Wetsvoorstel (03-05-2022) tot wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (novelle verbetering uitvoerbaarheid)

—Op 10 maart 2021 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen aangenomen door de Tweede Kamer. Daarna is het wetsvoorstel aanhangig gemaakt bij de Eerste Kamer. Bij brief van 11 mei jl. (Kamerstukken II 2020/21, 35 603, nr. 81) heeft de toenmalige Minister van EZK mede namens de toenmalige Minister van BZK de Staten-Generaal geïnformeerd over het voornemen om twee onderdelen van het wetsvoorstel die door amendementen zijn toegevoegd, voorlopig niet in werking te laten treden, omdat deze (financieel) niet uitvoerbaar zijn. Daarom zou een wetswijziging in procedure worden gebracht om deze onderdelen aan te passen. Naar aanleiding van het genoemde voornemen heeft de Tweede Kamer door aanvaarding van een motie van het Kamerlid Beckerman (Kamerstukken II 2020/21, 35 603, nr. 83) aangegeven bezwaren te hebben tegen de voorgestelde route van de toenmalige Ministers van EZK en BZK. In reactie op de door de Tweede Kamer geuite bezwaren is bij brief van 29 juni jl. (Kamerstukken II 2020/21, 35 603, nr. 86) door de toenmalige Ministers van EZK en BZK aangekondigd dat een novelle in procedure wordt gebracht om de onderdelen te wijzigen die met de desbetreffende amendementen van het Kamerlid Beckerman, gericht op ondersteuning voor bewoners (Kamerstukken II 2020/21, 35 603, nr. 38) en versterken in eigen beheer (Kamerstukken II 2020/21, 35 603, nr. 68), zijn toegevoegd. Met deze novelle wordt hieraan uitvoering gegeven. In deze novelle is het uitgangspunt om de intentie van genoemde amendementen in stand te laten, maar tegelijkertijd de amendementen uitvoerbaar te maken en aan te laten sluiten bij hetgeen al in de praktijk gebeurt en bij de verantwoordelijkheidsverdeling van de betrokken partijen.

Kamerstukken

(novelle bij wetsvoorstel Kamerstukken 35 603)