept twijfels op over de naleving en daarmee over de veiligheid.
Alles bij elkaar oordeelt de Afdeling advisering dat het voorstel in de huidige vorm onvoldoende waarborgen biedt. Zij adviseert de regering dan ook om het besluit niet vast te stellen, tenzij het wordt aangepast met strengere en duidelijkere regels, waaronder landelijke veiligheidsnormen, een vereiste van lokale binding en een beter uitgewerkt plan voor toezicht en handhaving.
Bron: Raad van State