De teloorgang van de 'bright-line rule'

In de tachtiger jaren van de vorige eeuw, toen ik nog beginnend strafrechtadvocaat was, leidde een overschrijding van de redelijke termijn standaard tot niet-ontvankelijkheid van het OM en onrechtmatige bewijsgaring tot bewijsuitsluiting. Het strafproces stond toen in het teken van policing the police en vormfouten werden door de rechter tamelijk rigide afgestraft. 

Daartegen ontstond weerstand, die goed verwoord werd door Fokkens in zijn Amsterdamse oratie in 1992. Hij begon met de zin dat het “Haagse Gerechtshof vorig jaar 413 verdachten – onder wie hoogstwaarschijnlijk ook daders van ernstige misdrijven – vrijuit liet gaan omdat hun zaken te lang waren blijven liggen.” Sindsdien is er veel water door het Nederlandse rivierenland gestroomd en ziet de strafrechtspleging er heel anders uit. Vormfouten en onrechtmatige bewijsgaring leiden nog zelden tot bewijsuitsluiting en de schending van de redelijke termijn hoogstens tot strafvermindering.1 In 2013 trok de Hoge Raad ten aanzien van de bewijsuitsluiting de teugels nog wat strakker aan.2 Een schending van de privacy, bijvoorbeeld door een onrechtmatige doorzoeking, hoeft niet tot bewijsuitsluiting te leiden. Het al dan niet sanctioneren van onrechtmatigheden is steeds meer een belangenafweging geworden. Alleen als het recht op een eerlijk proces van de verdachte (het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor of het zwijgrecht) ernstig is geschonden of als bewijs door marteling is verkregen, is bewijsuitsluiting geboden.3 Je zou kunnen zeggen dat dat nog de enige bright-line rule is, die geldt ongeacht de omstandigheden van het geval of de belangen die op het spel staan.

Maar ook deze bright-line rule staat onder druk en opvallend genoeg waait de wind nu uit de Straatsburgse hoek. Op 13 september jl. deed de grote kamer van het EHRM uitspraak in de zaak Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk.4 Het ging over de geruchtmakende bomaanslagen die in juli 2005 in de metro en het openbaar vervoer in Londen hadden plaatsgevonden. Er vielen 52 doden. Na de eerste aanslag volgde een poging tot een tweede. De bommen kwamen niet tot ontploffing. De beelden van de camerabewaking in de metro lieten zien dat de daders zich ontdeden van hun rugzakken waarin de bommen zaten en zich uit de voeten maakten. Na een klopjacht werden drie verdachten aangehouden en onderworpen aan zogenaamde safety interviews waarbij wel de cautie werd gegeven maar geen advocaten werden toegelaten. De politie wilde weten of er nog meer bommen waren en wie verder bij het netwerk betrokken was. Een vierde man werd eerst als getuige gehoord en vervolgens als verdachte aangemerkt. Ook hij kreeg niet onmiddellijk toegang tot een advocaat en ze lieten hem nog een tijdje doorpraten zonder dat de cautie werd gegeven.

In Straatsburg stond de essentie van de Salduz jurisprudentie ter discussie: dat de politie meteen was begonnen met de safety interviews vond iedereen begrijpelijk, het ging om mensenlevens; maar rechtvaardigden de exceptionele omstandigheden de uitsluiting van de advocaten, ook toen zij zich meldden? En mochten de verklaringen die zonder bijstand van advocaten waren afgelegd, voor het bewijs worden gebruikt? In zijn algemene overwegingen verlaat het EHRM de bright-line rule , die uit zijn eerdere Salduz jurisprudentie spreekt. Het EHRM overweegt – in zijn algemeenheid, dus niet specifiek met betrekking tot deze zaak – dat ook als er géén sprake is van compelling reasons om contact met de advocaat uit te stellen, dat nog niet betekent dat daardoor zonder meer art. 6 EVRM is geschonden. Het hof formuleert een tiental criteria voor een totality-of- the- circumstances-test, waarin alle op het spel staande belangen worden betrokken. Ten aanzien van de eerste drie klagers acht het EHRM art. 6 EVRM niet geschonden. Daarbij heeft het ook laten meewegen dat er een overweldigende hoeveelheid ander bewijs tegen hen was, zodat hun verklaringen geen grote rol hadden gespeeld bij hun veroordeling. Het hof oordeelt anders ten aanzien van degene die in eerste instantie als getuige werd gehoord. Hij had wel heel veel belastende informatie ten aanzien van zichzelf prijs gegeven. Bij deze klager was er volgens het hof bovendien geen dringende noodzaak zijn recht op rechtsbijstand uit te stellen en omdat hij ook niet tijdig op zijn zwijgrecht was gewezen werd art. 6 EVRM geschonden geacht.

