De Uitspraak: Kun je een mislukte of overbodig gebleken adoptie achteraf herroepen?

Kun je een mislukte of achteraf overbodig gebleken adoptie ongedaan laten maken?

De zaak.

In 1971 wordt een zesjarig meisje geadopteerd door een echtpaar. Als ze achttien is krijgt zij weer contact met haar biologische moeder en andere familieleden. Rond haar twintigste scheidden haar adoptieouders. Met haar adoptievader verliest zij tien jaar later het contact. De adoptiefmoeder overlijdt in 2008, als ze 43 is. Twee jaar later vraagt ze de rechtbank om de adoptie ongedaan te maken en haar familiebanden te herstellen met haar echte moeder. Zij wil bovendien de achternaam van haar moeder. De adoptiefvader heeft geen bezwaar.

Wat was de reden van de adoptie?

De moeder zou haar als kleuter hebben afgestaan omdat zij uit een buitenechtelijke relatie was geboren. In haar aristocratische familie was een zogeheten bastaard destijds, in 1965 niet acceptabel. Zij zou onder ‘grote druk’ hebben gehandeld.

Hoe verliep haar terugkeer?

Volgens het vonnis is het contact niet alleen met de moeder hersteld, maar ook met de zuster van de moeder, haar man en de grootouders van moeders zijde. De familie beschikt over twee fondsen ‘met aanzienlijke vermogens’, bedoeld om behoeftige familieleden te ondersteunen. Alleen wettige afstammelingen worden toegelaten, maar beide fondsen maken een uitzondering voor deze ‘onechte’ dochter. Zij mag dus ook aanspraken op basis van verwantschap laten gelden.

Wat staat er in de wet over het schrappen van een adoptie?

Alleen het kind mag daar om vragen en wel tussen het 20e en 23e jaar. Niet eerder en niet later. Deze vrouw is echter 45. Ruim na de termijn dus. Destijds durfde ze deze stap niet te zetten omdat haar adoptieouders zich toen nog verzetten. Ze probeert het nu toch omdat haar advocaat kansen ziet in het ‘recht op gezinsleven’ uit het Europese verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens. Het niet erkennen van de familierechtelijke band met haar biologische moeder zou een schending van dit burgerrecht vormen.

Hoe lost de rechter dit op?

Eerst zegt de rechtbank dat deze adoptie niet voldoet aan de norm die nu in de wet staat. Adoptie mag als ‘vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft’. Dit bleek achteraf onjuist. De vrouw toonde aan dat er inmiddels een ‘innig contact’ is gegroeid en er financiële aanspraken zijn erkend. De adoptie was eerder nadelig. Zij zou kansen hebben gemist. Hereniging is in haar belang, vindt de rechter.

De beperkte herroepingstermijn schuift de rechter opzij. Die is bedoeld om geadopteerden te beschermen tegen overhaaste beslissingen. In dit geval heeft de geadopteerde juist over een langere termijn familiebetrekkingen hersteld. Als nu de strenge termijnen uit de wet worden toegepast is dat onredelijk, onbillijk en daarom onaanvaardbaar. Zo’n korte herroepingstermijn is een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven.

En zo rekt de rechter de herroepingstermijn van 3 jaar op met maar liefst twintig jaar in het belang van het kind. De adoptie wordt herroepen. Zij krijgt haar naam en haar moeder terug.

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

 

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 12 januari 2012

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

rezai schreef op :
geachte meneer,

ik ben inmiddels 35 jaar en heb nooit geweten over deze herroeppings regel, zeer waarschijnlijk omdat mijn adoptiemoeder al wist dat ik daar anders gebruik van had gemaakt.

mijn adoptiemoeder is een narcist, ik heb een enorme moeilijke jeugd hierdoor gehad.

pas sinds 7 juni 2017 heb ik het contact definitief verbroken al die tijd daarvoor durfde ik dat niet uit angst voor haar wraak naar mijn kinderen toe.

wat kan ik doen? is het op de een of andere manier toch mogelijk om de adoptie te ontbinden?

alstublieft help mij!!!!!!!!!


