Naar een landelijk Centrum voor Methodologie en Empirische Rechtsbeoefening

In het juridisch onderzoek is een verschuiving waarneembaar van ‘dienstverlening aan de praktijk’ naar wetenschappelijk onderzoek als ‘doel in zichzelf’ terwijl beleidsmakers steeds meer belang zijn gaan hechten aan maatschappelijke valorisatie van onderzoek. Ondertussen blijken de gezamenlijke rechtenfaculteiten het maar niet eens te kunnen worden over de kwaliteitsmaatstaven die voor het rechtswetenschappelijk onderzoek hebben te gelden.

Kritiek op juridisch onderzoek

De rechtenfaculteiten, het ministerie, het WODC en andere belanghebbenden zouden de handen ineen moeten slaan om te komen tot een landelijk kenniscentrum voor methodenonderzoek en -onderwijs, waarin kennis en ervaring wordt gebundeld en dat direct ten dienste staat van de faculteiten. Faculteiten moeten de krachten bundelen waarbij de rijksoverheid een handje zou kunnen helpen door vanuit haar eigen kenniscentra menskracht of middelen ter beschikbaar te stellen.

De laatste tijd valt geregeld kritiek te beluisteren op zowel het juridisch onderzoek als op het rechtenonderwijs. De voormalige deken van de landelijke Orde van Advocaten Willem Bekkers noemde de huidige rechtenopleiding ‘flinterdun’ en ‘een van de simpelste studies die we kennen’ (zie Mr 2010/3). De vicepresident van de Rechtbank Rotterdam, Margreet Ashmann, stelde in het NJB 2011/28, p. 66-70, dat de verklaring van ‘civiel effect’ van de universiteiten de praktijk niet de garantie biedt die wordt beloofd. Zij leek de rechtenfaculteiten te willen waarschuwen niet te ver van de praktijk af te drijven. Tegelijkertijd lijken anderen zich af te vragen of de rechtenopleiding niet (terecht) steeds minder een beroepsopleiding is geworden1 en zijn er pleidooien voor verdere ‘academisering’. Hierbij geldt overigens dat academisering niet automatisch op gespannen voet staat met meer praktijkkennis; denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid tot het kiezen van een meer praktijkgerichte master, zoals een togamaster, na een brede, algemeen vormende bachelor.2

Juridisch onderzoek

Interessant is dat in het juridisch onderzoek een trend waarneembaar lijkt welke de commissie-Koers, die het juridisch onderzoek in Nederland heeft gevisiteerd, aanduidt als een verschuiving van ‘dienstverlening aan de praktijk’ naar wetenschappelijk onderzoek als ‘doel in zichzelf’. De commissie merkt op dat die ontwikkeling niet zonder gevaren is (p. 40), temeer nu beleidsmakers steeds meer belang zijn gaan hechten aan maatschappelijke valorisatie van onderzoek. De commissie-Koers maakt zich duidelijk zorgen.3 Deze hebben behalve op de relatie onderwijs en onderzoek (p. 31) onder andere te maken met het feit dat faculteiten de regie zouden kunnen kwijtraken over de agendering van het eigen onderzoek. Dit wordt mogelijk nog versterkt door het feit dat de gezamenlijke rechtenfaculteiten het maar niet eens blijken te kunnen worden over de kwaliteitsmaatstaven die voor het rechtswetenschappelijk onderzoek hebben te gelden en vooralsnog meer geïnteresseerd lijken in aantallen publicaties dan in de toegevoegde waarde van diezelfde publicaties (p. 54/55).

Gelukkig is het niet alleen maar kommer en kwel en zijn er ook kansen. Voor wat betreft het onderwijs heeft Jan Smits bijvoorbeeld gewezen op het feit dat globalisering ongekende kansen biedt voor onderwijs vanuit een pluraliteit van rechtsbronnen waarbij studenten klaar worden gestoomd voor ‘global citizenship’.4 De commissie-Koers noemt uitdrukkelijk de uitbouw van multi- en interdisciplinair onderzoek (p. 57) en de toegenomen aandacht voor methodologie (p. 58) die de grote instroom van nieuwe hoogleraren en promovendi kan helpen om hun plannen en ambities waar te maken. Veel van die jongere rechtswetenschappers – en overigens ook sommige ‘oudere jongeren’ – willen het recht in zijn internationale en maatschappelijke context bestuderen en zijn daarbij ook geïnteresseerd in de gedragswetenschappelijke aspecten van recht en regulering. De recente aandacht in het privaatrecht voor wat inmiddels de ‘civilologie’ is gaan heten, is hiervan een goed voorbeeld,5 maar hetzelfde geldt voor tal van andere nieuwe ‘law and...’-bewegingen.6

