Wetsvoorstel (09-09-2021) houdende wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de implementatie van de richtlijn betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties (Implementatiewet richtlijn gedekte obligaties)

—Dit voorstel strekt tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Faillissementswet ter implementatie van Richtlijn nr. 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2014/59/EU (PbEU 2019, L 328).

De richtlijn creëert een geharmoniseerd raamwerk voor zogenoemde gedekte obligaties. Gedekte obligaties zijn schuldinstrumenten die worden uitgegeven door banken, waarbij de uitgevende bank onderpand afzondert als zekerheid voor de obligatiehouders. Dit onderpand bestaat uit een pool van activa, die onderhevig is aan strenge kwalitatieve en kwantitatieve eisen (‘dekkingspool’). De uitgevende bank heeft daarbij de verplichting ervoor te zorgen dat de waarde van het onderpand te allen tijde ten minste gelijk is aan de waarde van de uitstaande obligaties.

De richtlijn regelt de voorwaarden voor het uitgeven van gedekte obligaties door banken en het toezicht daarop. Het toezicht op de uitgifte van gedekte obligaties omvat onder meer het vereiste van toestemming aan een bank voor het uitgeven van gedekte obligaties. Ook stelt de richtlijn de eisen vast waaraan gedekte obligaties dienen te voldoen. Een van de belangrijkste eisen waaraan moet worden voldaan is de hiervoor genoemde eis van dubbele zekerheid. Daarnaast regelt de richtlijn dat gedekte obligaties gevrijwaard dienen te zijn van de gevolgen van een faillissement van de uitgevende bank. De richtlijn bevat tevens eisen ten aanzien van de dekkingsactiva die in de dekkingspool mogen worden opgenomen en de samenstelling daarvan.

Tegelijkertijd met de richtlijn gedekte obligaties is de verordening gedekte obligaties tot stand gekomen waarbij de verordening kapitaalvereisten wordt aangepast met betrekking tot gedekte obligaties. De verordening gedekte obligaties voegt aan de bestaande voorwaarden voor de toepassing van een lagere risicoweging onder meer de extra voorwaarde toe dat de dekkingspool van activa die als onderpand dient voor de gedekte obligaties een minimale waarde heeft van 105% van de uitstaande obligaties.

De eisen uit de richtlijn komen in grote mate overeen met de eisen die op basis van het huidige wettelijke kader worden gesteld aan geregistreerde gedekte obligaties.

Ter implementatie van de richtlijn wordt in de Wft een verbod opgenomen op het uitgeven van gedekte obligaties in de zin van de richtlijn door banken met zetel in Nederland zonder toestemming van DNB voor het programma waarvan de gedekte obligaties deel uitmaken. Ook wordt in de Wft bepaald dat DNB toestemming verleent voor het programma van gedekte obligaties wanneer aan de daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan. De banken waaraan toestemming is verleend om een programma van gedekte obligaties uit te voeren, worden door DNB opgenomen in een lijst die op de website van DNB wordt gepubliceerd.

Verder wordt in de Wft bepaald aan welke voorwaarden de bank en het programma van gedekte obligaties moeten voldoen om de toestemming te krijgen. Bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden deze voorwaarden nader uitgewerkt.

Door middel van een wijziging van de Faillissementswet wordt geregeld dat de faillietverklaring van een uitgevende bank geen reden oplevert voor afwijking van de termijn waarop de vorderingen op de rechtspersoon die de dekkingsactiva in eigendom heeft, opeisbaar worden.

Kamerstukken