Artikelen van Redactie
De reclassering geeft adviezen over verdachten en veroordeelden aan het Openbaar Ministerie (OM) en rechters. Hierbij gebruikt de reclassering algoritmes om het risico te voorspellen dat iemand opnieuw de fout ingaat. Met name het algoritme OXREC is risicovol. Deze wordt altijd bij de advisering gebruikt en ongeveer 44.000 keer per jaar toegepast. In de software van de OXREC heeft de Inspectie fouten aangetroffen. Zo worden sinds de ingebruikname in 2018 formules voor gevangenen en verdachten verwisseld en worden verkeerde getallen gebruikt. Hierdoor wordt in de meeste gevallen het risico op recidive te laag ingeschat, met name voor drugsgebruikers en mensen met een ernstige psychische aandoening zoals een psychose. In welke mate reclasseringsmedewerkers en rechters verkeerde adviezen ook hebben overgenomen met mogelijke risico’s voor de maatschappij, verdachten en veroordeelden zelf heeft de Inspectie niet onderzocht.
Onbetrouwbaar en discriminerend
De data van de OXREC is sterk verouderd en is ontwikkeld voor een andere doelgroep dan waar de reclassering ze op toepast. Ook voldoet de OXREC niet aan de privacywetgeving. De Inspectie ziet ook risico’s dat medewerkers de uitkomsten ervan te makkelijk overnemen en niet meer vertrouwen op hun eigen oordeel. Hen wordt verteld dat hun eigen oordeel net zo betrouwbaar is als ‘het opgooien van een muntje’. Daarmee wordt de betrouwbaarheid van dit algoritme te groot gemaakt. De OXREC gebruikt variabelen die kunnen leiden tot discriminatie; namelijk ‘buurtscore’ en ‘hoogte van het inkomen’. Het College van de Rechten van de Mens heeft enkele jaren geleden gesteld dat het gebruik van deze variabelen in algoritmes in principe verboden is, tenzij onderbouwd kan worden waarom gebruik noodzakelijk is en er aanvullende maatregelen worden getroffen. De reclassering heeft dit echter niet gedaan. Volgens de Inspectie stuurt de reclassering niet voldoende op het gebruik en onderhoud van de algoritmes. De aangetroffen tekortkomingen zijn daardoor jarenlang niet opgemerkt.
Aanbevelingen
De Inspectie beveelt aan dat de tekortkomingen zo snel als mogelijk worden weggewerkt of dat de OXREC wordt stilgelegd. Daarnaast beveelt de Inspectie de reclassering aan een structuur op te zetten voor de ontwikkeling, het gebruik en het onderhoud van algoritmes en die uit te voeren. De reclassering moet de algoritmes trainen met nieuwe gegevens en moet nagaan of het gebruik ervan correct is. Ook moet ze voldoen aan de wettelijke normen en richtlijnen hiervoor zoals het toetsen van de privacy. De Inspectie JenV wil elke zes maanden van de reclassering weten hoe ver zij is met deze verbeteringen. De reclassering heeft aangekondigd dat zij tijdelijk zal stoppen met het gebruik van de OXREC.