met vriendelijke groet,

yasmin rezai
Antje Hage schreef op :
Ondank is des werelds loon. De enige motivatie is evident het financieel gewin. Een gotspe is toch eigenlijk: "De adoptie was eerder nadelig. Zij zou kansen hebben gemist." Misschien dat men zich even had kunnen voorstellen wat er zonder adoptie van mevrouw terecht was gekomen. Een leven als paria of in een klooster? Kijken wel kansen ze daar had gehad. Of was ze liever niet geboren geworden?
Peter Meijne schreef op :
Ook de Staatssecretaris van Financiën is gevoelig voor dit soort situaties. Zie V-N Vandaag 2011/3185 d.d. 29 december 2011. In het geval van een geadopteerd kind dat later de banden met de biologische moeder herstelde, waarna de moeder het kind als erfgenaam in haar testament opnam, werd, met een beroep op de hardheidsclausule (art. 63 AWR) het tarief voor het successierecht (thans erfbelasting) dat geldt voor kinderen, in plaats van het tarief voor derden (niet-verwanten)toegepast.

In dit geval werd de adoptie niet teruggedraaid maar de omstandigheden waren van dien aard dat de Staatssecretaris besloot om de hardheidsclausule toe te passen en het successierecht volgens het lage ouders-kinderen tarief te berekenen.

Uit deze twee gevallen blijkt duidelijk dat het alleszins de moeite waard is om voor schrijnende of achterhaalde gevallen een poging te doen om de juridische kanten van de zaak in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Niet geschoten is altijd mis!
jeroen van dael schreef op :
Uit het verhaal over het achteraf herroepen van een adoptie, blijkt (weer eens) dat een rechter die het niet eens is met een wettelijke bepaling (i.c. de te kort geachte herroepingstermijn, die hij een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven vindt), die wettelijke bepaling gewoon negeert en een vonnis wijst dat tegen die wet ingaat.

Ik gun het de dame in kwestie van harte dat haar adoptie is herroepen, maar de manier waarop vind ik principieel onjuist.

De rechtsprekende macht wijzigt hier op eigen houtje de reikwijdte van door de wetgever vastgestelde wetten, eigent zich wetgevende bevoegdheden toe, die ze niet heeft en als ze oprecht gelooft in de juistheid van Montesquieu’s scheiding der machten, zelfs niet zou moeten willen hebben!

De rechtsprekende macht negeert die scheiding der machten wel vaker:
- Omstreeks 1880 gaf de wetgever met art 41 WvS de burger haar zelfverdedigingsrecht. De rechtsprekende macht heeft dat recht inmiddels weer afgenomen met de eis dat verdedigingsgeweld ‘proportioneel’ moet zijn, een niet in de wet verankerd, subjectief criterium dat slechts achteraf kan worden vastgesteld en daardoor de duidelijkheid van Art 41 WvS teniet doet. De rechtszekerheid van het slachtoffer is erdoor afgenomen, de rol van de rechtsprekende macht is erdoor toegenomen. Dat heeft inmiddels een grote invloed op de maatschappij gehad. Immers, de aanvaller geniet nu het voordeel van de twijfel die het slachtoffer opgedrongen heeft gekregen nu hij zich tijdens zijn verdediging ook nog moet afvragen met hoeveel geweld hij zich mag verdedigen. Ook het gedrag van de individuele politieman/vrouw wordt hierdoor beïnvloed, ten koste van de maatschappelijke veiligheid.
- Art. 1 Grondwet biedt de individuele burger bescherming tegen willekeur van de overheid. Ook hier zien we dat de rechtsprekende macht op eigen houtje de reikwijdte van zelfs een grondwetsartikel wijzigt, i.c. ten faveure van een triascollega, de belastingdienst. Indien die burger als enkeling tegenover de belastingdienst n.l. een beroep doet op dit grondwetsartikel wordt hem door de rechter zelfs de bescherming van de grondwet onthouden.
- Ingewijden weten vast nog veel meer van dergelijke voorbeelden aan te halen.

