Artikelen van Linde Bryk

Tijdschrift
NJB 8 (2025)
Een schofferend arrest?
Deze bijdrage, deel 2 in de serie ‘100 jaar NJB’, reflecteert op een artikel uit 1988 van de hand van redacteur Van Maarseveen dat destijds veel stof deed opwaaien en evenzovele pennen in beweging bracht. In dat artikel werd de staf gebroken over de Hoge Raad naar aanleiding van een vrijspraak in een verkrachtingszaak. Hebben de publicatie van de kritiek van Van Maarseveen en daaropvolgende reacties in het NJB bijgedragen aan adequatere strafrechtelijke bescherming tegen verkrachting in daaropvolgende jaren?
Doorgesneden banden tussen moeder en kind
In de periode 1956-1984 moesten meer dan 13.000 ongehuwde moeders in Nederland hun kind afstaan, grotendeels als gevolg van maatschappelijke normen, juridische beperkingen en druk van instanties. Het juridische kader en de invoering van de Adoptiewet faciliteerden adopties zonder dat moeders goed geïnformeerd werden over hun rechten. Huisartsen, maatschappelijk werkers en psychiaters versterkten het stigma rond ongehuwd moederschap en zagen adoptie vaak als enige oplossing. Pas sinds 2014 is er meer aandacht voor deze problematiek en loopt er een juridische procedure tegen de staat voor onrechtmatig handelen.
Cable Wars
Recente incidenten in de Noordelijke wateren van Europa waarbij onderzees kabels en leidingen vernield werden spelen zich af in een context van geopolitieke spanningen tussen lidstaten van de NAVO en Rusland. Staten die maatregelen willen nemen tegen verdachte schepen stuiten daarbij op verschillende juridische uitdagingen. Want het zeerechtelijke stelsel is er op gericht dat de vlaggenstaat zelf de verantwoordelijkheid neemt om maatregelen te nemen tegen een verdacht schip wanneer sprake is van kabel- of pijpleidingbreuk. Het is er niet op gericht dat andere staten die rol op zich nemen.
De metamorfose van een opzegging
Een onduidelijke en dubbelzinnige reactie van de werkgever op een onduidelijke opzegging van een Poolse werknemer wordt door de rechtbank gelezen als een opzegging door de werkgever. Dat de Hoge Raad een opzegging van de werkgever voor zowel de werkgever als de werknemer over dezelfde kam scheert, is misschien ‘logisch’, maar schiet tekort als het gaat om de bescherming van de werknemer.

Tijdschrift
NJB 40 (2024)
De WAMCA: inperking van de toegang tot de civiele rechter voor belangenorganisaties in ideële acties?
Met de invoering van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA) in 2020 werd het instellen van een collectieve schadevergoedingsactie mogelijk. Tegelijkertijd bracht de WAMCA grote veranderingen in de ontvankelijkheidseisen voor de ‘klassieke’ artikel 3:305a-acties: ideële acties waarin geen schadevergoeding wordt gevorderd. In deze bijdrage wordt het rechtsstatelijk belang van ideële acties benadrukt en wordt in het licht van de aankomende wetsevaluatie en de politieke druk waaronder ideële acties momenteel staan, onderzocht of, en zo ja, welke obstakels de WAMCA heeft gecreëerd in de ontvankelijkheidsfase van deze acties.
De mediationclausule: balanceren tussen vrijwilligheid en pacta sunt servanda
Kan een door partijen in een overeenkomst opgenomen mediationclausule diezelfde partijen verplichten hun conflict aan mediation te onderwerpen? Dat was lang een open vraag. In juli van dit jaar hakte de Hoge Raad, voorafgegaan door een uitgebreide conclusie van A-G De Bock, de knoop door. Ja, het is volgens de Hoge Raad ‘mogelijk dat een mediationclausule partijen verplicht mediation te beproeven voordat zij in rechte (of in arbitrage) een procedure aanhangig maken.’ Of de clausule in het concrete geval die verplichting inderdaad meebrengt en zo ja, wat de reikwijdte is van die verplichting, is dan weer een kwestie van uitleg. In dit artikel worden de conclusie van De Bock en het arrest van de Hoge Raad en de betekenis hiervan voor de praktijk besproken en geven auteurs hun visie op deze kwestie.
‘Vast, tenzij’-praktijk dwingt tot aanpassing van de wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis in het nieuwe wetboek
Recent werden in dit tijdschrift (NJB 2024/2011, afl. 31) voorstellen gedaan om de in de praktijk gegroeide grondhouding van ‘vast, tenzij’ bij de toepassing van de voorlopige hechtenis om te buigen. In deze bijdrage wordt onderzocht welke rol de wetgever daarin kan en moet spelen, met het oog op de in het nieuwe wetboek gecodificeerde onschuldpresumptie.