De Kosovo-uitspraak van het Internationale Gerechtshof: dynamiek of dynamiet?

Toen de Amerikaanse president Woodrow Wilson in 1918 in zijn ontwerpen voor het verdrag van de Volkenbond het beginsel van zelfbeschikking der naties introduceerde, ontmoette hij heftige weerstand. De Europese koloniale mogendheden wilden er niets van weten en critici in de VS hekelden: “The phrase is simply loaded with dynamite. It will raise hopes which can never be realized...What a misery it will cause.” Het beginsel haalde niet de eindtekst.

De ironie van de geschiedenis wil dat uiteindelijk op iniatitief van de Sovjet-Unie in het VN-Handvest werd opgenomen dat de betrekkingen tussen staten mede gegrond moeten zijn op eerbied voor het beginsel van zelfbeschikking van volken (art. 1, lid 2). Na 1945 heeft dit beginsel een hoge vlucht genomen en een zeer dynamische ontwikkeling doorgemaakt. Allereerst werd het opgewaardeerd van een beginsel naar een recht en fungeerde het als de juridische basis van het omvangrijke naoorlogse dekolonisatieproces en daarmee als het geboorterecht van zo’n honderd nieuwe staten. Naast dit recht op externe zelfbeschikking kreeg het ook in toenemende mate een interne betekenis. Ook binnen gevestigde staatsverbanden moet het recht van volken op een zekere mate van autonomie en op respect voor bepaalde politieke, eonomische, sociale en culturele rechten geëerbiedigd worden. Kort door de bocht gesteld, is dit gelijk aan een min of meer democratische regeringsvorm.

Op 22 juli 2010 bracht het Internationale Gerechtshof, het voornaamste rechterlijke orgaan van de Verenigde Naties, een advies uit over de vraag of het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid van Kosovo op 17 februari 2008 door de Voorlopige instellingen voor zelfbestuur van Kosovo in overeenstemming is met het internationale recht. De Algemene Vergadering had op 8 oktober 2008 deze rechtsvraag voorgelegd aan het Hof dat daarop schriftelijke bijdragen van staten en de opstellers van de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo heeft ingewonnen en in december 2009 een hoorzitting heeft belegd. Diverse staten hebben betoogd dat het Hof zich niet bevoegd zou moeten verklaren. Dit omdat niet de Algemene Vergadering maar de Veiligheidsraad met de kwestie-Kosovo is belast en omdat het een politieke en geen juridische vraag betreft. Het Hof wijst evenwel al deze bezwaren gemotiveerd van de hand en verklaart zich bevoegd. Wel interpreteert het Hof de vraag beperkter door negatief te formuleren: verbiedt het internationale recht het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid van Kosovo? Om die vraag te kunnen beantwoorden, neemt het Hof naast het algemene internationale recht in het bijzonder de Veiligheidsraadresoluties onder de loep die na de militaire actie van tien NAVO-landen in 1999 waren aangenomen. Het Hof constateert dat onafhankelijkheidsverklaringen een veel voorkomend verschijnsel zijn die lang niet altijd tot brede erkenning en onafhankelijkheid leiden en wijst daarbij op Zuid-Rhodesië, Noord-Cyprus en de Republiek Srpska. Het Hof gaat niet in op de vraag of de bevolking van Kosovo een algemeen recht op zelfbeschikking toekomt of een specifiek recht op afscheiding van Servië heeft in het licht van de beweerde onderdrukking van de Kosovaren (“remedial secession”, zoals onder meer Nederland stelde), onderwerpen waarover volgens het Hof “radically different views” bestaan. De onafhankelijkheidsverklaring van 17 februari 2008 schendt het algemene internationale recht (lex generalis) niet, zo concludeert het Hof.

Bij het beoordelen van mogelijke strijdigheid met besluiten van de Veiligheidsraad, zoomt het Hof in op Resolutie 1244 van 10 juni 1999. Deze resolutie en het daarop gebaseerde Grondwettelijk Kader voor Voorlopig Zelfbestuur belichamen de regelingen voor het behoud van vrede en veiligheid en een interim-bestuur van Kosovo onder internationaal toezicht (lex specialis), die in de plaats kwamen van de Servische rechtsorde in het gebied. Op basis van een gedetailleerde analyse van die documenten concludeert het Hof dat hiermee louter een interim-régime was opgezet en niet beoogd werd de definitieve status van Kosovo te bepalen. Uit Resolutie 1244 vloeit naar het oordeel van het Hof dan ook geen verbod voort tot het uitvaardigen van een onafhankelijkheidsverklaring door democratisch gekozen politici. Met tien tegen vier stemmen spreekt het Hof uit dat de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo van 17 februari 2010 het internationale recht niet schond.

Vanuit het oogpunt van het zoeken van een consensus binnen het 15 leden tellende Hof en het vermijden van een politiek mijnenveld, valt ’s Hofs minimalistische benadering van de adviesaanvraag wel te begrijpen. Maar tegelijkertijd blijven aldus grote vragen onbeantwoord. Wat zijn nu eigenlijk de juridische consequenties van die onafhankelijkheidsverklaring? Is de erkenning van onafhankelijkheid door inmiddels 69 staten (waaronder Nederland) nu wel of niet geldig? Laat staan dat de hamvraag beantwoord is: is Kosovo een onafhankelijke staat of niet? Dat maakt de uitspraak welhaast tot een ‘non-opinion’, in ieder geval een die juridisch van betrekkelijke betekenis is. Bij eerdere gelegenheden, bijvoorbeeld het Namibië-advies (1971) en dat over de Israëlische Muur (2004), schroomde het Hof niet de grote vragen ter hand te nemen en dat leidde tot zeer gezaghebbende uitspraken over de stand van het recht, ook al bleef de onafhankelijkheid van Namibië nog lang uit en staat de Muur er nog steeds. Bovendien weet het Hof heel goed wat de onbedoelde effecten van deze uitspraak zijn, namelijk een hart onder de riem voor al die separatistische bewegingen in Baskenland, Catalonië, Srpska, Noord-Cyprus, Abchazië en Zuid-Ossetië, om ons maar even tot een handvol voorbeelden in Europa te beperken. Bovendien waren kennelijk de hoopgevende ontwikkelingen van het nieuwe democratische Servië op weg naar een volwaardige rechtstaat van geen belang in de context van het beantwoorden van deze rechtsvraag en nam het Hof voor lief dat Kosovo als mini-Balkanstaat op de kaart komt, met onvermijdelijk financiële EU-steun tot in lengte van jaren. Daarmee heeft het Hof een kans laten lopen om zich als een relevante actor binnen het VN-systeem voor vrede en veiligheid, waarvan ook het Hof een hoeksteen vormt, te positioneren. In plaats van in te spelen op de dynamiek van het interne zelfbeschikkingsrecht, speelt het Hof onbedoeld met vuur door het risico om wereldwijd dynamiet te leveren.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/1396, afl. 27, p. 1737.

Bron afbeelding: Zoe52

Naam auteur: Nico Schrijver
Geschreven op: 2 augustus 2010

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.