Verwezenlijking van kansen

Dat deze kansen zich voordoen en deels ook al gegrepen lijken te worden, is natuurlijk prachtig, maar de daadwerkelijke verwezenlijking ervan betekent onzes inziens dat er meer moet gebeuren:

1. Het is om te beginnen nodig dat er een breder debat op gang komt over vragen als: moet de rechtenopleiding primair gericht zijn/blijven op het voorbereiden van studenten op een togaberoep, wanneer de meerderheid van de afgestudeerden later niet in zo’n beroep terecht komt en wanneer in het juridische onderzoek allerlei nieuwe stromingen opduiken die (nog) nauwelijks vertegenwoordigd lijken in met name het bacheloronderwijs?

2. Een herbezinning lijkt ook nodig op de relatie rechtswetenschap en rechtspraktijk. Deze band verdient het om gekoesterd te worden,7 maar van belang is wel om meer en beter inzicht te krijgen in wat ‘de praktijk’ van de hedendaagse rechtenstudent(e) vraagt. Daarbij geldt dat die praktijk inmiddels veel breder en meer divers is dan de togaberoepen. Het feit dat er door de overheid bijvoorbeeld een Academie voor Wetgeving en een Academie voor Overheidsjuristen in het leven is geroepen, duidt erop dat ook door de grootste werkgever voor juristen van ons land meer en andere eisen worden gesteld aan studenten dan in het verleden.8 Zouden die dan ook niet in de universitaire rechtenopleiding tot uitdrukking moeten komen?

3. Wie recht wil doen aan de veelkleurige juridische praktijk en aan de multidisciplinaire en empirische invloeden in het onderzoek kan er niet omheen dat in de rechtenopleiding meer aandacht nodig is voor het belang van feiten en feitenonderzoek en het zoeken naar tegenargumenten en tegenbewijs (‘could I be wrong?’). Dat is zowel van belang voor de kwaliteit van onze wetenschappelijke publicaties – we willen liever geen affaire Stapel binnen de rechtswetenschap9  – als voor de juridische praktijk, bijvoorbeeld waar het gaat om thema’s als: het tegengaan van tunnelvisie in de rechtspraak, het selectief omgaan met feiten, deskundigenberichten of ander empirisch materiaal in beleid en wetgeving en het ‘out of the box’ kunnen denken dat nodig is in de adviespraktijk.

4. De ook door de commissie-Koers geconstateerde groeiende belangstelling voor feiten, empirie en multidisciplinariteit verdient een vertaling naar het onderwijs, alleen al om de band met het onderzoek intact te houden. Dit impliceert dat er in het rechtenonderwijs meer en andere methodische kennis overgebracht zal moeten gaan worden, te beginnen in de bachelorfase (‘onderzoekend onderwijs’).10 Hiermee zou idealiter in of naast de vakken ‘Inleiding’ of ‘Encyclopedie’ gestart moeten worden. Grotere aandacht in het onderwijs is tevens vereist voor de consequenties die het recht kan hebben (onder andere juridisering en dejuridisering) en de verschillende wijzen waarop met juridische vragen wordt omgesprongen in uiteenlopende rechtsstelsels (zijn de keuzes die wij maken wel zo vanzelfsprekend vanuit een mondiaal perspectief?). Dit alles hoeft volgens ons niet tot een strijd te leiden over het al dan niet verdwijnen van bestaande vakken. Gelet op de huidige 20 tot 24 uur per week die een rechtenstudent gemiddeld studeert, is er de nodige ruimte om het bestaande bachelorcurriculum te verzwaren.

5. Aandacht voor methoden betekent niet dat we in de rechtenopleiding het model van de sociale wetenschappen moeten nabootsen of de band met het positieve recht uit het oog mogen verliezen. Integendeel! Essentieel is dat nieuwe generaties rechtenstudenten leren omgaan met de genoemde, snel groeiend pluraliteit van rechtsbronnen in een globaliserende en meerlagige rechtsorde.11 Dit veronderstelt in toenemende mate dat kennis van andere rechtsstelsels en methoden van rechtsvergelijking een prominente plaats verdienen in het curriculum. Daarnaast is het onvermijdelijk dat juristen beter opgeleid worden ten aanzien van de gedragswetenschappelijke aspecten van recht en regulering in onze maatschappij.