Montesquieu kwam niet zomaar tot de slotsom dat een scheiding der machten de beste manier was om het maatschappelijk onrecht en de corruptie welke hij om zich heen zag, te bestrijden. Hoewel zijn analyse slechts een halve pagina in beslag neemt, blijkt het realiseren van zijn gedachtegoed 250 jaar na dato, nog steeds een probleem, primair veroorzaakt door het verschijnsel mens, dat sinds mensenheugenis op macht belust is. En macht corrumpeert, een uitdrukking die iedereen wel kent maar bijna nooit herkent als hij zich er zelf aan bezondigt.

Als de wetgever steken laat vallen door onvolkomen wetgeving af te scheiden, dan moet dat niet het sein voor de rechtsprekende macht zijn, om maar zelf op de stoel van de wetgever te gaan zitten.
Dat is niet de ‘Koninklijke weg’, want die gaat immers via de voordeur.
Als de rechtsprekende macht van mening is dat een wet onvoldoende is om er rechtvaardig rechtspraak op te baseren, moet er een procedure beschikbaar zijn, die beide triaspartners in hun respectievelijke rol en waarde laat zonder de procederende burger te benadelen.

Waarom een dergelijke procedure nooit tot stand is gekomen, is mij onbekend maar ik kan wel een paar redenen verzinnen:
- de wetgever heeft er niet veel zin in, en vindt het wel makkelijk als zij door passief te blijven onder de noodzaak van het moeten wijzigen van wetten uit kan komen.
- de rechtsprekende macht geeft zich graag meer aanzien met elke uitbreiding van de haar zelf toebedachte ‘rechtscheppende’ rol.

Ik pleit er voor, dat er op enigerlei wijze een protocol o.i.d. wordt vastgesteld over hoe de rechtsprekende macht zich dient op te stellen richting wetgever en dient te handelen als er haars inziens iets aan een wet schort.

Dit zou gecombineerd kunnen worden met een nog in te stellen onafhankelijk toezichthoudend orgaan dat namens de wetgever nagaat of de rechtsprekende macht de door de wetgever vastgestelde wetten toepast in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Dit orgaan zou m.i. bij voorkeur bemand/vrouwd dienen te worden door (analytisch ingestelde en voor bepaalde tijd benoemde) burgers. Dit in navolging van Montesquieu, die tot een jurymodel kwam om te voorkomen dat ons-kent-ons effecten de rechtspraak zouden corrumperen.

De Hoge Raad is niet het juiste orgaan voor deze toezichthoudende functie, omdat juist zij verantwoordelijk is voor het al ruim een eeuw niet bewandelen van de Koninklijke weg.

Op elk niveau zou de rechtsprekende macht indien zij een bepaalde wet ontoereikend acht, die toezichthouder om toestemming moeten kunnen vragen om anders te beslissen dan de strikte wetstekst toelaat. De toezichthouder is dan verplicht binnen een redelijke termijn van bv. 2 maanden aan te geven of zij e.e.a. acceptabel acht of niet. Vindt zij het acceptabel, dan zou zij aansluitend een wetswijzigingsvoorstel moeten indienen.

De wetgever moet dus actiever worden en de rechtsprekende macht iets bescheidener.
Een dergelijke procedure zou zeer kunnen bijdragen een het zelfreinigend vermogen van zowel wetgeving als rechtspraak. De burger wordt immers geacht de wet te kennen, maar als de rechtelijke macht defacto naar eigen inzicht afwijkt van de wetstekst, dan ontbreekt elke rechtszekerheid voor de burger.

20120115, jvd
i. sewandono schreef op :
Wij zijn natuurlijk helemaal niet geinteresserd in de naam van de familie van de grootmoeder. Maar voor vasthoudende speurders bieden de plaats van de betrokken rechtbank en de vermelding van het aantal familiefondsen voldoende aanknoping. Wordt vervolgd in de society rubrieken van andere kranten.
Carola Kans schreef op :
Er zijn veel te veel bemoei-regels. Ik zie het als een overeenkomst waar beide partijen vrijwillig uit kunnen stappen. Als ontbinding is gewenst, moet dit kunnen. Zonder rare regeltjes. Het zou toch te gek zijn als je geadopteerd moet blijven. Belachelijke bemoeizucht.
Caroline Forder schreef op :