Rapport Risicovol algoritmegebruik
Bron: www.inspectie-jenv.nl
PFAS is een groep chemische stoffen die sinds de jaren '60 worden gebruikt in een zeer breed scala aan toepassingen zoals regenkleding, cosmetica, kookgerei en medicijnen. Er zijn op dit moment circa 10.000 verschillende PFAS-verbindingen. PFAS zijn vaak slecht afbreekbaar en kunnen door uitstoot tijdens industriële processen en bij gebruik in het milieu terechtkomen en via het (grond)water en de lucht verder verspreid raken. In de afgelopen decennia is steeds meer bekend geworden over de aanwezigheid van PFAS in het milieu en de risico’s daarvan voor de gezondheid van mensen en dieren. Partijen zijn het erover eens dat het noodzakelijk is om verspreiding van PFAS tegen te gaan en om maatregelen te treffen tegen de gezondheidsrisico’s van PFAS die al in het milieu aanwezig zijn. Een vijftal milieuorganisaties vindt dat de Staat op dat vlak onvoldoende en met te weinig voortvarendheid maatregelen treft. Daardoor blijft volgens hen wijdverbreide verontreiniging in stand met grote schade aan mens en milieu tot gevolg.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de regering en het parlement een grote mate van vrijheid hebben om afwegingen te maken over de aanpak van de PFAS-problematiek. Die afwegingen zijn complex: het treffen van mogelijke maatregelen raakt aan allerlei maatschappelijke belangen, zoals het belang van woningbouw, afvalverwerking en drinkwaterproductie. Het is niet aan de rechter om keuzes hierin voor te schrijven. De rechter beoordeelt wel of de regering en het parlement bij hun besluitvorming zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan ook de regering en het parlement zijn gebonden. De rechtbank wijst de vorderingen af die gaan over de norm voor zogenoemde PFOS (één van de stoffen uit de stoffengroep van PFAS) in het oppervlaktewater. Volgens de milieuorganisaties moet de Staat de norm uiterlijk op 22 december 2027 halen, maar is het uitgesloten dat dit lukt. De Staat stelt daarentegen dat de termijn voor het halen van de norm nog kan worden uitgesteld. De milieuorganisaties hebben dit niet voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat de Staat de norm op uiterlijk 22 december 2027 moet halen. De rechtbank wijst ook de andere vorderingen van de milieuorganisaties af. De rechtbank vindt de maatregelen die de Staat met de kennis van nu neemt, geschikt en voldoende. Na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen, heeft de Staat ervoor gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Verder geeft de Staat er prioriteit aan om zich in te zetten voor een zo breed mogelijk Europees verbod op het gebruik van vrijwel alle PFAS, gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving. Dit alles valt binnen de beoordelingsvrijheid die de Staat heeft, oordeelt de rechtbank.
Bron: www.rechtspraak.nl
In 2018 is de bioscoop Focus verhuisd naar een nieuw pand en sindsdien kunnen bioscoopkaartjes alleen nog met pinpas of creditcard, of online via de website gekocht worden. Ook consumpties in de horecagelegenheid van Focus kunnen alleen nog met pin of creditcard betaald worden. Dat zou de veiligheid van de veelal vrijwillige medewerkers van de bioscoop vergroten. Een Arnhemmer vindt dit in strijd met zijn recht op privéleven, omdat daarbij onnodig persoonsgegevens van hem verwerkt worden. Daarom heeft hij de AP verzocht om, met toepassing van de AVG onderzoek te doen naar en handhavend op te treden tegen de afschaffing van de mogelijkheid van contante betalingen door Focus. De AP heeft op basis van bureauonderzoek het niet aannemelijk geacht dat zich mogelijkerwijs een overtreding van de AVG voordoet doordat Focus geen contante betalingen accepteert. De AP heeft het handhavingsverzoek daarom afgewezen.
Oordeel Afdeling
Sociale veiligheid kan een gerechtvaardigd doel kan zijn om alleen pinbetalingen te accepteren. Maar op basis van de informatie in deze zaak kan niet worden vastgesteld of de veiligheid van de medewerkers van de bioscoop in dit geval werkelijk in het geding is. De man uit Arnhem had gemotiveerd betwist dat het accepteren van contante betalingen zou leiden tot onveilige situaties voor de bioscoopmedewerkers, en de AP heeft daar niets tegenover gesteld. Uit niets blijkt dat het afschaffen van contant geld in dit geval een wezenlijk effect heeft op de veiligheid van de medewerkers van de bioscoop. De enkele omstandigheid dat contant geld vatbaar is voor diefstal is naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende om uit een oogpunt van (sociale) veiligheid contante betalingen af te schaffen en over te stappen op verplichte pinbetalingen. De AP moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.
