Wetsvoorstel (08-06-2022) tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998, de Wet financiële markten BES en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2022-II)

—Dit wetsvoorstel is onderdeel van de in beginsel jaarlijkse wijzigingscyclus op het gebied van de financiële markten. In deze cyclus worden kleinere onderwerpen opgenomen die geen separaat wetsvoorstel rechtvaardigen. Het voorstel bevat wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Bankwet 1998, de Wet financiële markten BES (Wfm BES), de Pensioenwet (Pw), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), de Wet toezicht financiële verslaglegging (Wtfv), de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), de Faillissementswet (Fw), alsmede Boek 2 en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In het wetsvoorstel worden onder andere de volgende zaken geregeld:

  • Tegen de achtergrond van de financiële crisis van 2008/09 werd in 2012 het Financieel Stabiliteitscomité (FSC) opgericht, dat informatie en expertise bijeenbrengt ten behoeve van het signaleren van macro-economische ontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel. Thans is het FSC ingesteld bij ministerieel besluit van de Minister van Financiën. Het wetsvoorstel geeft het overleg over financiële stabiliteit zoals dat binnen het FSC plaatsheeft een wettelijke basis. Daarmee worden samenwerking en coördinatie tussen de betrokken partijen verzekerd en de transparantie- en verantwoordingsverplichtingen wettelijk gewaarborgd. Met de voorgestelde wettelijke verankering wordt het een taak van DNB om periodiek overleg te voeren met vertegenwoordigers van de AFM en van de minister, met een rol voor het CPB als externe deskundige. De opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State hebben aanleiding gegeven om de wettelijke verankering van het FSC anders vorm te geven. Gevolg gevend aan de opmerking van de Afdeling over de rol van met het FSC vergelijkbare instituties in andere landen wordt in de huidig voorgestelde vormgeving het FSC niet als nieuw orgaan geconstitueerd, zoals eerder de bedoeling was, maar krijgt het de vorm van een wettelijk overleg onder verantwoordelijkheid van DNB. Er bestaat namelijk een zeker spanningsveld tussen het belang dat Europese en internationale instanties – en het kabinet – hechten aan een voldoende onafhankelijke positionering van dergelijke comités, en een passende inbedding in de nationale context. Met de wettelijke verankering beoogt het kabinet om enerzijds een voldoende gezaghebbende positie te geven aan het overleg over risico’s voor de financiële stabiliteit, en anderzijds de nationale constitutionele verhoudingen te respecteren.
  • Onder de huidige begripsbepaling van kredietvergoeding in de Wfm BES vallen alleen kosten die de kredietaanbieder in rekening brengt voor een krediet. Dit wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de definitie, waarmee alle kosten, met inbegrip van kosten van derden, die een kredietnemer in verband met het krediet in rekening worden gebracht, als een kredietvergoeding komen te kwalificeren. Deze wijziging vergroot de bescherming van consumenten tegen overkreditering buiten hun leenruimte. De AFM heeft gesignaleerd dat overkreditering nog steeds een probleem is in Caribisch Nederland.
  • De wijziging die in de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) wordt voorgesteld, bestaat uit drie onderdelen: ten eerste wordt het maximumaantal leden van de accountantskamer, het college dat op grond van Wtra is belast met de tuchtrechtspraak van accountants, verhoogd van tien naar veertien. Ten tweede wordt het maximumaantal plaatsvervangende leden verhoogd van twintig naar dertig. Ten derde wordt het wettelijke maximum aan de door de voorzitter van de accountantskamer aan te wijzen plaatsvervangende voorzitters geschrapt. Deze wijzigingen hebben tot doel meer flexibiliteit te bieden bij het inzetten van leden en plaatsvervangende leden bij de tuchtzaken die bij de accountantskamer aanhangig zijn.
  • Naast de wettelijke verankering van het FSC bevat het wetsvoorstel een aantal andere aanpassingen van de Bankwet 1998. Deze houden verband met de interne procedures voor de voordracht, aanbeveling en (her)benoeming van leden van de directie, de raad van commissarissen en de bankraad van DNB.
  • Het instrument van de groeps-vvgb wordt verder in lijn gebracht met de relevante sectorale Europese richtlijnen, waaronder de richtlijn kapitaalvereisten en de richtlijn solvabiliteit II, naar aanleiding van de richtsnoeren die in december 2016 zijn uitgebracht door de European Supervisory Authorities (ESA’s). Deze gezamenlijke richtsnoeren hebben betrekking op de prudentiële beoordeling van een verwerving of verhoging van een gekwalificeerde deelneming in de financiële sector.
  • De wijziging van Boek 7 BW strekt tot het recht op premierestitutie ingeval de verzekeraar zich beroept op het verval van de uitkering bij het te goeder trouw schenden van de mededelingsplicht door de verzekeringnemer. Met het voorstel wordt tegemoetgekomen aan de belangen van de verzekeringnemer, waaronder die van zzp’ers.
  • De aansprakelijkheid van de door DNB benoemde curator op grond van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet toezicht trustkantoren wordt gelijk getrokken met die van de door de toezichthouder benoemde curator op grond van de Wft.

Kamerstukken