Juridische afstammings- en adoptierelaties moeten in overeenstemming zijn met gevoel

Tijd om iets op te biechten. De advocaat van de cliënte in deze zaak benaderde mij lang voor de rechtbankzitting. Was de zaak kansrijk? Mijn oordeel was bikkelhard: ‘Doe het niet, u zult achter het net vissen!’ De wens van zijn cliënte om de verwaterde relatie met haar adoptiefouders te verbreken en de juridische relatie met haar biologische familie tot stand te brengen was begrijpelijk. De adoptiefmoeder was overleden en de adoptiefvader had de cliënte in twintig jaar niet gesproken. Rond haar achttiende had de cliënte haar biologische moeder ontmoet, met wie ze nu een innige relatie heeft. Inmiddels zijn ook andere familieleden haar dierbaar geworden.

Maar toch. Ze had gewoon eerder naar de rechter moeten stappen. Ik zag echt geen goede reden waarom ze dat niet eerder had gedaan. Ze wilde de adoptiefouders niet kwetsen. En ze stond onder druk van hen. Moet de rechter daarmee rekening houden? Ik dacht van niet. Gelet op de welgesteldheid van haar biologische familie was er bovendien het risico dat zij aan ‘gold-digging’ deed. Dat betekent, je moeder en vader heel hun leven verwaarlozen, en pas op het einde – of na overlijden - een knuffel-relatie beginnen.

De advocaat had gelijk. En niet zo’n beetje ook. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke eis dat het verzoek om herroeping van adoptie binnen drie jaar na meerderjarigheid bij de rechtbank moet worden ingediend bedoeld is om de geadopteerde persoon te beschermen. In dit geval zou handhaving van de termijn echter tegen de belangen van cliënte ingaan. Ze had er juist een groot belang bij dat haar relatie met haar biologische moeder formeel juridisch erkend zou worden. Van gold-digging was geen sprake. De rechtbank kon zich ook goed voorstellen hoe moeilijk het voor cliënte was om de relatie met haar adoptiefouders te herroepen. Levenservaring en rijpheid zijn daarvoor nodig. Vandaar dat de 45-jarige verzoekster met een termijnoverschrijding van twintig jaar weg kwam.

Andere rechters hebben deze weg ook bewandeld, bijvoorbeeld de rechtbank
’s-Hertogenbosch in een beschikking van 10 juni 2008 (LJN BN6040) die pas op
16 september 2010 is gepubliceerd. De verzoeker in die zaak had al jaren lang geen contact met zijn adoptiefouders meer. Na psychotherapeutische behandeling voor zijn traumatische ervaringen was hij nu pas in staat om het herroepingsverzoek in te dienen. De rechter kon daar goed inkomen.

Ook het Europees hof voor de rechten van de mens heeft de overschrijding van termijnen toegestaan waar deze een belemmering vormen voor de juridische erkenning van biologische relaties (uitspraken 6 juli 2010, zaaknr. 17038/04 en 36498/05 (Grönmark en Backlund t. Finland)). In het najaar van 2010 was er, wat de wettelijke termijnen betreft, in het adoptie- en afstammingsrecht, sprake van een dijkbreuk.

Naar mijn idee verrichten de rechters in deze zaken fantastisch werk. Zij luisteren naar de verhalen van de verzoekers, ook naar hun emoties en verlangens. Zij onderzoeken de doelstellingen van de wetgeving. Waar deze irrelevant, achterhaald of niet meer haalbaar zijn, hebben zij de formele wetgeving opzij gezet in verband met de zwaarwegende belangen van de verzoekers. Van mij mogen ze zo doorgaan, ook op andere rechtsgebieden!

Caroline Forder is bijzonder hoogleraar rechten van het kind en NJB-expert.