Bron: www.raadvanstate.nl
De focus van het onderzoek lag op ernstige milieudelicten, zoals illegale lozingen door bedrijven, het onjuist verwerken van afval en het dumpen van gevaarlijke stoffen. Het beeld in het veld is namelijk dat juist bij ernstige delicten de verhouding tussen het effect van het delict en de opgelegde straf scheefloopt. Het sanctioneren van ernstige milieudelicten varieert bij personen van een taakstraf of gevangenisstraf tot ontzetting uit het recht een bepaald beroep uit te oefenen. Voor ondernemingen loopt dit uiteen van boetes tot zelfs het geheel of gedeeltelijk stilleggen van het bedrijf. Om de juridische mogelijkheden effectief toe te passen op bedrijven is voldoende inzicht in de financiële positie van de onderneming en kennis van de (soms complexe) bedrijfsprocessen vereist. Daardoor is het soms moeilijk om een passende strafmaat te bepalen. Ook de controle op bijvoorbeeld de naleving van voorwaardelijke straffen is hierdoor moeilijker.
Geldboetes
Hoewel diverse sancties als mogelijk effectief beschouwen, worden in de praktijk vooral geldboetes opgelegd. De bestuurlijke strafbeschikking in de vorm van een geldboete wordt positief gewaardeerd: een snelle reactie op een geconstateerde overtreding. Deze wijze van buitengerechtelijke afdoening kan echter enkel worden ingezet voor relatief geringe feiten. Bij ernstige delicten worden potentieel effectieve sancties zoals stillegging van een onderneming, ontnemingsmaatregelen en herstelverplichtingen nu beperkt toegepast. Dat komt vooral door verschillende knelpunten die zich in de praktijk voordoen, zoals een lage pakkans en sanctiekans, en problemen en tekortkomingen in (keten)samenwerking. Ook de complexiteit van milieuwetgeving, trage procedures en de beperkte capaciteit van ketenpartners vormen belangrijke obstakels voor effectieve handhaving in het milieudomein. Opvallend is dat de effectiviteit van strafrechtelijke sancties niet alleen zit in de sancties zelf, maar ook (en soms vooral) in bepaalde opsporingshandelingen en bijkomende effecten van sancties, zoals reputatieschade of het verlies van vergunningen.
Aanbevelingen
Om het opsporen, vervolgen en bestraffen van ernstige milieudelicten te versterken, doen de onderzoekers een aantal aanbevelingen:
- Ontwikkel richtlijnen rondom de hoogte van de straf in milieustrafzaken en neem daarin bijvoorbeeld op dat de hoogte van geldboetes zoveel mogelijk wordt afgestemd op de financiële positie van de verdachte onderneming. Dat kan rechters handvatten bieden bij het bepalen van een passende sanctie.
- Maak beter gebruik van de mogelijkheden die de wet biedt. In de praktijk wordt te vaak teruggevallen op de (relatief gemakkelijk op te leggen) geldboete, terwijl bijvoorbeeld een verplichting tot herstel effectiever kan zijn.
- Houd ondernemingen die voor milieucriminaliteit zijn bestraft beter in de gaten. Actieve monitoring lijkt momenteel te ontbreken, waardoor weinig zicht is op hoe het gedrag van een veroordeelde onderneming zich na oplegging van de sanctie ontwikkelt.
- Zie erop toe dat alle actoren binnen de handhavingsketen nadrukkelijk het milieubelang naar voren brengen. Daarmee wordt duidelijker welke belangen met milieuwetgeving worden beschermd en welke schade milieucriminaliteit teweegbrengt.
Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten
Bron: www.wodc.nl
Door deze wisselwerking ontstaat het risico dat discriminerende taal in het publieke debat als steeds normaler wordt gezien. Discriminatie is een terugkerend onderwerp in de politiek, in kranten en op sociale media. In het publieke debat komt geregeld de vraag naar voren in hoeverre uitingen van politici, berichtgeving in kranten en reacties op sociale media elkaar beïnvloeden en kunnen bijdragen aan een klimaat waarin discriminatie wordt genormaliseerd. Tot nu toe ontbrak wetenschappelijk onderbouwde kennis over deze wisselwerking, met name over de richting waarin de beïnvloeding verloopt. Om daar beter zicht op te krijgen, heeft de staatscommissie onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam gevraagd hier onderzoek naar te doen. Zij analyseerden toespraken en interrupties van Tweede Kamerleden, artikelen uit nationale kranten en YouTube-reacties onder de kanalen van De Telegraaf, NOS, NOS Jeugdjournaal en NU.nl. Daarbij is gekeken hoe vaak over bevolkingsgroepen wordt gesproken, met welke emotionele lading dit gebeurt en hoe vaak er sprake is van discriminerende uitingen. Het onderzoek is gebaseerd op miljoenen teksten uit de periode 2014–2024.
