Wet van 22-02-2021, Stb. 2021, 85

Wet houdende wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met een tijdelijke bevoegdheid om het vertoeven in de openlucht te beperken teneinde de verspreiding van het SARSCoV-2-virus zoveel mogelijk te belemmeren (Tijdelijke wet beperking vertoeven in de openlucht COVID-19)

Op 23 januari 2021 werd de avondklok ingesteld door gebruik te maken van de mogelijkheid die de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) naar het oordeel van de regering biedt, en die de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd maakt het vertoeven in de openlucht te beperken. De voorzieningenrechter in de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:1100) heeft op 16 februari 2021 geoordeeld dat de Wbbbg ten onrechte is geactiveerd en dat artikel 8, eerste en derde lid Wbbbg, daarom onmiddellijk buiten werking moeten worden gesteld. De regering vond het vervallen van de avondklok met het oog op de bestrijding van de epidemie ongewenst en heeft onmiddellijk een wetsvoorstel ingediend met een afzonderlijke wettelijke grondslag voor het instellen van een avondklok. Met deze wet wordt de bevoegdheid gecreëerd in hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid (Wpg), dat is ingevoegd bij de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm). Nu ter verzekering van het bestaan van een wettelijke basis voor een avondklok is gekozen voor een gewone wet, blijft op deze wijze de samenhang tussen de maatregelen voor de infectieziektebestrijding en de daarmee gepaard gaande verplichtingen en bevoegdheden gewaarborgd. Net als onder de Wbbbg wordt het mogelijk om bij ministeriële regeling het vertoeven in de openlucht te beperken. Op grond van artikel 58b, eerste lid, Wpg gebeurt dit slechts ter bestrijding van de epidemie van COVID-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, of een directe dreiging daarvan.

Inwerkingtreding met ingang van 22-02-2021.

Kamerstukken