René Hoksbergen schreef op :

De eerste adoptiewet uit 1956 gaat ervan uit dat de juridische banden van het adoptiekind met zijn biologische ouders geheel verbroken worden. De mogelijkheid voor geadopteerde om de adoptie later door de rechtbank te laten herroepen, dus ongedaan te maken, kende nauwelijks voorstanders. Daarom kreeg de geadopteerde slechts tot één jaar na zijn twintigste verjaardag de mogelijkheid hiertoe. Herroeping zou in zijn of haar belang moeten zijn. Naar schatting zijn er per jaar vijf verzoeken tot herroeping. Aanvankelijk werden deze alleen door een van de nu 18.000 in Nederland geboren geadopteerden gedaan; de laatste twintig jaar ook door buitenlandse geadopteerden. Eind 2011 zijn er ongeveer 37.000 geadopteerden uit vijftig verschillende landen.

Regelmatig bleek de termijn voor indiening van het verzoek tot herroeping veel te kort. Betrokken geadopteerden kwamen veelal pas later in hun leven op een punt dat zij de adoptie wilden laten herroepen. Of zij waren daar emotioneel pas op latere leeftijd toe in staat. Vaak ook wisten zij op jonge leeftijd niet dat deze mogelijkheid bestond. De wetswijziging van 1998, de termijn werd tot drie jaar verruimd, gaf enig soelaas, maar toch nog veel te weinig.

Voor een geadopteerde is het een grote stap om de adoptie ongedaan te maken. Daar moeten zwaarwegende redenen voor zijn. En die zijn er soms ook. Bedenk hierbij dat de sociale status van een geadopteerde een kunstmatige is. Bijna altijd is hij in een adoptiegezin geplaatst waarmee voordien geen enkele band bestond. Met als belangrijk gevolg, dat hij vaak worstelt met zijn identiteit, met de vraag wie hij nu eigenlijk is, bij wie en waar hij thuishoort. In de meeste gevallen levert dit uiteindelijk geen onoverkomelijke problemen op. In enkele gevallen echter wel. Soms is het contact tussen adoptieouders en geadopteerde al vele jaren geheel verbroken. Het contact met de biologische ouders, veelal de moeder, kan zelfs weer hersteld zijn. Het contact met de adoptieouders hoeft niet eens slecht te zijn. Het is voorgekomen dat geadopteerde, ver na zijn 23e en zelfs pas na het overlijden van zijn adoptiemoeder – zijn adoptievader was allang overleden – het verzoek tot herroeping indiende. Betreffende man wilde zijn adoptiemoeder niet te zeer emotioneel belasten. De rechter willigde het verzoek tot herroeping in. Een geadopteerde kan worstelen met een traumatisch verleden. Pas na langdurige psychotherapeutische hulp besluit hij zijn adoptie te herroepen. Maar weer ver na de termijn.

Kortom, redenen genoeg om de wet te wijzigen. Ik zou ervoor pleiten geen tijdslimiet voor de mogelijkheid tot adoptieherroeping in te stellen. De rechter kan altijd zelf bepalen of het inderdaad in het belang van geadopteerde is. En of er geen onedele motieven aan het verzoek ten grondslag liggen. Of niet andere belangen zwaarder wegen. Bijvoorbeeld de belangen van eventuele kinderen van geadopteerde. Zij kunnen het volstrekt oneens zijn met hun vader of moeder en graag de (juridische) band met hun grootouders behouden.
Anno 2012 is bezinning op de wet rond adoptieherroeping zeker op zijn plaats.

René Hoksbergen is emeritus-hoogleraar adoptie en NJB-expert.

Paul Vlaardingerbroek schreef op :

Kinderen die zijn geadopteerd kunnen volgens de wet in de (korte) periode van 3-5 jaar na hun meerderjarigwording (dus van 21-23 jaar) hun adoptie laten herroepen door de rechtbank. De herroeping is alleen mogelijk als de rechter dat in het belang van het kind acht. Gevolg van de herroeping is dat de familierechtelijke betrekkingen tussen de geadopteerde en de adoptieouders (én hun familieleden) worden verbroken. Met de herroeping worden de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn eerdere juridische ouders en hun bloedverwanten van rechtswege weer hersteld.