Uitingen Tweede Kamerleden
De resultaten laten zien dat vooral uitingen van Tweede Kamerleden richtinggevend zijn. Wanneer politici vaker, negatiever of discriminerend over bevolkingsgroepen spreken, volgen in de periode daarna vergelijkbare patronen op sociale media. Tegelijkertijd zijn er ook aanwijzingen voor invloed in de omgekeerde richting. Wanneer op sociale media vaker over bevolkingsgroepen wordt gesproken, en wanneer deze uitingen negatiever van toon zijn, is dit in de periode daarna ook terug te zien in uitingen van Tweede Kamerleden. Zo ontstaat volgens de staatscommissie een risico op een neerwaartse spiraal waarin discriminerende taal steeds ‘normaler’ wordt, en dat is zorgelijk.
Tussen Kamer, krant en sociale media - De wisselwerking tussen de Tweede Kamer, landelijke kranten en sociale media in de verspreiding van discriminerende uitingen
In de strafzaak Vidar is veel aandacht besteed aan twee moties die de Tweede Kamer heeft aangenomen. Het gaat daarbij om de in 1998 bij de behandeling van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden aangenomen motie Kalsbeek (Kamerstukken II 1998/99, 25403, nr. 33), waarin de Tweede Kamer een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant heeft uitgesproken. Daarnaast gaat het om de in 2014 aangenomen motie Recourt (Kamerstukken II 2013/14, 29279, nr. 192), waarmee de Tweede Kamer uitsprak dat een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant mogelijk was. In cassatie wordt in verschillende zaken (onder meer) geklaagd over het oordeel van het hof over de inzet en betrouwbaarheid van de criminele burgerinfiltrant. Zo zou voor de inzet een toereikende wettelijke grondslag ontbreken. A-G Sinnige nam op 15 juli 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1233) conclusie in de zaken en achtte de cassatieklachten in vijf zaken en de ontnemingszaak ongegrond en adviseerde de Hoge Raad de cassatieberoepen te verwerpen en de veroordelingen (en de beslissing in de ontnemingszaak) in stand te laten. In een zesde strafzaak adviseerde zij tot vernietiging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van twee voorwerpen, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklachten over de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ niet slagen.
Juridisch kader en betekenis moties
De opvatting van de verdediging dat voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ een toereikende grondslag ontbreekt, is onjuist. Op grond van de wet (specifiek: art. 126w Wetboek van Strafvordering (Sv)) kan de officier van justitie met ‘een persoon die geen opsporingsambtenaar is’ overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing. De officier van justitie kan toepassing geven aan deze bevoegdheid als het onderzoek dit dringend vordert en als het gaat om de verdenking van een misdrijf waarvoor een bevel voorlopige hechtenis kan worden gegeven, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Toepassing van deze bevoegdheid kan alleen plaatsvinden als niet een bevel kan worden gegeven tot infiltratie door een opsporingsambtenaar. Art. 126w Sv noemt ook enkele voorwaarden waaraan de uitvoering van de bevoegdheid door de burgerinfiltrant moet voldoen. Een van die voorwaarden is dat de persoon aan wie het bevel tot infiltratie wordt gegeven een ander niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop het opzet van die ander al gericht was.
De tekst van art. 126w Sv stelt niet de beperking dat het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan om zijn bevoegdheid toe te passen ten aanzien van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Uitsluitend van belang is dat het gaat om een persoon (burger) die geen opsporingsambtenaar is.
