Delen van gegevens door het OM in het kader van een BOPZ machtiging - P-G constateert tekortkomingen

Geschreven door: Redactie op

Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Hoekstra is het Openbaar Ministerie feitelijk begonnen met het voegen van strafrechtelijke gegevens in het Bopz-dossier, zonder voldoende duidelijk vast te stellen of het hiertoe op grond van de actuele gegevensbeschermingswetgeving wel in alle gevallen bevoegd is en zonder zich voldoende rekenschap te geven van de voorwaarden die hierbij in acht dienen te worden genomen.

Dat is de belangrijkste bevinding van het op 6 november uitgebrachte rapport ‘Gedeelde infomatie’ van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze deed in het kader van het in art. 122 lid 1 Wet RO bedoelde toezicht onderzoek naar de vraag of voor het toevoegen door het OM van – kort gezegd – strafrechtelijke gegevens aan het Bopz-dossier in het thans geldende wettelijke kader een grondslag kan worden gevonden en of het toevoegen van strafrechtelijke gegevens aan het Bopz-dossier, vooruitlopend op de op stapel staande wetgeving met betrekking tot gedwongen zorg, rechtmatig is. Het onderzoek is uitgevoerd door T.N.B.M. Spronken, advocaat-generaal en P.C. Koopmans, medewerker kabinet procureur-generaal.

Aanleiding

De aanleiding voor dit rapport voert terug op de gewelddadige dood van Els Borst, D66 politica en voormalig minister van volksgezondheid. De Commissie Hoekstra heeft daarop een onderzoek ingesteld naar eventuele structurele tekortkomingen in werkprocessen van het openbaar ministerie en andere instanties aangaande, kort gezegd, ‘verwarde personen’. Sinds 2016 is het OM naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Hoekstra begonnen met het structureel inbrengen van strafrechtelijke gegevens bij verzoeken tot een dwangopname op grond van de Wet Bopz. Het doel hiervan is dat de rechter zich met behulp van deze informatie een beter beeld kan vormen over de noodzaak van een (voortgezette) dwangopname.

Bevindingen

De procureur-generaal trekt het belang en de urgentie die gemoeid zijn met de verstrekking van deze gegevens aan de rechter, gelet op de ervaringen in de zaak Bart van U. die voor de doodslag op Els Borst is veroordeeld, niet in twijfel. In het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel voor de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, welke de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen moet gaan vervangen, worden ten opzichte van de huidige regelgeving nieuwe voorzieningen getroffen voor de verstrekking van strafvorderlijke en justitiële gegevens bij het indienen van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging en onderlinge gegevensuitwisseling tussen de bij de verplichte geestelijke gezondheidszorg betrokken instanties. (Zie over dit wetsvoorstel het in deze aflevering gepubliceerde artikel van Vivianne Dörenberg (NJB 2017/2089).)
Het feit dat de in dit onderzoek onder het vergrootglas gelegde problematiek in belangrijke mate, of volledig, opgelost lijkt te worden in een nieuw wettelijk kader geeft echter geen reden om de (on)rechtmatigheid van de huidige praktijk en die van de nabije toekomst voor lief te nemen.

Wettelijk kader

De gegevensverstrekking zoals deze sinds 2016 in het kader van de Bopz-procedure heeft plaatsgevonden valt, nu hiermee een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, onder het Europese gegevensbeschermingsrecht en artikel 8 EVRM. Kort samengevat komen deze erop neer dat gegevensverwerking in overeenstemming behoort te zijn met de wet en dient te voldoen aan het uitgangspunt van doelbinding, zowel wat de gegevensvergaring betreft als de gegevensverstrekking. De doeleinden dienen gerechtvaardigd te zijn en een grondslag te vinden in één van de legitieme doelen die in artikel 8 lid 2 EVRM zijn opgesomd. De inmenging dient daarnaast voldoende precies omschreven, voorzienbaar en toegankelijk te zijn, zodat de reikwijdte en wijze van uitoefening van de inmenging voldoende kenbaar is. De gegevensverwerking moet voldoen aan eisen van zorgvuldigheid en voor elk systeem van opslag dienen er regels te zijn voor de duur van de opslag, doorgifte van gegevens, herziening van de noodzaak van de opslag en voor (in beginsel) rechterlijk toezicht. Artikel 10 lid 2 van de Grondwet bepaalt dat regels over het vastleggen en verstrekken van (bijzondere) persoonsgegevens in een wet in formele zin worden vastgesteld. Tot slot moet de gegevensverwerking voldoen aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Strafrechtelijke gegevensverwerking heeft betrekking op verwerking van bijzondere persoonsgegevens, en is met extra waarborgen omkleed. In beginsel geldt daarvoor een verwerkingsverbod, tenzij verwerking gerechtvaardigd kan worden door een zwaarwegend algemeen belang c.q. noodzakelijk is om vitale belangen van de betrokkene of andere personen te beschermen.

De voor het onderzoek relevante wettelijke regelingen, die een uitwerking vormen van het hierboven samengevatte grondwettelijk en verdragsrechtelijk recht op bescherming van persoonsgegevens, zijn in de Nederlandse wetgeving de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Wet politiegegevens (Wpg). Onderzocht is of voor de verstrekking van de verschillende categorieën gegevens die in dit onderzoek centraal staan, in één of meer van deze wetten een grondslag kan worden gevonden. Noch in de Wet Bopz, noch in de Wbp, Wjsg en Wpg of daarop betrekking hebbende lagere regelgeving wordt verstrekking van strafrechtelijke gegevens in het kader van de Bopz met zoveel woorden als doel of grondslag benoemd terwijl dit voor andere doeleinden wel in detail geregeld is. Het lijkt erop dat bij de totstandkoming van deze wetten niet gedacht is aan informatieverstrekking in het kader van de Bopz-procedure.