De herroeping van de adoptie komt zeer weinig voor. In het geval waarin de Rechtbank Alkmaar kreeg te beslissen (beslissing van 20 oktober 2010, LJN BQ6551) betrof het een vrouw die in 1965 uit een niet gehuwde moeder geboren en – waarschijnlijk vanwege de schande destijds voor de moeder en haar familie – onmiddellijk afgestaan voor adoptie. Na overlijden van de adoptiemoeder (met de adoptievader was al geen contact meer) wilde de verzoekster, die weer met haar eigen biologische moeder en haar familie goed contact had gekregen de adoptie herroepen. De wet stelt helder dat de herroepingtermijn verstreken is. Toch oordeelde de rechtbank dat toepassing van deze termijn een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM betekent. De rechtbank besliste dat in dit geval de wettelijke termijn buiten beschouwing moest worden gelaten. De herroeping werd – tot vreugde van de dochter – toegestaan.

Meer recentelijk oordeelde ook de Rechtbank ’s-Gravenhage (5 oktober 2011, LJN BT8475) positief. Hier verzocht een 49-jarige man herroeping van zijn adoptie door zijn inmiddels overleden adoptiefouders. De man had zijn adoptie niet eerder willen herroepen vanwege de emotionele belasting die dat voor zijn adoptief-moeder met zich mee zou brengen. De rechter oordeelde dat de man een beroep kon doen op de bescherming van artikel 8 lid 2 EVRM, omdat de toepassing van de herroepingtermijn van artikel 1:231 lid 2 BW niet verenigbaar was met zijn recht op ‘family life’, dwz. hereniging met zijn familie. Beide genoemde uitspraken vind ik terecht, want het kind is nu eenmaal lijdelijk voorwerp geweest van de afstand door zijn oorspronkelijke ouder(s) en de adoptie door de nieuwe ouders. Wel valt op dat in beide gevallen de herroeping van de adoptie werd toegestaan, nu de adoptiefouders overleden waren. Maar ook de juridische band met de adoptiefbroers en –zussen gaat verloren. De feitelijke band kan natuurlijk wel blijven bestaan.

Het is de vraag wat een rechter zal doen met bijvoorbeeld een herroepingverzoek gedaan door een 30-jarige die zijn biologische ouder(s)pas kort daarvoor heeft leren kennen. Te hopen valt dat de rechter de belangen van het (inmiddels oudere) kind goed weet te wegen en rekening houdt met het feit dat het kind zelf er nooit om heeft gevraagd te worden afgestaan en geadopteerd. Dat geldt overigens bij ieder kind want geen kind vraagt erom geboren te worden. Er zullen vast wel kinderen zijn die nooit (of niet uit deze ouders) geboren hadden willen worden geboren, maar belangrijk verschil tussen deze kinderen en adoptiekinderen is dat ‘gewone kinderen’ door hun biologische ouder(s) worden opgevoed.

Nog een vraag dringt zich op en dat is dat de wet stelt dat herroeping alleen mogelijk is als dat in het belang is van het kind, want het kind treedt weer in zijn oorspronkelijke familieband en de juridische band met de adoptieouders wordt verbroken. Het belang van de adoptieouders speelt hierin geen rol. Of toch wel? Voor de adoptiefouders, die liefde, tijd en geld hebben geïnvesteerd in hun geadopteerde kind is het natuurlijk vreselijk om op enig moment – als hun kind al lang meerderjarig is - geconfronteerd te worden met een verzoek van hun kind om herroeping van zijn adoptie om hen te ‘ontouderen’. Het lijkt mij gewenst dat ook dit aspect in de discussie over de herroeping van de adoptie wordt meegenomen.

Paul Vlaardingerbroek is hoogleraar familierecht in Tilburg en NJB-expert.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Legal Visions: jurisprudentie in korte videopresentaties

Het enthousiasme voor TaxVisions met elke week de belangrijkste fiscale jurisprudentie in korte videopresentaties (https://www.wolterskluwer.nl/taxvisions) heeft Wolters Kluwer bewogen om ook voor (andere) juristen bij wijze van proef een animatie video te maken van een arrest van de Raad van State. Er zijn plannen om dit wekelijks te gaan doen voor de belangrijkste jurisprudentie (strafrecht, privaatrecht en bestuursrecht). Lijkt u dat wat? Laat het ons weten via redactie@njb.nl

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.