Wat betreft de twee ingediende moties is volgens de Hoge Raad van belang dat deze de (meerderheids)opvatting van de Tweede Kamer op twee verschillende momenten in de tijd tot uitdrukking brengen over de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden door politie en OM toepassing zou mogen worden gegeven aan de inzet van een burgerinfiltrant. Het samenstel van deze moties brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat, wat betreft de toepassing van artikel 126w Sv in die periode, de wettelijke grondslag ontbrak. Wel komt in de parlementaire stukken naar voren dat heel terughoudend moet worden omgegaan met de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ en dat die inzet slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en onder strikte waarborgen kan plaatsvinden. Tot die waarborgen horen ook de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
De cassatieklacht die berust op de opvatting dat de rechter bij de beoordeling van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ niet alleen moet nagaan of is voldaan aan de eisen die door de wet- en regelgeving aan die inzet worden gesteld, maar ook of is voldaan aan (aanvullende) eisen zoals die tot uitdrukking komen in de motie Recourt, slaagt volgens de Hoge Raad ook niet. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.
De Hoge Raad benadrukt het belang dat de rechter die een oordeel moet geven over de rechtmatigheid van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ en over diens betrouwbaarheid, inzicht krijgt in het concrete verloop van de uitvoering van de infiltratieactie en in de contacten van de infiltrant met de verdachte(n). Daarom is het belangrijk dat er een goede verslaglegging is van wat er tijdens de infiltratieactie is gebeurd.
De zes strafzaken
Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof heeft onderzocht of bij de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ is voldaan aan de voorwaarden die artikel 126w Sv aan die inzet stelt. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit maar ook op de manier waarop de verslaglegging heeft plaatsgevonden. Verder heeft het hof onder meer onderzocht of het College van procureurs-generaal tijdig heeft ingestemd met de inzet, of de minister van justitie en veiligheid tijdig op de hoogte is gesteld en of bij de inzet de betreffende voorwaarden uit een OM-aanwijzing zijn nageleefd.
Het hof heeft naar aanleiding van dit onderzoek geoordeeld dat zich hierbij vormfouten hebben voorgedaan. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd dat en waarom aan de geconstateerde vormverzuimen geen gevolgen hoeven te worden verbonden. Dat heeft het hof volgens de Hoge Raad op juridisch juiste wijze gedaan en ook toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de rol van de ‘criminele burgerinfiltrant’ beperkt bleef tot een bijrol. Ook is van belang dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat het infiltratietraject weliswaar niet kortdurend was en de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ niet eenmalig, maar dat de verdachten daardoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Tot slot is van belang dat het hof in zijn beschouwing heeft betrokken dat met de manier waarop in deze zaak de ‘criminele burgerinfiltrant’ is ingezet, geen afbreuk is gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing.
ECLI:NL:HR:2026:178
ECLI:NL:HR:2026:187
ECLI:NL:HR:2026:194
ECLI:NL:HR:2026:192
ECLI:NL:HR:2026:191
ECLI:NL:HR:2026:189
ECLI:NL:HR:2026:188
Bron: www.hogeraad.nl
Het hof (ECLI:NL:GHSHE:2024:2444) heeft de verdachte veroordeeld voor moord en hem een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Tegen deze uitspraak stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. A-G Sinnige adviseerde de Hoge Raad op 11 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1233) de veroordeling en de opgelegde levenslange gevangenisstraf in stand te laten.
