Hof van Justitie verwerpt de beroepen van Slowakije en Hongarije tegen het voorlopig mechanisme voor verplichte herplaatsing van asielzoekers

Geschreven door: Redactie op

Om te reageren op de migratiecrisis die Europa in de zomer van 2015 trof, heeft de Raad van de Europese Unie een besluit'1 genomen om Italië en Griekenland te helpen het hoofd te bieden aan de massale toestroom van migranten. Dit besluit voorziet erin dat 120 000 personen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, voor een periode van twee jaar vanuit deze twee lidstaten worden herplaatst naar andere lidstaten van de Unie.

 

Het bestreden besluit werd genomen op basis van artikel 78, lid 3, VWEU, dat bepaalt? „[I]ndien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement?.

 

Slowakije en Hongarije, die, net als de Tsjechische Republiek en Roemenië, binnen de Raad tegen dit besluit2 hebben gestemd, verzoeken het Europese Hof van Justitie om nietigverklaring ervan, waarbij zij ten eerste aanvoeren dat bij de vaststelling van het besluit procedurele fouten zijn gemaakt dan wel is gekozen voor een onjuiste rechtsgrondslag en ten tweede dat het besluit noch geschikt, noch noodzakelijk is om te reageren op de migratiecrisis.

 

Tijdens de procedure voor het Hof heeft Polen geïntervenieerd ter ondersteuning van Slowakije en Hongarije en hebben België, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Zweden en de Commissie geïntervenieerd ter ondersteuning van de Raad.

 

In zijn op 6 september 2017 gewezen arrest verwerpt het Hof de beroepen van Slowakije en Hongarije in hun geheel.

 

Allereerst wijst het Hof het argument af dat, aangezien volgens artikel 78, lid 3, VWEU bij de vaststelling van een op die bepaling gebaseerde maatregel, het Europees Parlement dient te worden geraadpleegd, de wetgevingsprocedure3 had moeten worden toegepast. In dit verband stelt het Hof dat de wetgevingsprocedure slechts kan worden toegepast wanneer een Verdragsbepaling daar uitdrukkelijk naar verwijst. Artikel 78, lid 3, VWEU bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar de wetgevingsprocedure, zodat het bestreden besluit in het kader van een niet-wetgevingsprocedure mocht worden genomen en derhalve een niet-wetgevingshandeling vormt.

 

In diezelfde context oordeelt het Hof dat artikel 78, lid 3, VWEU de instellingen van de Unie de mogelijkheid biedt, alle voorlopige maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om doeltreffend en snel te reageren op een noodsituatie ten gevolge van een plotselinge toestroom van ontheemden. Deze maatregelen kunnen ook afwijken van wetgevingshandelingen, mits zowel de materiële als temporele werkingssfeer ervan is afgebakend en zij niet tot doel of gevolg hebben dat die handelingen permanent worden vervangen of gewijzigd, aan welke voorwaarden in casu is voldaan.

 

Het Hof preciseert ook dat aangezien het bestreden besluit een niet-wetgevingshandeling vormt, de vaststelling ervan niet was onderworpen aan de vereisten inzake deelname van de nationale parlementen en inzake het openbaar karakter van de beraadslagingen en stemmingen van de Raad (aangezien die vereisten enkel gelden voor wetgevingshandelingen).

 

Vervolgens wijst het Hof erop dat de temporele werkingssfeer van het bestreden besluit (te weten van 25 september 2015 tot en met 26 september 2017) nauwkeurig is afgebakend, zodat het voorlopig karakter ervan niet in twijfel kan worden getrokken.

 

Bovendien oordeelt het Hof dat de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 juni 2015, waarin staat te lezen dat de lidstaten „bij consensus” overeenstemming dienen te bereiken over de verdeling van personen die duidelijk behoefte hebben aan internationale bescherming, „rekening houdend met de specifieke situatie van de lidstaten”, de vaststelling van het bestreden besluit niet konden verhinderen. Die conclusies hebben namelijk betrekking op een ander herplaatsingsplan, dat tot doel had om, in reactie op de toestroom van migranten in de eerste zes maanden van 2015, 40 000 personen tussen de lidstaten te verdelen. Dat plan vormde het voorwerp van besluit 2015/15234, en niet van het in casu betwiste besluit. Het Hof voegt hieraan toe dat de Europese Raad de in de Verdragen neergelegde regels voor het stemmen in geen geval kan wijzigen.

