Vrouwen die geen rechter mogen worden…

Dat de rechter of de ‘raadsheer (!) een vrouw kan zijn, is na 75 jaar een vanzelfsprekendheid geworden. Zelfs het glazen plafond lijkt doorbroken. Per 1 januari 2022 zijn niet alleen de president van de Hoge Raad, maar ook drie van de vier presidenten van gerechtshoven en zes van de tien presidenten van rechtbanken vrouw. In dit speciale nummer, dat mede is geredigeerd door Ashley Terlouw en Rowin Jansen, staan we stil bij die 75 jaar vrouwelijk rechterschap.

Als oude witte man veroorloof ik me de vraag wat het beste argument is om ons hierover te verheugen. Toen honderd jaar geleden de achterstelling van vrouwen bij de benoeming tot rechter ter discussie werd gesteld, kon dat worden begrepen in het licht van het streven naar gelijkheid voor beide seksen voor de wet. Dat streven had in 1919 geleid tot invoering van het actieve vrouwenkiesrecht. Maar, zoals Rowin Jansen in dit nummer laat zien, hielden mannen de daadwerkelijke benoeming tot 1947 tegen met diverse, soms (ook toen al niet-valide) juridische argumenten.

Zo is het vaak met machtsconflicten die niet met geweld worden opgelost: het kost de gevestigde orde grote moeite gehoor te geven aan de redelijke wensen van buitenstaanders. Dat is een sociologisch fenomeen, of het nu gaat om feodale heren en horigen, protestanten en katholieken (of omgekeerd), mannen en vrouwen, joden en niet-joden, witten en zwarten. De sociologen Elias en Scotson hebben beschreven hoe een groep met een superieure macht ten opzichte van een andere afhankelijke groep haar identiteit en superioriteit handhaaft.1 Volgens hen gebeurt dat in figuraties – veranderende netwerken van onderling afhankelijke mensen – waarbinnen vanzelfsprekendheden zich versterken en vermenigvuldigen. De gevestigden overtuigen elkaar ervan dat de buitenstaanders bepaalde dingen niet kunnen of er niet geschikt voor zijn. Dat leidt tot buitensluiting en stigmatisering. Bijna altijd zijn er in de gevestigde orde dwarse figuren die oog hebben voor de achterstelling.

In 1918 bleek Taverne al zo’n onafhankelijke geest toen hij de vraag stelde “of het niet zowel in het belang der gemeenschap als tot wegneming van onverdiende achteruitstelling gewenscht mag heeten om ook voor de rechtspraak van de gaven en krachten der vrouw partij te trekken”.2 Een van zijn argumenten was verrassend hedendaags. Hij citeerde een Amsterdamse vrouwelijke verdachte: “In dit koude gebouw vindt een vrouw geen recht. Geen man is in staat te peilen een diep gemartelde vrouwenziel”. Zou een hedendaagse Amsterdammer van kleur niet iets vergelijkbaars denken?

Dit citaat belichaamt een fundamenteel ander punt dan het argument van de gelijke benoembaarheid en de daarmee goed te verenigen gedachte van het belang van afspiegeling van de samenleving in de rechtspraak. Het gaat niet meer om de vraag waarom de buitensluiting van vrouwen niet is gerechtvaardigd, maar om de vraag waarom inclusie van vrouwen goed is. Vanessa Ruiz, president van de International Association of Women Judges zei over dat laatste: “Adjudication is enhanced by the presence of women who bring to the fore considerations that would not have been taken into account in their absence; the scope of the discussion is hence enlarged, possibly preventing ill-considered or improper decisions.”3

Dat ‘positieve’ perspectief overtuigt me niet. Het is, denk ik, wel waar dat vrouwen beter dan mannen in staat zijn ‘een diep gemartelde vrouwenziel’ te peilen, zoals rechters van kleur en moslim-rechters doorgaans meer inzicht zullen hebben in het gemoed van verdachten van kleur en moslim-verdachten. Maar ‘waar’ is niet hetzelfde als ‘valide’ en een valide argument voor de toetreding van deze buitenstaanders levert het niet op, als we bedenken dat ook licht verstandelijk beperkten (LVB-ers) als rechter waarschijnlijk meer oog hebben voor de problemen van de vele licht verstandelijk beperkten die als verdachten figureren in de rechtszaal. Dat zelfde geldt voor adolescenten en ongeschoolden. Ook zij hebben tot op zekere hoogte een punt als ze menen dat rechters hen niet kunnen begrijpen, maar dat betekent nog niet dat LVB-ers, adolescenten en ongeschoolden rechter moeten kunnen worden – identiteit levert geen dwingend argument op.

De vraag of vrouwen rechter moeten kunnen worden uit gelijkheidsoverwegingen of vanwege (de extra inzichten die samenhangen met) hun identiteit doet ertoe. Dat blijkt als gevestigde vrouwen en mannen komen te spreken over het toelaten van vrouwen die uit geloofsovertuiging een hoofddoek willen dragen. De meeste mensen vinden de identiteit van deze vrouwen geen goede reden om hen tot de rechtspraak toe te laten, ook niet als wordt aangenomen dat ze sommige verdachten beter kunnen begrijpen dan de gevestigde rechters. Maar vanuit de klassieke gelijkheidsgedachte lijkt de zichtbaar vrome identiteit van deze vrouwen niet zonder meer een goede reden om hen van de rechtspraak uit te sluiten. Net zo min als andere zichtbare identiteitskenmerken zoals sekse of huidskleur. Bezwaren die alleen op zichtbare identiteit zijn gebaseerd doen al snel denken aan de argumenten van de gevestigden van honderd jaar geleden.

Taverne moest dertig jaar wachten voor hij (postuum) gelijk kreeg en de gevestigde mannen de deur openden voor de vrouwelijke buitenstaanders. Ik hoop dat de huidige vrouwelijke studenten met een hoofddoek (en mannen met een keppel) minder lang hoeven te wachten. Als ik dan nu van harte de 75ste verjaardag van het eind van de achterstelling van vrouwen in de rechtelijke macht vier, dan doe ik dat in het besef dat die achterstelling voor sommige vrouwen nog steeds bestaat.

 

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2021/2059, afl. 28.

 

Afbeelding: pixabay

 

  1. Norbert Elias & John L. Scotson, De gevestigden en de buitenstaanders, Het Spectrum 1976 (1965).
  2. B.M. Taverne, De taak van den strafrechter (oratie 1913), Tjeenk Willink 1918.
  3. Vanessa Ruiz, The Role of Women Judges and a Gender Perspective in Ensuring Judicial Independence and Integrity, UNODC 2019.
Over de auteur(s)
Ybo Buruma
Raadsheer in de Hoge Raad