Oordeel Hoge Raad
De cassatieklacht van de verdachte stelt de vraag aan de orde of de levenslange gevangenisstraf ook in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt als een tot levenslang veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, met het oog op de voorbereiding op een eventuele terugkeer in de samenleving. Voor de beantwoording van deze vraag is volgens de Hoge Raad allereerst van belang dat, in verband met het aanbieden van passende behandeling en zorg, al in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragskundige rapportage plaatsvindt. Daarnaast voorziet de Nederlandse wetgeving in uiteenlopende mogelijkheden van (psychiatrische) behandeling tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Verder is van belang dat iedere tot levenslang veroordeelde de mogelijkheid heeft om de beslissingen over de manier van tenuitvoerlegging te laten toetsen door de (penitentiaire of burgerlijke) rechter. Dit alles brengt volgens de Hoge Raad met zich dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in zo’n geval verenigbaar is met de eisen die art. 3 EVRM stelt. De enkele omstandigheid dat beslissingen over het aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het bij de oplegging van de straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof heeft in deze zaak een levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op onder meer de buitengewone ernst van het misdrijf en het met de strafoplegging ook na te streven doel om de maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd gewelddadig gedrag van deze verdachte. Daarbij heeft het hof onder meer betrokken het eerdere gewelddadige gedrag van de verdachte, het hoge risico op herhaling van soortgelijke delicten en de omstandigheid dat een tbs-maatregel dit risico op herhaling niet afdoende zal doen afnemen. Bij de afweging van het hof om niet de tbs-maatregel op te leggen maar een levenslange gevangenisstraf heeft het hof betrokken dat ook bij de tenuitvoerlegging van die straf aan de veroordeelde de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden gegeven, eventueel ook buiten de inrichting waar de veroordeelde verblijft. Het oordeel van het hof dat daarmee het opleggen van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met art. 3 EVRM is volgens de Hoge Raad juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd. Ook de andere cassatieklachten, afgezien van een klacht over de duur van de gijzeling bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, slagen niet. Dat geldt ook voor de cassatieklacht van de benadeelde partij. Met de uitspraak van de Hoge Raad zijn de veroordeling en de opgelegde levenslange gevangenisstraf definitief.
Bron: www.hogeraad.nl
Het wetsvoorstel maakt niet duidelijk wat onder ‘levensvatbare’ bedrijven moet worden verstaan en hoe en door wie wordt bepaald of een bedrijf 'levensvatbaar' is. Het is niet duidelijk welke werkgevers van de voorgestelde regeling gebruik mogen maken. De bestaande regeling werktijdverkorting biedt al ondersteuning aan werkgevers die worden getroffen door een kleinschalige crisis. Die regeling functioneert goed, maar is nu een beleidsregel. De Afdeling heeft er begrip voor dat die regeling nu in de wet wordt vastgelegd. Hiermee wordt de rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers vergroot. De Afdeling onderschrijft ook de wens van de regering om zich voor te bereiden op toekomstige grootschalige crises. Zij betwijfelt echter of de voorgestelde regeling daarvoor voldoende effectief zal zijn. Er zijn verschillen tussen kleinschalige en grootschalige crises. Beide crises zijn weliswaar onvoorzienbaar, maar de ernst, duur en periode van herstel in de situatie van vóór de crisis zijn doorgaans snel in te schatten, nadat een crisis zich heeft voorgedaan. Kenmerkend voor grootschalige crises is dat die nu juist niet voorspelbaar zijn, noch wat betreft aard, ernst, verloop duur en gevolgen, noch in frequentie waarmee een zo’n grootschalige crisis zich aandient. Hierdoor vraagt een grootschalige crisis om andere instrumenten en oplossingen dan een kleinschalige crisis. Het wetsvoorstel voorziet daar niet in.
Wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst
De Afdeling onderschrijft de noodzaak om de wendbaarheid te vergroten van de vaste arbeidsovereenkomst en om arbeidsrechtelijke maatregelen te nemen om dat te bereiken. Maar de voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn beperkt tot een situatie van een crisis. De wendbaarheid van de arbeidsmarkt wordt niet vergroot, terwijl de maatregelen wel leiden tot grotere complexiteit. De Afdeling adviseert de regering om het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het is aangepast.
Advies Wet personeelsbehoud bij crisis
Bron: www.raadvanstate.nl
Het onderzoek naar TikTok is gestart op 19 februari 2024. Dit onderzoek heeft niet alleen betrekking op het verslavende ontwerp, maar ook op het ‘rabbit hole effect’ van de aanbevelingssystemen van TikTok, het risico dat minderjarigen een leeftijdsongeschikte ervaring hebben als gevolg van een verkeerde voorstelling van hun leeftijd, en de verplichtingen van de platforms om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen te waarborgen.