6. Meer nadruk op multidisciplinariteit en methoden betekent wat ons betreft niet dat een tegenstelling – laat staan een rangorde – zou mogen ontstaan tussen monodisciplinair of dogmatisch-juridisch onderzoek en multidisciplinair of empirisch-juridisch onderzoek. Er dient vooral oog te blijven voor de verschillen tussen diverse typen onderzoek en de kwaliteitsmaatstaven en methodologische verantwoording die daarbij hoort.12 Pluriformiteit vormt de basis voor een bloeiende wetenschap en kwaliteit mag daarom nooit verward worden met een bepaalde vorm (annotatie/boek), taal (Nederlands/Engels) of invalshoek (normatief/empirisch) waarin het onderzoek wordt gegoten. Dat gebeurt in onze ogen bij de onderzoeksbeoordeling thans wel nog te vaak, al dan niet bewust.13 Faculteiten en subsidieverstrekkers zijn uiteraard gerechtigd om eigen keuzes te maken in het juridische onderzoek dat men een extra (financiële) impuls wil geven, en het aanbrengen van meer inhoudelijke focus is noodzakelijk, maar daarbij dient men zich wel te realiseren dat wat vandaag ‘hot’ is dat overmorgen misschien niet meer is.

7. Het feit dat er binnen de rechtswetenschap – ook internationaal – steeds meer multidisciplinair en empirisch onderzoek wordt verricht zal tegelijkertijd ook zijn weerslag dienen te krijgen in de kwaliteitszorg binnen onderzoek en onderwijs. Voor multidisciplinair en empirisch-juridisch onderzoek gelden bijvoorbeeld andere maatstaven voor het vaststellen van de kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek. Daarbij komt dat dataverzameling dikwijls tijdrovend en kostbaar is en dat ook vaker in teamverband wordt samengewerkt. Met dit soort verschillen zal ook bij de onderzoeksbeoordeling rekening dienen te worden gehouden. Alvorens ons als rechtswetenschap echter massaal te storten op peer review of impactmetingen en dergelijke meer, die in andere disciplines meer gebruikelijk zijn, dienen we na te denken over wat we zelf willen. Hoeveel belang hechten we bijvoorbeeld aan onze boekencultuur en aan annotaties? Willen we bovendien voortdurend over de schouders van wetenschappers meekijken hoeveel en wat zij precies publiceren en wordt de kwaliteit van het onderzoek daar beter van? Wij menen van niet en zouden er daarom ook geen voorstander van zijn om bij de kwaliteitsbeoordeling te vluchten in procedures (double blind peer review of impact score metingen) zonder ook consensus te bereiken over welke kwaliteitscriteria we nu eigenlijk zouden willen hanteren en hoe deze op een integere en dus niet bevooroordeelde manier in de praktijk kunnen worden toegepast.14

Landelijk kenniscentrum

Gelet op het voorgaande zouden wij langs deze weg de navolgende oproep willen doen aan al onze collega’s en vooral ook onze ‘bazen’, de decanen. Laat de rechtenfaculteiten, met het Ministerie van (Veiligheid en) Justitie, het WODC (analyse van databestanden!) en mogelijke andere belanghebbenden (NOvA, KNB, SSR enz.), de handen ineenslaan om te komen tot een landelijk platform of kenniscentrum voor methodenonderzoek en -onderwijs, waarin kennis en ervaring wordt gebundeld en dat direct ten dienste staat van de faculteiten, bijvoorbeeld waar het gaat om opleiding van jonge docenten en promovendi, maar ook waar het betreft het leren van ervaringen die in het buitenland zijn of worden opgedaan met (methoden)onderwijs,15 multidisciplinair en empirisch-juridisch onderzoek en met de daarbij behorende systemen van kwaliteitszorg.16

Concreter kan dit platform, het ‘Centrum voor Methodologie en Empirische Rechtsbeoefening’ (ofwel, ‘what’s in a name?’: CMER) ertoe dienen om:
- nader te inventariseren welke behoeften er bestaan bij juristen als het om methoden en empirie gaat, en bij wie er daarvoor belangstelling bestaat en tevens te bezien in hoeverre en op welke wijze kennis inzake feitenonderzoek en methodenbesef wellicht kan leiden tot nieuwe impulsen voor het klassiek dogmatisch-juridische onderzoek;
­- vast te stellen welke kennis er dit moment bestaat (‘wat wordt er al gedaan en door wie’?).