 

Daarnaast stelt het Hof vast dat, hoewel in het aanvankelijke voorstel van de Commissie ingrijpende wijzigingen zijn aangebracht die er met name toe strekken uitvoering te geven aan het verzoek van Hongarije om niet opgenomen te worden op de lijst van lidstaten van waaruit personen zouden worden herplaatst5, en waarbij dat land wordt aangemerkt als lidstaat van herplaatsing, het Parlement vóór de vaststelling van zijn resolutie van 17 september 2015 naar behoren is geïnformeerd, waardoor het hiermee in die resolutie rekening kon houden. In dit verband benadrukt het Hof dat de andere, na die datum aangebrachte wijzigingen de kern van dit voorstel van de Commissie niet hebben aangetast.

 

Bovendien oordeelt het Hof dat de Raad niet verplicht was het bestreden besluit met eenparigheid van stemmen aan te nemen, zelfs niet nu hij, met het oog op de vaststelling van bovengenoemde wijzigingen, van het aanvankelijke voorstel van de Commissie moest afwijken. Het Hof stelt namelijk vast dat het gewijzigde voorstel door de Commissie is goedgekeurd bij monde van haar twee leden die daartoe door het college waren gemachtigd.

 

Voor het overige is het Hof van mening dat het in het bestreden besluit voorziene herplaatsingsmechanisme geen maatregel vormt die kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het doel ervan, te weten Griekenland en Italië te helpen het hoofd te bieden aan de gevolgen van migratiecrisis van 2015.

 

In dit verband stelt het Hof dat de geldigheid van het besluit niet kan afhangen van beoordelingen die achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling zijn verricht. Wanneer de Uniewetgever de toekomstige gevolgen van een nieuwe regeling dient te beoordelen, kan zijn beoordeling namelijk slechts in twijfel worden getrokken indien zij, gelet op de gegevens waarover hij ten tijde van de vaststelling van die regeling beschikte, kennelijk onjuist is. Dit is in casu niet het geval, aangezien de Raad op basis van een gedetailleerd onderzoek van de destijds beschikbare statistische gegevens een objectieve analyse heeft verricht van de gevolgen van de maatregel op de betrokken noodsituatie.

 

Binnen deze context merkt het Hof met name op dat het geringe aantal herplaatsingen dat tot op heden op grond van het bestreden besluit is verricht, kan worden verklaard door een samenstel van elementen die de Raad ten tijde van de vaststelling van dat besluit niet kon voorzien, waaronder met name het gebrek aan medewerking van bepaalde lidstaten.

 

Tot slot stelt het Hof vast dat de Raad geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt toen hij oordeelde dat het met het bestreden besluit beoogde doel niet kon worden bereikt met minder beperkende maatregelen. Derhalve oordeelt het Hof dat de Raad zijn ruime beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden door oordelen dat het in besluit 2015/1523 voorziene mechanisme, dat reeds beoogde 40 000 personen op vrijwillige basis te herplaatsen, niet volstond om het hoofd te bieden aan de ongekende toestroom van migranten tijdens de maanden juli en augustus van het jaar 2015.


 

Bron: Persbericht Hof van Justitie van de Europese Unie

 
 

  1. Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland (PB 2015, L 248, blz. 80).
  2. Finland onthield zich van stemming, terwijl de andere lidstaten vóór het besluit stemden.
  3. Gewone wetgevingsprocedure of bijzondere wetgevingsprocedure, bedoeld in artikel 289 VWEU.
  4. Besluit van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland (PB 2015, L 239, blz. 146).
  5. Hongarije bevestigt te hebben geweigerd te worden aangemerkt als lidstaat van waaruit personen zouden worden herplaatst, daar zij wilde vermijden te worden beschouwd als lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van asielverzoeken die hadden moeten worden ingediend in de lidstaat via welke zij daadwerkelijk op het grondgebied van de Unie zijn aangekomen.

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 7 september 2017

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Legal Visions: jurisprudentie in korte videopresentaties

Het enthousiasme voor TaxVisions met elke week de belangrijkste fiscale jurisprudentie in korte videopresentaties (https://www.wolterskluwer.nl/taxvisions) heeft Wolters Kluwer bewogen om ook voor (andere) juristen bij wijze van proef een animatie video te maken van een arrest van de Raad van State. Er zijn plannen om dit wekelijks te gaan doen voor de belangrijkste jurisprudentie (strafrecht, privaatrecht en bestuursrecht). Lijkt u dat wat? Laat het ons weten via redactie@njb.nl

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.