Risicobeoordeling
Uit het onderzoek van de Commissie blijkt voorlopig dat TikTok niet adequaat heeft beoordeeld hoe deze verslavende eigenschappen het fysieke en mentale welzijn van haar gebruikers, waaronder minderjarigen en kwetsbare volwassenen, kunnen schaden. Door gebruikers bijvoorbeeld voortdurend nieuwe inhoud te ‘belonen’, versterken bepaalde ontwerpkenmerken van TikTok de drang om te blijven scrollen en de hersenen van gebruikers in de ‘autopilot-modus’ te verplaatsen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat dit kan leiden tot dwangmatig gedrag en de zelfbeheersing van gebruikers kan verminderen. Bovendien negeerde TikTok in zijn beoordeling belangrijke indicatoren van dwangmatig gebruik van de app, zoals de tijd die minderjarigen 's nachts op TikTok doorbrengen, de frequentie waarmee gebruikers de app openen en andere potentiële indicatoren.
Risicobeperkende maatregelen
TikTok lijkt geen redelijke, evenredige en doeltreffende maatregelen te nemen om de risico's als gevolg van de verslavende opzet ervan te beperken. Zo lijken de huidige maatregelen op TikTok, met name de tools voor screentimebeheer en ouderlijk toezicht, de risico's die voortvloeien uit het verslavende ontwerp van TikTok niet effectief te verminderen. De tools voor tijdbeheer lijken niet effectief te zijn om gebruikers in staat te stellen hun gebruik van TikTok te verminderen en te beheersen, omdat ze gemakkelijk te negeren zijn en beperkte frictie introduceren. Evenzo is het mogelijk dat ouderlijk toezicht niet doeltreffend is omdat ouders extra tijd en vaardigheden nodig hebben om de controles in te voeren. In dit stadium is de Commissie van mening dat TikTok het basisontwerp van zijn dienst moet wijzigen. Bijvoorbeeld door belangrijke verslavende functies zoals ‘oneindig scrollen’ in de loop van de tijd uit te schakelen, effectieve ‘schermtijdonderbrekingen’ in te voeren, ook 's nachts, en het aanbevelingssysteem aan te passen
Bron: www.ec.europa.eu
In 2025 registreerde het College 2.478 meldingen van mensen die zich gediscrimineerd voelden. Net als voorgaande jaren gingen de meeste meldingen over geslacht, ras en handicap of chronische ziekte. Daarnaast ontving het College 853 verzoeken om een oordeel, die eveneens vooral over deze gronden gingen. In 63 procent van de 139 oordelen werd discriminatie vastgesteld. Dit is een stijging van 23 procent ten opzichte van 2024. Leeftijdsdiscriminatie dook het afgelopen jaar opvallend vaak op. In 2025 kreeg het College 175 meldingen en 42 verzoeken om een oordeel over dit onderwerp. Dit is een stijging van 77 procent in het aantal meldingen en 31 procent in het aantal verzoeken ten opzichte van 2024. Leeftijdsdiscriminatie kan direct, bijvoorbeeld als een vacature zegt ‘maximaal 35 jaar’. Maar het kan ook gaan om indirecte leeftijdsverwijzingen, zoals vragen om studenten of om starters op de arbeidsmarkt. Leeftijdsdiscriminatie is niet alleen in strijd met de wet, maar zorgt er ook voor dat veel talent onbenut blijft.
Oordeel eigen handelen
Organisaties kunnen het College vragen om te onderzoeken of hun beleid of werkwijze discriminerend is, een oordeel eigen handelen. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur vroeg het College bijvoorbeeld of het hanteren van een maximale leeftijdsgrens van 30 jaar voor junior-raadsleden in strijd is met de wet. Het College oordeelde dat dit inderdaad discriminatie op grond van leeftijd oplevert. Volgens het College waren er andere manieren om ruimte te geven aan jonge perspectieven, zonder oudere kandidaten bij voorbaat uit te sluiten.
Monitor Discriminatiezaken 2025
Bron: www.mensenrechten.nl