Daarbij zou, overeenkomstig de Veerman-agenda, wellicht ook tot een zekere taakverdeling kunnen worden gekomen: sommige faculteiten zouden zich kunnen concentreren op het doorontwikkelen en verspreiden van kennis op het gebied van bijvoorbeeld de methoden van rechtsvergelijking, terwijl andere hun kennis zouden kunnen delen op het gebied van het doen van multidisciplinair en empirisch onderzoek of op het punt van methoden van rechtsvinding en/of regulering, enz;
­- te onderzoeken in hoeverre en op welke wijze curriculumhervorming mogelijk en wenselijk is met name waar het gaat om het incorporeren van op methoden gerichte vakken in de bachelor- en masterfase, en hoe onderwijsexpertise binnen Nederland beter ‘uitgewisseld’ en gedeeld kan worden;
­- meer en beter en op de Nederlandse markt toegespitst onderwijsmateriaal te ontwikkelen, onder andere door ruimte te maken voor onderwijsgerelateerd methodenonderzoek (onder andere handboeken voor het opzetten en verrichten van verschillende soorten van juridisch onderzoek);
­- onderzoek te doen naar de rol die methodologie kan vervullen in de sfeer van de kwaliteitszorg in het onderzoek en te bezien in hoeverre het aanbeveling verdient om in systemen van onderzoeksbeoordeling te differentiëren tussen uiteenlopende soorten van onderzoek. Wat kunnen wij daarbij leren van de ervaringen die elders in de wereld zijn of worden opgedaan met ‘peer review’, ‘impact scores’, of juist hele andere vormen van onderzoek(er)sbeoordeling, zoals ‘tenure tracks’?;
­- een verdere agenda voor de komende jaren bepalen.

Krachten bundelen

Er zijn verschillende manieren waarop een dergelijk landelijk initiatief gesteund kan worden. Faculteiten kunnen geïnteresseerden uit hun midden in staat stellen om tijd en energie te steken in een dergelijk initiatief (‘fte’s vrijmaken’, in ons jargon), zowel wat betreft de organisatie en opzet ervan als wat betreft het te verzorgen onderwijs. De faculteiten moeten de krachten bundelen om de her en der al wel in meer of mindere mate aanwezige kennis en belangstelling, te faciliteren. De rijksoverheid zou een handje kunnen helpen door vanuit haar eigen kenniscentra menskracht of middelen ter beschikbaar te stellen en denkbaar is verder ook dat dit initiatief wordt gevoed met behulp van een speciaal op methoden en multidisciplinariteit gericht onderzoeksprogramma vanuit NWO, zoals het vroegere SARO-programma.

Met deze oproep willen wij vooral de decanen rechtswetenschappen (alle tien), vragen om de volgende stap te zetten en te onderzoeken of er binnen de eigen geleding en daarbuiten draagvlak te vinden is voor een dergelijk plan. Als dat gevonden kan worden – daarvan zijn wij overtuigd – is een vervolgdiscussie om enige contouren te duiden, een goede volgende stap om uiteindelijk tot het CMER te komen. Onze steun heeft u!

Prof. mr. R.A.J. van Gestel is hoogleraar Theorie en methode van wetgeving aan de Universiteit van Tilburg, prof. mr. J. Giesen is hoogleraar Privaatrecht aan het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht en medewerker van dit blad, prof. mr. W.H. van Boom is hoogleraar Privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Dit artikel is verschenen in NJB 2012, afl. 29.

 

