TK 2017/18, 34 838 Zelfrijdende auto’s

Wetsvoorstel (22-11-2017) tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met mogelijk maken van experimenten met geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen

—In snel tempo wordt gewerkt aan systemen die specifieke, of zelfs alle rijtaken geheel of gedeeltelijk tijdelijk of permanent overnemen. Hoogwaardig geautomatiseerde motorrijtuigen worden ook wel omschreven als zelfrijdende auto’s. Zelfrijdend vervoer wordt gezien als een grote kans om een significante bijdrage te leveren aan de doelstellingen op het gebied van zowel veiligheid als bereikbaarheid en duurzaamheid. Om inzicht te krijgen in de veiligheid van de inzittenden maar ook in die van de overige verkeersdeelnemers zijn experimenten met geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen noodzakelijk. Voor een deel zijn deze mogelijk op grond van artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 2a van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer (Boev). Dit systeem van ontheffingverlening is echter onvoldoende toegesneden op de situatie van experimenten met motorrijtuigen waarin zich geen bestuurder bevindt. Om zo’n experiment op een veilige wijze uit te kunnen voeren dienen aanvullende voorschriften en beperkingen te worden gesteld die deels los staan van de regel(s) waarvan ontheffing wordt verleend. Een vergunning is een geschikter instrument hiervoor.

Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat voor experimenten voor het testen van geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen waarin zich geen bestuurder bevindt door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een vergunning kan worden verleend. Aan zo’n vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden om het experiment op een verantwoorde wijze uit te voeren. Als dat voor het experiment noodzakelijk is, kan bij deze vergunning ook van bepaalde bestaande wetten en daarop gebaseerde regelgeving worden afgeweken. Het wetsvoorstel voorziet daarmee in aanvulling op de huidige experimenteerruimte van het Boev (ontheffing van de RDW). De reikwijdte van het afwijken van bestaande regelgeving moet zo beperkt mogelijk worden ingevuld en mag niet verder gaan dan nodig is voor het doel van het experiment. Alleen de minimaal noodzakelijke afwijkingen kunnen worden voorgesteld met een strikte doelbinding aan de uitvoering van het experiment. Aan de hand van de evaluatie van een experiment ontstaat er zicht op de vraag in hoeverre de uitkomsten aanleiding geven om over te gaan tot het aanpassen van regelgeving om het gebruik van deze systemen permanent toe te kunnen staan en onder welke voorwaarden dat gebruik is toegestaan.

Dit wetsvoorstel ziet expliciet op de situatie dat de bestuurder zich niet in het motorrijtuig bevindt maar deze omstandigheid doet niet af aan zijn hoedanigheid van bestuurder. Dat betekent dat alle plichten en verantwoordelijkheden die in wetgeving bij de bestuurder worden gelegd ook rusten op de bestuurder die zich niet in het motorrijtuig bevindt. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de civiel- en strafrechtelijke aansprakelijkheid.

De omvang van de experimenten laat zich niet op voorhand inschatten maar de regering wil grootschalige experimenten faciliteren.


Kamerstukken

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.