Tekortkomingen

Binnen het OM is zeker aandacht geweest voor de bescherming van de privacy van betrokkenen, doordat er afspraken zijn gemaakt over de anonimisering van de politiegegevens en de selectie daarvan op relevantie voor de beoordeling van het gevaars-criterium. Dat laat echter onverlet dat deze gegevensverstrekking op rechtmatige wijze dient plaats te vinden. Hierover is weliswaar door het OM advies ingewonnen en de kwestie is ook binnen diverse overlegorganen besproken, maar uiteindelijk zijn op de openstaande vragen over de wettelijke grondslag voor de gegevensuitwisseling geen afdoende antwoorden geformuleerd. De belangrijkste algemene bevinding is dan ook, dat het OM naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Hoekstra feitelijk is begonnen met het voegen van strafrechtelijke gegevens in het Bopz-dossier, zonder voldoende duidelijk vast te stellen of het hiertoe op grond van de actuele gegevensbeschermingswetgeving wel in alle gevallen bevoegd was en zonder zich voldoende rekenschap te geven van de voorwaarden hierbij in acht dienden te worden genomen.

Ongetwijfeld heeft de complexe structuur van de regelgeving die betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens hieraan bijgedragen. Daar staat echter tegenover dat het doel van de wetgeving bescherming persoonsgegevens, waar ook het OM aan gebonden is, dreigt te worden ondergraven, indien gegevens worden verstrekt terwijl geen helderheid bestaat over de hierop betrekking hebbende privacyregelgeving en er ook onvoldoende duidelijkheid is over de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en waarborgen die bij de verstrekking van persoonsgegevens in acht moeten worden genomen. Van het OM mag als bestuursorgaan in het kader van het beginsel van zorgvuldigheid worden verwacht dat het afdoende onderzoek doet naar de wettelijke grondslag van gegevensverstrekking. Daarin is het OM tekortgeschoten want ondanks de vragen en onduidelijkheden die er kennelijk bij het OM zijn blijven bestaan over de grondslag van de informatieverstrekking en als gevolg daarvan ook over de rechtmatigheid ervan, heeft dit er niet aan in de weg gestaan, tot verstrekking van strafrechtelijke informatie over te gaan. Dat hiermee een zwaarwegend belang gediend is, kan voor de handelwijze van het OM geen voldoende juridische rechtvaardiging vormen. Kennelijk is aan het belang om de Bopz-rechter van de betreffende gegevens te voorzien voorrang gegeven, zonder de rechtmatigheidsvraag die in dit verband doorslaggevend behoort te zijn, eerst te beantwoorden. Daarbij wordt aangetekend dat, zoals in het rapport uitvoerig uiteengezet wordt, de wettelijke voorschriften thans niet goed zijn toegesneden op de vervulling van de taken waarvoor het OM voor de verstrekking van strafrechtelijke gegevens over ‘verwarde personen’ wordt gesteld.

Aanbevelingen

De belangrijkste suggestie is om in afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving, of vooruitlopend hierop, regelgeving uit te vaardigen waarin de grondslag voor de verstrekking van justitiële, strafvorderlijke en politiegegevens in het kader van de procedure voor gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis wordt vastgelegd en met de vereiste waarborgen wordt omkleed. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de onderzoeksbevindingen in het rapport met betrekking tot de relevante bepalingen in de Wjsg en de Wpg. Voor wat betreft de verstrekking van politiegegevens zou een algemene maatregel van bestuur kunnen worden uitgevaardigd op grond van art. 18 Wpg. Daarmee zou beter dan thans het geval is in een rechtsbasis kunnen worden voorzien die voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 8 lid 2 EVRM worden gesteld zoals de vereisten dat de inmenging in het privéleven voldoende precies omschreven moet zijn en dat de reikwijdte en wijze van uitoefening van de inmenging tevens kenbaar moet zijn voor de burger. Aan die vereisten voldoen de algemeen geformuleerde vangnetbepalingen van de Wjsg en de Wpg niet.

Bij het uitvaardigen van nadere regelgeving om tegemoet te komen aan de thans bestaande lacunes, zou kunnen worden gekozen tussen twee wegen. In de eerste plaats zou nu reeds kunnen worden aangesloten bij de wijze waarop de informatievoorziening in de toekomstige Wvggz geregeld zal zijn. Het belangrijkste verschil met de huidige praktijk zou in dat geval zijn dat de informatie dan in eerste instantie aan de geneesheer-directeur of psychiater ten behoeve van de voorbereiding van de geneeskundige verklaring wordt verstrekt, in plaats van aan de rechter en pas in een later stadium, als het inderdaad komt tot een verzoek tot dwangopname, de informatie ook aan het Bopz-dossier wordt toegevoegd. Een andere optie is de huidige praktijk zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de vereisten die op grond van het huidige recht op het gebied van gegevensbescherming daaraan worden gesteld. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat het opvragen en verstrekken van politiemutaties in het kader van de Bopz zo spoedig mogelijk in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 18 Wpg wordt geregeld of in een zogenoemd ‘artikel 20 besluit’ op grond van artikel 20 lid 2 Wpg wordt vastgelegd.

 

Rapport Gedeelde informatie - Over de naleving van de wet door het Openbaar Ministerie bij het toevoegen van strafvorderlijke, justitiële en politiële gegevens aan het Bopz-dossier 

Zie ook het artikel Justitie (te?) prominent aanwezig in verplichte geestelijke gezondheidszorg van Vivianne Dörenberg (NJB 2017/2089, afl. 39).

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 7 november 2017

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.