1. In Tilburg heeft zich een commissie o.l.v. prof. M. Adams gebogen over de academisering van het juridisch onderwijs en daarover een rapport uitgebracht. Vgl. over de vraag in hoeverre de rechtenstudie een (brede) beroepsopleiding is ook het preadvies voor de Vereniging voor Wetgeving en Wetgevingsbeleid van Menno Bouwes, ‘De vorming van de wetgevingsjurist’, in H.R. Schouten (red.), De opleiding van wetgevingsjuristen en wetgevingsonderzoekers in vergelijkend perspectief, Wolf Legal Publishers 2011. P. 61 e.v.
2. Zie bijv. de reactie van Barbara Oomen en Fried van Hoof, op de uitspraken van Ashmann, NJBlog van 5 april 2011.
3. Minder scherp en onderscheidend dan de observaties over de richting waarin het rechtswetenschappelijke onderzoek in Nederland zich beweegt, was de differentiatie in de beoordeling van de diverse onderzoeksgroepen. De meeste groepen kregen een (ruime) voldoende. Zie daarover: P. Westerman, ‘Visitatie in spagaat’, Ars Aequi 2010, p. 901-904.
4. Jan M. Smits, ‘European Legal Education, or: How to Prepare Students for Global Citizenship?’ Law Teacher 2011/45, 163-180.
5. Zie vooral (de inleiding in) W.H. van Boom, I. Giesen & A.J. Verheij, Gedrag en Privaatrecht, BJu: Den Haag 2008. Inmiddels vond in juni 2011 het eerste Civilologiecongres plaats in Rotterdam, georganiseerd door de EUR, de UU en het WODC, en is er een ‘Civilologie’-boekenreeks opgestart bij BJu/Eleven Publishing.
6. Zie voor een overzicht van de relevantie van die ‘law and...’-bewegingen voor het privaatrecht het WPNR-themanummer terzake van 24-31 december 2011.
7. Zie het debat in de VS waar dit juist een belangrijk punt is van kritiek van mensen als Harry Edwards. Zie H.T. Edwards, ‘The growing disjunction between legal education and the legal profession’, Michigan Law Review 1992-1993/34, p. 34-70. De kritiek van Edwards is niet onbesproken gebleven in de VS. Zie o.a. P.D. Reingold, Harry Edwards, ‘Nostalgia’, Michigan Law Review 1993/91, nr. 8 (augustus 1993), p. 1998-2009; Richard A. Posner, ‘The Deprofessionalization of Legal Teaching and Scholarship‘, Michigan Law Review 1921 (1993)/91, en vele anderen.
8. Vanaf 2012 zullen overigens tot de RAIO-opleiding ook nog slechts studenten worden toegelaten met minimaal drie jaar relevante juridische werkervaring.
9. Zie het rapport van de Commissie Levelt, ‘Interim-rapportage inzake door Prof. dr. D.A. Stapel gemaakte inbreuk op wetenschappelijke integriteit’, Tilburg 31 oktober 2011.
10. De nieuwe leerlijn onderzoeksvaardigheden die in Utrecht is opgezet (vgl. I. Curry-Sumner e.a., Onderzoeksvaardigheden, AAL: Nijmegen 2010) is wat dat betreft een mooi initiatief.
11. Zie o.a. W. van Gerven & S. Lierman, Algemeen Deel. 40 jaar later, Wolters Kluwer: Mechelen 2010 en Jaakko Husa, ‘The Method is Dead, Long Live the Methods! European Polynomia and Pluralist Methodology’, Legisprudence 2011/5, nr. 3, december 2011, p. 249-271.
12. Een schrikbeeld op dat punt is het debat dat enige jaren geleden in de VS is gevoerd n.a.v. de kritiek van Epstein & King op de methodologische kwaliteit van veel empirisch-juridisch onderzoek aldaar. Zie Lee Epstein & Gary King, ‘The Rules of Inference’, U. Chi. L. Rev. 1 2002/69, p. 6. Vergelijk ook Frank Cross, Michael Heise & Gregory C. Sisk, ‘Above the Rules: A Response to Epstein and King’, U. Chi. L. Rev. 135 2002/69.
13. Zie R.A.J. van Gestel en J.B.M. Vranken, ‘Assessing Legal Research: Sense and Nonsense of Peer Review versus Bibliometrics and the Need for a European Approach’, German Law Journal 2011/12, nr. 3, p. 901 e.v.
14. Wat dit laatste betreft: geanonimiseerde peer reviews bij de beoordeling van juridische tijdschriftartikelen hebben waarschijnlijk weinig toegevoegde waarde als er geen waarborgen zijn dat de selectie van reviewers deugdelijk is en die reviewers niet met een totaal verschillende blik naar publicaties kijken (bijv. vind ik persoonlijk iets wel of niet interessant versus is sprake van een duidelijke vraagstelling).
15. Zie H. Genn, M. Partington and S. Wheeler, Law in the real world: Improving our understanding of how the law works, The Nuffield inquiry on empirical legal research, Nuffield Foundation, London 2006.
16. Voor wat betreft dit laatste zie Commissie Kwaliteitsindicatoren Geesteswetenschappen, Kwaliteitsindicatoren voor onderzoek in de geesteswetenschappen, KNAW, mei 2011.






 



Naam auteur: Rob van Gestel en Ivo Giesen en Willem van Boom
Geschreven op: 24 oktober 2012

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

De meerwaarde van methodologie — NJBlog schreef op :
[...] pleidooi van Van Gestel, Giesen en Van Boom (NJB 2012/2032, afl. 29) om binnen de juridische gemeenschap meer [...]



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.