Initiatiefwetsvoorstel (9 april 2008) van de leden Teeven en Weekers tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van een burger die zich beroept op noodweer.

De initiatiefnemers signaleren dat al enige tijd in onze samenleving de behoefte bestaat aan uitbreiding van het recht op zelfbescherming door burgers die het slachtoffer worden van een ernstig strafbaar feit. Die feitelijke bescherming willen indieners van deze wet niet alleen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak door de zittingsrechter, maar ook bij de eventuele toetsing van een toe te passen voorlopige hechtenis tegen degenen die zichzelf hebben beschermd. Ook in de huidige wettekst kan de burger zich beschermen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens ander lijf, eerbaarheid of goed. Er is dan sprake van 'noodweer' als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien bij de noodweer bepaalde grenzen zijn overschreden zonder dat de burger daarvoor een verwijt treft, dan spreekt men van 'noodweerexces' waarvoor een regeling is getroffen in artikel 41, tweede lid, Sr. Ook voor de toelaatbaarheid van noodweer-exces geldt dat aannemelijk moet zijn geworden dat sprake is van een noodweersituatie als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Sr, voordat de burger vrijuit kan gaan. In de praktijk van de strafrechtspleging is het volgens de indieners niet altijd even gemakkelijk om die aannemelijkheid aanwezig te achten, zeker niet nu er vaak geen derden getuigen zijn van het gebeuren, en de zich beschermende burger en diens aanrander veelal een tegenovergesteld verhaal zullen vertellen.

Dit wetsvoorstel regelt daarom dat het feitelijk recht op zelfbescherming van burgers in artikel 41 Sr op tweeërlei wijze wordt uitgebreid: 1. ook gevallen waarin sprake is van noodweer tegen een onmiddellijke dreiging van een wederrechtelijke aanranding komen onder het eerste lid van het artikel te vallen; 2. in gevallen waarin de in het artikel genoemde aanranding gepaard gaat met huisvrede- of lokaalvredebreuk wordt met het invoegen van een nieuw tweede lid in artikel 41 Sr de tegen de aanranding gerichte verdediging verondersteld gerechtvaardigd te zijn.

De eerste uitbreiding heeft betrekking op het verleggen van het moment waarop noodweer gerechtvaardigd is. Ook in het geval er sprake is van een onmiddellijke dreiging van een wederrechtelijke aanranding dient de burger niet strafbaar te zijn, indien hij een feit begaat ter noodzakelijke verdediging. Deze uitbreiding is reeds lang in de jurisprudentie aanvaard en is dan ook meer een wettelijke vastlegging van die jurisprudentie dan een inhoudelijke wijziging.

De tweede uitbreiding van artikel 41 Sr betreft het scheppen van een vooronderstelling van gerechtvaardigde zelfverdediging voor situaties waarin de uit noodweer handelende burger bij de aanranding wordt geconfronteerd met het misdrijf van huisvrede- of lokaalvredebreuk als bedoeld in artikel 138, eerste lid, Sr. Voor zover een burger zich verdedigt tegen een aanranding die gepaard gaat met huisvrede- of lokaalvredebreuk, regelt het nieuwe tweede lid dat die verdediging in eerste instantie geacht wordt gerechtvaardigd te zijn. Deze vooronderstelling geldt eveneens wanneer de aanranding in de directe omgeving van de woning of het besloten lokaal plaatsvindt. Wel wordt in dit nieuwe artikellid in de tweede volzin een stringente toepassing voorgestaan van het begrip 'erf’ uit artikel 138 Sr. Door deze beperking betreft erf slechts de directe omgeving van de woning of het besloten lokaal, nu zich daar immers de inbreuk op de persoonlijke ruimte voordoet. Door de voorgestane uitbreiding van het begrip noodweer krijgt tegelijkertijd ook het begrip noodweerexces een ruimere strekking. In gevallen van huisvrede- of lokaalvredebreuk komt het risico van het wederrechtelijk optreden hierdoor bij de aanrander te liggen.

Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een nieuw artikel 62b in het Wetboek van Strafvordering. Met het opnemen van dit artikel wordt beoogd dat dwangmiddelen uit deze afdeling behoudens de staandehouding (artikel 52 Sv) niet kunnen worden toegepast op een verdachte ten aanzien van wie een redelijk vermoeden voortvloeit dat hij zich heeft verdedigd als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, Sr en als de aanrander hierbij tevens huisvrede- of lokaalvredebreuk heeft gepleegd. Door de voorgestane uitbreiding van het Wetboek van Strafvordering met artikel 62b wordt bereikt dat de eerste beoordeling van de noodweer situatie en de vraag of er sprake is van een verdachte is die eventueel in bewaring moet worden gesteld, dient te worden voorgelegd aan de rechter-commissaris.

Kamerstukken: