Wetsvoorstel (13-12-2021) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het zelfstandig strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen met het oog op het plegen van seksueel misbruik met kinderen

—Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie om het in bezit hebben van teksten met advies en/of richtlijnen over het seksueel misbruiken van kinderen expliciet strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2019/20, 31 015, nr. 190). Voorgesteld wordt een nieuw artikel 240c aan het Wetboek van Strafrecht toe te voegen waarin zelfstandig strafbaar wordt gesteld het zich of een ander (opzettelijk) middelen, gelegenheid of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen, dan wel het zich kennis en vaardigheden verwerven of een ander bijbrengen, tot het plegen van – kort gezegd – seksueel kindermisbruik. Onder het bereik van deze strafbaarstelling valt het in bezit hebben van teksten met advies en/of richtlijnen over het seksueel misbruiken van kinderen. Voorts kan op grond van de nieuwe bepaling strafrechtelijk worden opgetreden tegen het verstrekken, verwerven of bezitten van zowel schriftelijk als mondeling ‘instructief kindermisbruik materiaal’, dan wel het anderszins vergaren of bijbrengen van kennis of vaardigheden voor het seksueel misbruiken van kinderen. Deze gedragingen vallen nu niet altijd onder het bereik van het Wetboek van Strafrecht (zie paragraaf 3).

Op het misdrijf omschreven in artikel 240c komt een maximumstraf van vier jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie te staan.

De Afdeling advisering van de Raad van de State plaatste in haar advies vraagtekens bij de keuze om het voorstel vorm te geven als voorbereidingshandeling, in plaats van als zelfstandige strafbaarstelling vergelijkbaar met artikel 240b Sr. Volgens de regering biedt de gekozen opzet echter meer armslag om gedragingen die tot seksueel kindermisbruik instrueren, maar die niet zonder meer vallen onder de gedragingen waartoe artikel 240b Sr zich beperkt onder het bereik van de strafbepaling te brengen. De rechtvaardiging om hier een nieuw bijzonder voorbereidingsdelict te introduceren, is volgens de regering gelegen in de specifieke uitingsvormen van de strafbaar te stellen gedragingen waarvoor andere reeds bestaande strafbaarstellingen, waaronder artikel 46 Sr, geen soelaas kunnen bieden. En dat terwijl de ernst van de gedragingen die ook door de Afdeling wordt onderkend, vraagt om een passend en sluitend antwoord van de strafwetgever.

Anders dan de Afdeling meent, is verder niet beoogd de voorgestelde strafbaarstelling in een dwingende specialis-verhouding te positioneren ten opzichte van artikel 46 Sr. Ruimte moet worden gelaten om gedragingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van het plegen van seksueel misbruik onder beide en eventuele andere strafbaarstellingen te kunnen kwalificeren.

Kamerstukken