Door deze uitspraak is de in beginsel absolute regel die het EHRM constant heeft herhaald in zijn Salduz jurisprudentie, namelijk dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden de rechten van de verdediging onomkeerbaar zijn geschonden als verklaringen van verdachten voor het bewijs worden gebruikt, terwijl zij geen toegang hebben gehad tot rechtsbijstand, gerelativeerd. Zou dit nu komen door de aard van de zaak? Die was uitzonderlijk. Het was letterlijk een ticking bomb scenario. De algemene overwegingen lijken echter in een andere richting te wijzen. Het hof benadrukt dat juist in dit soort zaken rechtsbijstand van het grootste belang is en dat mogelijk collusiegevaar nooit reden mag zijn advocaten uit te sluiten. Desondanks werd geen schending van art. 6 EVRM aangenomen ten aanzien van de eerste drie klagers. Wat onbevredigend is, en de twee dissenters wijzen daar ook op, dat het hof eigenlijk niet goed kan uitleggen welke gerechtvaardigde gronden er dan waren de advocaten ook niet toe te laten toen zij beschikbaar waren. Gelet op het zwijgrecht dat (zelfs) aan deze verdachten toekwam, is dat ook niet uit te leggen.

Hard cases make bad law.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/1752, afl. 34, p. 2429


  1. Zie voor een mooi historisch overzicht: R. Kuyper, Vormfouten, dissertatie, 2014.
  2. HR 13 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen.
  3. Een structureel onrechtmatige praktijk kan ook leiden tot bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid, zoals bijvoorbeeld bij het alcoholslot dat als dubbele vervolging werd aangemerkt, zie HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434.
  4. Nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09.
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 4 oktober 2016

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

sander van 't hullenaar schreef op :
Twee opmerkingen.

1) Het EHRM formuleert in mijn optiek in de par. 265 en 301 van het arrest de bewijsuitsluitingsregel toch wel strakker dan dat 'ook als er géén sprake is van compelling reasons om contact met de advocaat uit te stellen, dat nog niet betekent dat daardoor zonder meer art. 6 EVRM is geschonden'. Het EHRM lijkt toch nog van bewijsuitsluiting als regel te spreken (par 301: However, as noted above (see paragraph 265), in the absence of compelling reasons for the restriction of the fourth applicant’s right to legal advice, the burden of proof shifts to the Government to demonstrate convincingly why, exceptionally and in the
specific circumstances of the case, the overall fairness of the trial was not irretrievably prejudiced by the restriction on access to legal advice).

2)
Ik zou graag toevoegen dat uit 'Ibrahim and others' ook volgt dat de vraag of 'acces to a lawyer' niet afhankelijk is van de vraag of een verdachte is aangehouden maar van de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld (a criminal charge) en dat dus ook de niet aangehouden verdachte recht heeft om te worden gewezen op het recht op 'acces to a lawyer' en verder nog dat uit het arrest volgt (omdat het EHRM expliciet stelt dat de the UK de EU richtlijn 2013/48 niet heeft aanvaard maar die richtlijn stoelt op art 6 EVRM ook voor wat betreft art. 3 van de richtlijn waarin het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor is gegarandeerd) niet meer kan worden volgehouden (zoals de HR nog steeds doet) dat het EHRM nimmer met zoveel woorden heeft gezegd dat het recht op verhoorbijstand zonder meer volgt uit art. 6 EVRM, want dat doet het in mijn optiek (zeker met dit arrest in de hand) wel.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Legal Visions: jurisprudentie in korte videopresentaties

Het enthousiasme voor TaxVisions met elke week de belangrijkste fiscale jurisprudentie in korte videopresentaties (https://www.wolterskluwer.nl/taxvisions) heeft Wolters Kluwer bewogen om ook voor (andere) juristen bij wijze van proef een animatie video te maken van een arrest van de Raad van State. Er zijn plannen om dit wekelijks te gaan doen voor de belangrijkste jurisprudentie (strafrecht, privaatrecht en bestuursrecht). Lijkt u dat wat? Laat het ons weten via redactie@njb.nl

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.